Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:178

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-06-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
AWB 14/236
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:6139, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om openbaarmaking op grond van de Wob van (delen van) het archief van de commissie Scheltema – De vraag op welke grondslag de bevoegdheid van de minister tot het besluiten omtrent openbaarmaking van door RTL gevraagde informatie berust - de Wob dan wel geheel of gedeeltelijk de Wft - is een kwestie van openbare orde – Het College ziet in de tekst noch in de toelichting van artikel 1:42 Wft ruimte voor het standpunt van de minister dat ook andere documenten dan die houdende gegevens en inlichtingen afkomstig van toezichthouders onder de werking van dit artikel kunnen vallen – Artikel 1:89 Wft is niet van toepassing op één van de overige documenten in het archief van de commissie Scheltema – De minister dient een onderscheid aan te brengen tussen documenten afkomstig van de toezichthouders enerzijds en de overige documenten anderzijds, en dat hij dit onderscheid per document of groep documenten dient te specificeren – De minister zal overeenkomstig de door de rechtbank gegeven opdracht binnen twaalf weken na de bekendmaking van de onderhavige uitspraak van het College een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen, met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Dat omvat dus ook de opdracht aan de minister om binnen vier weken een volledige inventarislijst van het archief op te stellen, voorzien van een op deze lijst toegespitste motivering per document of categorie documenten. Ten aanzien van die documenten die onder de werking van artikel 1:42, vijfde lid, Wft vallen, geldt de door de minister ingeroepen geheimhoudingsplicht – In het geval RTL zich niet kan vinden in het oordeel van de minister welke documenten, geheel of gedeeltelijk, onder artikel 1:42, vijfde lid, Wft vallen, staat tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar beroep open bij de rechtbank Rotterdam – Mocht RTL of de minister zich niet kunnen verenigen met een eventuele uitspraak van een rechtbank dan staat hoger beroep open bij het College voor zover het betreft de vraag of documenten onder de werking van de Wft vallen. Voor het overige staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wetsverwijzingen
Wet op het financieel toezicht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/236

22310

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juni 2015 op het hoger beroep van:

de minister van Financiën, appellant (de minister),

(gemachtigde: mr. M.A.G. Stolker),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 maart 2014, kenmerk ROT 12/2549, in het geding tussen

de minister en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RTL Nederland B.V. (RTL), te Hilversum,

(gemachtigde: R.J.E. Vleugels).

Procesverloop in hoger beroep

De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 27 maart 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:6139) en tevens de voorzieningenrechter van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 12 juni 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:207) heeft de voorzieningenrechter van het College het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, in dier voege dat de uitspraak van de rechtbank van 27 maart 2014 is geschorst totdat het College in onderhavige zaak in hoger beroep uitspraak heeft gedaan.

RTL heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.

De minister heeft de vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend het College daarvan kennis zal mogen nemen. Bij beslissing van 12 februari 2015 heeft het College de gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd geacht. RTL heeft ermee ingestemd dat het College mede op grondslag van die stukken uitspraak doet.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2015. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. RTL heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Bij besluit van 13 juli 2011 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van RTL tegen het besluit van 15 februari 2011 (het primaire besluit) tot weigering van het verzoek van RTL tot openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van (delen van) het archief van de Commissie van Onderzoek DSB Bank (de commissie Scheltema), zoals in het verzoek nader gepreciseerd, ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft RTL beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam. Bij uitspraak van 5 juni 2012 (ECLI:NL:RBAMS:2012:BX3977) heeft deze rechtbank zich onbevoegd verklaard en het beroep doorgezonden aan de rechtbank Rotterdam (verder: de rechtbank), omdat de Wet op het financieel toezicht (Wft) volgens haar de grondslag vormt voor het bestreden besluit.

Uitspraak van de rechtbank

2.1

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

2.2

De rechtbank is van oordeel dat de minister RTL onvoldoende inzicht heeft verschaft in de samenstelling van het archief van de commissie Scheltema en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat, naar hij heeft gesteld, het gehele archief onder het toepassingsbereik van artikel 1:42 dan wel 1:89 Wft valt. De rechtbank overweegt dat de minister niet heeft voldaan aan het verzoek van RTL om een opsomming te geven van de documenten die zich in dat archief bevinden en om per document aan te geven welke weigeringsgrond voor openbaarmaking hij hanteert, maar slechts een globale indeling van het archief heeft aangegeven. Ook in beroep heeft de minister dit – ondanks de omstandigheid dat hem na heropening van het onderzoek is verzocht de stukken over te leggen en een nadere toelichting te geven en hem nadien is gevraagd zijn reactie toe te lichten – niet gedaan. De rechtbank acht die door de minister gegeven toelichting niet toereikend, omdat ze te algemeen en onvoldoende gespecificeerd is en daarmee onvoldoende recht doet aan de uiteenlopende aard van de documenten. Volgens de rechtbank is van een aantal documenten niet duidelijk onder welke (sub)categorie zij vallen. Ten aanzien van de categorie stukken ‘gegevens die de commissie Scheltema bij de toezichthouders heeft opgevraagd’ oordeelt de rechtbank dat dit evident documenten betreft die vallen onder artikel 1:42, zevende lid, Wft, maar ook dan moet de minister specificeren en motