Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:188

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
AWB 02/772 e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gwd; mkz-kamperveen; heeft de staatssecretaris van Economische Zaken op goede gronden geconcludeerd dat de uitslag van het laboratorium juist was; niet gebleken dat eventuele afwijkingen van standaarden hebben geleid tot het belastende resultaat.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 02/772, 13/977, 02/1421, 13/983, 02/1816, 13/972, 02/1844, 13/984, 13/970, 13/971, 13/973, 13/974, 13/975, 13/976, 13/978, 13/979, 13/980, 13/981, 13/982

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2015 in de zaken tussen

Maatschap [naam 1] (02/772 en 13/977), te Kamperveen,

Maatschap [naam 2] , (02/1421 en 13/983) te Kamperveen,

[naam 3] , (02/1816 en 13/972) te [plaats 1]

Maatschap [naam 4], (02/1844 en 13/984) te Kamperveen,

Maatschap [naam 5], (13/970) te Kamperveen,

[naam 6] , (13/971) te Noordeinde,

[naam 7] , (13/973) te Kamperveen,

Maatschap [naam 8], (13/974) te Kamperveen,

[naam 9] , (13/975) te Kamperveen,

Maatschap [naam 10], (13/976) te Kamperveen,

Maatschap [naam 11], (13/978) te Kamperveen,

Maatschap [naam 12], (13/979) te Kamperveen,

[naam 13] , (13/980) te Kamperveen,

Maatschap [naam 14] , (13/981) te Kamperveen,

[naam 15] , (13/982) te IJsselmuiden,

tezamen appellanten

(gemachtigden: mr. J.J.J. de Rooij, drs. L. Jansen en [naam 16]),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.L. Batting, dr. C. Bruschke en dr. A. Bouma).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 29 maart 2001 en 2 april 2001 heeft verweerder besloten tot verdachtverklaring van de evenhoevige dieren op de bedrijven van appellanten en tot het doen treffen van maatregelen, waaronder doding van deze dieren.

Bij besluiten van 10 april 2002, 13 juni 2002, 25 juni 2002, 2 juli 2002, 4 juli 2002,
14 augustus 2002, 25 september 2002, 7 oktober 2002, 11 november 2002 en
3 december 2002 heeft verweerder de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld.

Een aantal beroepen is ter zitting behandeld en heeft geleid tot de uitspraken van
19 december 2008 (ECLI:NL:CBB:2008:BH2628 en ECLI:NL:CBB:2008:BH2627). De behandeling van de overige beroepen is aangehouden in afwachting van deze uitspraken.

Het College heeft deze beroepen gegrond verklaard, de besluiten op bezwaar vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op de bezwaren te beslissen.

Bij besluiten van 7 november 2013 heeft verweerder - in een aantal gevallen met intrekking van het eerdere besluit op bezwaar - in alle zaken nieuwe besluiten op bezwaar genomen.

Appellanten hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft in alle zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2014. Namens partijen hebben de gemachtigden het woord gevoerd. Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Vervolgens is verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op een aantal tijdens de zitting door appellanten opgeworpen stellingen. Verweerder heeft bij brief van 25 augustus 2014 van die gelegenheid gebruik gemaakt. Appellanten hebben daarop gereageerd bij brief van 17 oktober 2014. Deze stukken zijn aan deze uitspraak gehecht.

Bij brief van 12 december 2014 heeft het College 9 nadere vragen gesteld aan verweerder. Verweerder heeft deze vragen beantwoord bij brief van 8 januari 2015. Ook deze stukken zijn aan deze uitspraak gehecht.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 5 februari 2015. Daarbij waren partijen opnieuw vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Het College heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Voorgeschiedenis

1.1.

Feitelijk; mond- en klauwzeer

In februari 2001 is in het Verenigd Koninkrijk mond- en klauwzeer (hierna: mkz) uitgebroken. Appellanten oefenden destijds ieder afzonderlijk een veehouderijbedrijf uit, waar evenhoevige dieren werden gehouden. De bedrijven van appellanten waren gelegen op een afstand van minder dan twee kilometer van het bedrijf van [naam 17] ([naam 17]) te [plaats 1]. Op 12 en 13 maart 2001 zijn vanaf het bedrijf van [naam 18] ([naam 18]) te [plaats 2] 68 geiten/bokjes vervoerd naar het bedrijf van [naam 17]. Op het bedrijf te [plaats 2] is op 17 maart 2001 een besmetting met mkz vastgesteld. Op 18 en 21 maart 2001 zijn bij de evenhoevige dieren op het bedrijf van [naam 17] monsters afgenomen. De evenhoevige dieren op dit bedrijf zijn op laatstvermelde datum tevens preventief gedood. Op
28 maart 2001 heeft Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees-Centraal (RVV) van ID‑Lelystad B.V. (ID-Lelystad) een faxbericht ontvangen, kortweg inhoudende dat (voor zover van belang) op het bedrijf van [naam 17] te [plaats 1] 47 van de 57 monsters positief zijn bevonden in de screeningsneutralisatietest, dat deze monsters nog uitgetitreerd worden, maar dat het percentage positieve monsters van het bedrijf van [naam 17] dusdanig hoog is dat dit als uitbraak moet worden aangemerkt, gezien de epidemiologische link met [naam 18] te [plaats 2]. Op basis van die uitslagfax is het bedrijf van [naam 17] besmet verklaard en heeft verweerder (onder andere) besloten tot preventieve doding van alle evenhoevige dieren op de bedrijven van appellanten nu deze bedrijven in de directe omgeving van het bedrijf van [naam 17] zijn gelegen.

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen de besluiten waarbij verweerder de besmetverklaring van het bedrijf van [naam 17] en de maatregel tot doding van de dieren van appellanten heeft gehandhaafd. Zij hebben van meet af aan vraagtekens geplaatst bij de besmetverklaring van het bedrijf van [naam 17]. Deze is, naar zij stellen, niet onomstotelijk aangetoond. De door appellanten aangevoerde beroepsgronden worden in het vervolg van deze uitspraak behandeld.

1.2

Relevante jurisprudentie

De mond- en klauwzeeruitbraak in 2001 heeft aanleiding gegeven tot een groot aantal rechterlijke uitspraken, zowel op nationaal als op (toen) gemeenschapsniveau. Een aantal van die uitspraken, onderscheidenlijk arresten, hebben rechtstreeks of zijdelings invloed uitgeoefend op de onderhavige procedure.

Het College volstaat er thans mee kortheidshalve te verwijzen naar de volgende uitspraken van het College, c.q. arresten van het Hof van Justitie naar aanleiding van door het College gestelde prejudiciële vragen:

  • -

    CBb 18 januari 2005 (ECLI:NL:CBB:2005:AS3610). Deze verwijzingsuitspraak heeft geleid tot

  • -

    Hof van Justitie, arrest van 15 juni 2006 (C-28/05). Dit arrest heeft vervolgens geleid tot de uitspraak

  • -

    CBb 9 september 2008 (ECLI:NL:CBB:2008:BF0067).

  • -

    CBb 17 mei 2005 (ECLI:NL:CBB:2005:AT5805). Deze verwijzingsuitspraak heeft geleid tot

  • -

    Hof van Justitie, arrest van 7 juni 2007 (C-222/05 tot en met C-225/05). Dit arrest heeft vervolgens geleid tot de uitspraken

  • -

    CBb 19 december 2008 (ECLI:NL:CBB:2008:BH2627 en ECLI:NL:CBB:2008:BH2628).

1.3

De uitspraken van het CBb van 19 december 2008

In deze uitspraken heeft het College, onder meer, het volgende overwogen:

"3.1 Het College verwijst naar hetgeen reeds in de verwijzingsuitspraak [van 17 mei 2005] is overwogen. In het bijzonder wijst het College erop dat in de verwijzingsuitspraak is overwogen dat de besluiten van de Directeur RVV tot verdachtverklaring, vaccinatie en doding van de evenhoevige dieren op de bedrijven van appellanten zijn gegrond op de besmetverklaring van de dieren op het bedrijf van [naam 17] aan [adres] te [plaats 1]. Deze besmetverklaring was gebaseerd op de inhoud van een door de RVV van de zijde van het onderzoekslaboratorium ID-Lelystad B.V. (hierna: ID-Lelystad) ontvangen faxbericht van 28 maart 2001. Het College heeft geoordeeld dat als vaststaand moet worden aangenomen dat het bedrijf van [naam 17] terecht besmet is verklaard met mkz, alsmede dat de besluiten van verweerder de evenhoevige dieren van appellanten als verdacht van besmetting met mkz aan te merken, de rechterlijke toetsing kunnen doorstaan. Derhalve was verweerder ingevolge de Gwd bevoegd was tot doding van deze dieren te besluiten. Voorts was verweerder ingevolge het gemeenschapsrecht gehouden toepassing te geven aan voormelde bevoegdheid tot doding van de dieren van appellanten (…)".

en:

"3.4 Het College is evenwel van oordeel dat hetgeen in bovengenoemde uitspraak van 9 september 2008 is overwogen, niettemin gevolgen heeft voor onderhavige zaken.

Immers, in deze uitspraak is geoordeeld (-) dat de Directeur RVV weliswaar op grond van de inhoud van het in die zaken van belang zijnde faxbericht van ID-Lelystad van 28 maart 2001 gehouden was tot het onverwijld nemen van maatregelen, zonder dat de betrokken veehouders vooraf in de gelegenheid behoefden te worden gesteld kennis te nemen van de feiten en omstandigheden waarop de in dat faxbericht vervatte uitslag van het laboratoriumonderzoek was gebaseerd en daarop te reageren, doch (-) dat het beginsel van eerbiediging van rechten van de verdediging met zich brengt dat zij in het kader van de behandeling van hun tegen die maatregelen ingediende bezwaarschriften die gelegenheid alsnog dienden te krijgen.

In onderhavige zaken staat vast dat appellanten in het kader van de bezwaarprocedure zowel in hun aanvullende gronden van bezwaar van 2 oktober 2001 (AWB 02/1901) en 23 oktober 2001 en 6 december 2001 (AWB 02/1661 en AWB 02/1845) als tijdens de hoorzitting op 6 december 2001 (AWB 02/1901), te kennen hebben gegeven inzage te willen in de dossiers van ID-Lelystad. Onder deze omstandigheden was verweerder gehouden appellanten in staat te stellen kennis te nemen van bedoelde stukken alsmede in staat te stellen daarop te reageren."

en:

"3.7 Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat van de zijde van verweerder bij de voorbereiding van de bestreden besluiten, in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen is vergaard. Deze kennis betreft zowel de hiervoor bedoelde gegevens als de reactie van appellanten daarop (en de onderbouwing daarvan).

Om deze reden zal het College de beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen. Verweerder zal worden opgedragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van appellanten te beslissen. Het College wijst erop dat verweerder appellanten in het kader van de heropende bezwaarprocedures alsnog in de gelegenheid zal moeten stellen kennis te nemen van de onderzoeksgegevens van ID-Lelystad en daarop te reageren. Verweerder zal zich aan de hand van die gegevens en eventueel daarop te geven reacties een oordeel behoren te vormen over de gang van zaken in het laboratorium en de juistheid van de in het faxbericht van 28 maart 2001 gegeven uitslag. De in de onderhavige procedures reeds door het College beslechte kwesties kunnen niet opnieuw voorwerp van discussie zijn."

2. Inhoud bestreden besluiten

2.1

Verweerder heeft, ter uitvoering van de uitspraken van het College van
19 december 2008, appellanten – onder meer – de volgende stukken verschaft:

  • -

    Het volledige laboratoriumdossier met betrekking tot de bedrijven van appellanten;

  • -

    Het volledige laboratoriumdossier met betrekking tot het bedrijf van [naam 17] te [plaats 1];

  • -

    Het volledige laboratoriumdossier met betrekking tot het bedrijf van [naam 18] te [plaats 2];

  • -

    Alle door de gemachtigde van appellanten opgevraagde documenten, voor zover aanwezig en niet betrekking hebbend op persoonsgegevens, onder meer: crisisverslagen, Standard Operating Procedures (SOP's), het accreditatiedocument van ID-Lelystad, uitslagfaxen, de nota MKZ-vaccinatie, de controlestaat ELISA-reader en traceringsrapporten.

Deze stukken zullen hierna, omwille van de leesbaarheid, in voorkomend geval, ook worden aangeduid als: "de nadere gegevens".

2.2

Verweerder heeft zich vervolgens aan de hand van deze nadere gegevens en de reactie daarop van appellanten een oordeel gevormd over de gang van zaken in het laboratorium en de juistheid van de in het faxbericht van 28 maart 2001 gegeven uitslag.

Het standpunt van verweerder houdt – samengevat – het volgende in.

Uit de laboratoriumstukken die na de uitspraken van College van 19 december 2008 aan het procesdossier zijn toegevoegd blijkt dat de informatie die op de uitslagfax van 28 maart 2001 stond juist was. Deze stukken laten immers zien dat bij 47 geitenbokjes van het bedrijf van [naam 17] antilichamen tegen mkz zijn aangetroffen. Daarmee zijn deze geitenbokjes besmette dieren in de zin van Richtlijn 85/511/EEG. Bij een dusdanig groot aantal positieve monsters kan niet aan de uitbraak van mkz worden getwijfeld. Bovendien zijn de geitenbokjes aangevoerd vanaf een bedrijf waar onmiskenbaar sprake is geweest van een uitbraak van mkz, het bedrijf van [naam 18] te [plaats 2]. Daar zijn bij een groot aantal bemonsterde geiten, te weten 78% (78 positieve monsters van de 100 ingezonden), antilichamen tegen mkz aangetroffen en zijn ook klinische verschijnselen van mkz geconstateerd.

3. Het standpunt van appellanten

3.1

Appellanten hebben betoogd dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. Zij hebben, in het licht van de na de uitspraken van het College van 19 december 2008 aan hen ter hand gestelde en aan het procesdossier toegevoegde stukken daartoe, in de kern samengevat, het volgende aangevoerd.

3.2

Appellanten stellen dat verweerder volgens zijn interne beleidslijn – welke in overeenstemming is met de OIE manual – in twee situaties tot besmetverklaring van een bedrijf besluit; verweerder besloot daartoe wanneer sprake is was van aantreffen van het mkz-virus of wanneer er antilichamen werden aangetroffen in combinatie met de constatering van klinische verschijnselen bij de dieren. Alleen in het geval van [naam 17] heeft verweerder tot besmetverklaring besloten louter op basis van het aantreffen van antilichamen tegen mkz. In ongeveer 60 andere gevallen waar alleen antilichamen tegen mkz zijn gevonden, heeft verweerder niet besloten tot besmetverklaring. Bovendien heeft verweerder het bedrijf in [plaats 3] (een slachthuis) naar welk bedrijf ook geitjes afkomstig van [naam 18] zijn vervoerd, niet besmet verklaard.

Volgens appellanten is bij verweerder door verschillende omstandigheden een onjuist beeld ontstaan. Appellanten wijzen erop dat op 27 maart 2001 aan verweerder is gerapporteerd dat 3 van de 4 op 18 maart 2001 genomen monsters van geiten positief zijn bevonden, alsmede dat aan verweerder op 28 maart 2001 is gerapporteerd dat één monster van een rund positief was bevonden en 47 andere monsters, zonder aanduiding van de diersoort. Daardoor is ten onrechte het beeld ontstaan dat de besmetting van de geiten (gebleken op 21 maart 2001) zich uitbreidde tot de runderen en schapen. Van belang hierbij is dat het rund vals-positief bleek. Overigens, zo hebben appellanten ter zitting gesteld, heeft het laboratorium op 10 april 2001 bevestigd dat de 47 positieve monsters schapenmonsters waren. Dit onjuiste beeld heeft echter wel tot besmetverklaring van het bedrijf van [naam 17] geleid en daarmee ten onrechte tot de verdachtverklaring en doding van de dieren van appellanten.

3.3

Voorts voeren appellanten – onder verwijzing naar de brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 4 april 2001 – aan dat de totale procedure voor vaststelling van de aanwezigheid van antilichamen uiteenvalt in een niet gevalideerde en niet geaccrediteerde screeningstest en een wel gevalideerde en geaccrediteerde virusneutralisatietest. Na een screeningstest kan een monster hooguit de status verdacht krijgen. Pas na het uitvoeren van de virusneutralisatietest, waarbij een monster in duplo wordt uitgetitreerd in
8 verdunningsstappen tegen verschillende serotypen, kan een monster als positief of negatief worden aangemerkt. Tenslotte kan, ingevolge de OIE-manual, een dier of een bedrijf pas de status positief krijgen wanneer er naast een positieve virusneutralisatietest, sprake is van klinische verschijnselen.

Volgens appellanten moeten de testresultaten van de 47 monsters van [naam 17] als tussentijdse uitslagen worden beschouwd en zijn deze uitslagen ten onrechte als definitief positief gerapporteerd. Uit de uitslagfax blijkt immers dat de volledige virusneutralisatietest nog niet was uitgevoerd. Uit de bloklijst 125 – waarop de uitslagen van de monsters van [naam 17] staan vermeld – blijkt ook dat, in combinatie met het feit dat er 96 wells beschikbaar zijn op een plaat om de test mee uit te voeren, per monster één well is gebruikt voor een test in mono met één verdunning. Appellanten zien voorts steun voor hun stelling in de uitlatingen die medewerkers van het laboratorium deden in de schriftelijke inbreng voor de conferentiebundel van de European Commission for the Control of Foot-and -Mouth Disease (EUFMD) conferentie van 12 – 15 september 2001. Hieruit leiden appellanten af dat er sprake was van een onderscheid tussen de screening en het definitieve resultaat en dat de screening in een enkele verdunning werd uitgevoerd. Bovendien hadden alle afwijkingen en weglatingen uit de onderzoeksmethoden volgens de accreditatievoorschriften vermeld moeten worden op de uitslagfax.

Appellanten stellen voorts dat de betrouwbaarheid van de screeningstest niet hetzelfde kan zijn als de betrouwbaarheid van de virusneutralisatietest. In verschillende zaken is gebleken dat positieve uitslagen van de screening na de virusneutralisatietest negatief bleken te zijn. Appellanten wijzen op het monster van het rund van [naam 17] dat na de screeningstest als positief werd aangemerkt en na de virusneutralisatietest als negatief. Dit was dus een
vals-positief resultaat met een foutscore van 100%. Ook wijzen appellanten in dit verband op de 5 monsters van [plaats 3]. Deze monsters werden na de screeningstest als positief aangemerkt en na de virusneutralisatietest zijn er nog 4 monsters als positief aangemerkt. Dit betekent een foutscore van 20%.

4. Beoordeling

4.1

Met inachtneming van de overwegingen van het College in zijn uitspraak van 9 september 2008, naar welke uitspraak het College in de onder 1.3 genoemde uitspraken van 19 december 2008 meermalen heeft verwezen, alsmede de opdracht die het College in laatstgenoemde uitspraken aan verweerder heeft gegeven, dient thans de vraag te worden beantwoord of verweerder, bij het opnieuw nemen van zijn beslissing op de bezwaarschriften van appellanten, in het licht van de gegevens uit de onderzoeksdossiers van het laboratorium en de reacties van appellanten daarop, op goede gronden heeft geconcludeerd dat de betwiste vaststelling van het laboratorium juist was.

4.2

Bij beantwoording van deze vraag stelt het College, gelet op het tussen partijen gevoerde debat en hetgeen daaromtrent in voormelde jurisprudentie is overwogen, voorop dat een geaccrediteerd laboratorium moet worden verondersteld de analyse van monsters en de daarmee samenhangende handelingen te hebben verricht volgens de bij die accreditatie behorende of daarmee samenhangende standaarden, die er toe strekken te waarborgen dat het analyseresultaat juist is. Die veronderstelling kan worden weerlegd door aan te tonen dat één of meer afwijkingen van deze standaarden hebben plaatsgevonden én dat deze afwijking(en) het voor de betrokkene belastende analyseresultaat kan hebben veroorzaakt. Wanneer de betrokkene voormelde veronderstelling op deze wijze weerlegt is het vervolgens aan degene die het belastende analyseresultaat aan zijn besluitvorming ten grondslag legt om aan te tonen dat deze afwijking(en) niet daadwerkelijk heeft/hebben geleid tot het belastende analyseresultaat.

4.3

Appellanten hebben, gemotiveerd, betoogd dat ID-Lelystad hier niet, althans niet ten volle, heeft gehandeld volgens die standaarden en dat een afwijking van die standaarden het voor hen belastende analyseresultaat kan hebben veroorzaakt. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat appellanten er niet in zijn geslaagd zulks aan te tonen.

4.4

Dienaangaande overweegt het College als volgt.

De centrale stelling in het betoog van appellanten is van meet af aan geweest en vormt ook in hun pleitnota's de kern van hun betoog, dat de uitslagen van de door ID-Lelystad uitgevoerde test – door verweerder ook wel betiteld als de screeningsneutralisatietest – niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan de besmetverklaring van het bedrijf van [naam 17]. De uitgevoerde test is immers niet gevalideerd en wijkt af van de accreditatie. De test is niet in duplo verricht. Dit kan hebben geleid tot een onjuist analyseresultaat. Bovendien is in andere – hiervoor in rubriek 3, laatste alinea, aangeduide - gevallen sprake van hoge foutscores bij geanalyseerde monsters, aldus appellanten.

Van zijde van verweerder is daar, onder verwijzing naar de laboratoriumstukken en de daarbij door bij hem werkzame deskundigen – in antwoord op door het College bij brief van 9 december 2014 gestelde vragen – gegeven toelichting, tegenin gebracht dat de uitgevoerde test een verkorte vorm is van de gevalideerde en geaccrediteerde virusneutralisatietest. Alle voorschriften van de virusneutralisatietest zijn, in verkorte vorm, gevolgd. Louter om tijd te winnen is in plaats van het uitvoeren van alle 8 verdunningstappen gekozen voor slechts 2 verdunningsstappen: Een startverdunning van 1 op 8 en een volgende stap van 1 op 16. De grens waarbij een monster negatief of positief wordt verklaard ligt hier, op basis van de validatie, bij een verdunning van 1 op 11. Daarom kon bij de zogenoemde screeningsneutralisatietest worden volstaan met twee verdunningen, aangezien dan kan worden vastgesteld of een monster positief of negatief is. Als het virus niet wordt geneutraliseerd bij een verdunning van 1 op 16 wordt het monster negatief beschouwd; als het virus wel wordt geneutraliseerd bij deze verdunning, dan is het monster positief en bevat het antistoffen tegen mkz-virus. De hoogste verdunning waarin het virus wordt geneutraliseerd (en waarin dus geen celdood of cytopathogeen effect optreedt) geeft de concentratie antistoffen in het monster aan. Deze concentratie wordt uitgedrukt in 10log: een verdunning 1:8 wordt dan uitgedrukt als log8 wat overeenkomt met 0,9 (100,9 = 8) ; log16 komt overeen met 1,2 (101,2 = 16).

Dit betekent dat wanneer de test in duplo wordt uitgevoerd, er per monster hier 5 uitslagen mogelijk zijn, te weten < 0,9; 0,9; 1,05; 1,35; > 1,35. De uitslagen worden bepaald op basis van het al dan niet optreden van cytopathogeen effect in elk van de 4 wells (2 van 1:8 en 2 van 1:16). Uit de uitslagen ( < 1.09 en > 1.35) zoals vermeld op de bloklijst 125, waarop alleen de einduitslagen zijn vermeld, blijkt dat de monsters in duplo met twee verdunningstappen zijn getest. Volgens verweerder was het niet nodig om de precieze concentratie van de antilichamen tegen mkz in het bloed van de geiten/bokjes vast te stellen, maar diende alleen te worden vastgesteld óf er antilichamen tegen mkz werden aangetroffen, zodat kon worden volstaan met het uitvoeren van de test in twee verdunningsstappen. Deze procedure is gevolgd om snel en efficiënt een (positieve of negatieve) uitslag te krijgen. De kans dat het bij 47 positieve resultaten om een fout-positieve reactie ging is verwaarloosbaar klein (kleiner dan ongeveer 10-15).

4.5

Het College is van oordeel dat verweerder hiermee allereerst duidelijk heeft gemaakt dat de monsters van [naam 17] in duplo zijn getest. Op de bloklijst 125 zijn, zoals verweerder onweersproken ter zitting heeft gesteld, einduitslagen van de verrichte testen vermeld. Verweerder heeft daarbij inzichtelijk gemaakt dat dit uitslagen zijn die corresponderen met testen die in duplo zijn verricht met een tweetal verdunningsstappen. Appellanten hebben dit naar het oordeel van het College niet overtuigend bestreden. Weliswaar hebben zij betoogd dat op een zogenoemde 96wells plaat van monsters van [naam 17] niet in duplo kunnen worden getest omdat er simpelweg onvoldoende wells beschikbaar zijn op zo’n plaat, dit laat evenwel onverlet het duidelijke en daardoor overtuigende betoog van verweerder aangaande de uitslagen zoals vermeld op de bloklijst 125, waarbij erop is gewezen dat er op die lijst einduitslagen van 4 testen per monster zijn vermeld. De algemene uitlatingen die volgens appellanten tijdens een conferentie zouden zijn gedaan en die in een andere richting zouden wijzen, zijn onvoldoende om aan de uitslagen en de beschrijving van de uitgevoerde test, zoals die uit de nadere gegevens blijken, afbreuk te doen.

4.6

Voorts heeft verweerder naar het oordeel van het College duidelijk gemaakt dat de uitgevoerde test een verkorte (van 2 in plaats 8 verdunningsstappen) vorm was van de geaccrediteerde en gevalideerde virusneutralisatietest. Dat deze test in verkorte vorm volgens appellanten niet als zodanig zou zijn gevalideerd en geaccrediteerd en dat niet alle afwijkingen van de voorgeschreven test zijn genoteerd, maakt hier, gelet op de door de deskundigen van verweerder ter zake gegeven uiteenzettingen, niet dat de uitkomsten van die testen reeds daarom als onjuist zouden moeten worden aangemerkt. Verweerder heeft duidelijk gemaakt dat hier voor het verkrijgen van een betrouwbaar resultaat alleen de verdunningen 1 op 8 en 1 op 16 getest behoefden te worden. Er hoefde immers alleen vastgesteld te worden of er sprake was van mkz. De concentratie van de antistoffen was op dat moment niet van belang. Het College volgt appellanten daarom niet in hun betoog dat de uitslagen die zijn neergelegd op de bloklijst 125 louter als tussentijdse uitslagen hadden moeten worden aangemerkt en de monsters slechts de status "verdacht" mochten krijgen. Weliswaar blijkt uit de uitslagfax dat de monsters nog volledig uitgetitreerd zouden gaan worden – hetgeen overigens (anders dan appellanten beweren) blijkens het overgelegde protocol mkz- snt ook is gebeurd en welke uitslagen de eerdere uitslagen bevestigen – maar dit laat onverlet dat de uitslagen op de bloklijst 125 de uitslagen zijn van de in twee verdunningsstappen verrichte virusneutralisatietest in duplo.

4.7

Zo ID-Lelystad al door een verkorte test uit te voeren de voor haar geldende standaarden tijdens dit specifieke laboratoriumonderzoek op onderdelen niet ten volle in acht zou hebben genomen, dan is naar het oordeel van het College in ieder geval niet gebleken dat een afwijking van die standaarden hier het voor appellanten belastende analyseresultaat kan hebben veroorzaakt. Het College wijst in dit verband niet alleen op het grote aantal positieve uitslagen van monsters – die in ieder geval afkomstig zijn van evenhoevigen van het bedrijf van [naam 17] – maar ook op de verwaarloosbare kans dat het hier om 47 vals positieve uitslagen zou gaan. Dat er op de uitslagfax van 28 maart 2001 geen diersoort wordt genoemd biedt onvoldoende aanleiding om de uitslag als onbetrouwbaar en daardoor als onjuist te kwalificeren. De monsters vermeld op de bloklijst 125 zijn, gelet op de overige laboratoriumstukken, onmiskenbaar te herleiden tot het bedrijf van [naam 17].

4.8

Ook de stelling van appellanten dat de uitgevoerde test op de monsters van dieren van [naam 17] niet betrouwbaar is omdat in andere gevallen sprake is geweest van aanzienlijke foutscores leidt het College niet tot een ander oordeel. De gevallen waar volgens appellanten sprake is geweest van foutscores ([plaats 3] 20% en een rund van [naam 17] 100%) kunnen – voor zover al juist – geen afbreuk doen aan het – hiervoor valide geachte - standpunt van verweerder dat de kans dat het bij 47 positieve resultaten om een fout positieve uitslag ging verwaarloosbaar is.

4.9

Dit alles leidt het College tot het oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat de betwiste vaststelling van het laboratorium juist was.

4.10

Appellanten, van wie de bedrijven allen binnen een straal van twee kilometer van het besmette bedrijf van [naam 17] zijn gelegen, hebben verder nog argumenten aangevoerd waarmee zij kennelijk in wezen willen betogen dat verweerder ten onrechte een epidemiologische link heeft aangenomen tussen het bedrijf van laatstgenoemde en hun bedrijven. Over die link heeft het College in zijn uitspraak van 17 mei 2005 (ECLI:NL:CBB:2005:AT5805) reeds geoordeeld. De hierop betrekking hebbende argumenten die appellanten in dit stadium van de procedure hebben aangevoerd laat het College derhalve buiten bespreking, nu de nadere gegevens daarop ook geen nieuw licht werpen.

4.11

Ook al hetgeen appellanten verder hebben aangevoerd stuit op het voren overwogene af.

4.12

De beroepen van appellanten zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. C.J. Waterbolk en mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2015.

w.g. R.R. Winter w.g. P.M. Beishuizen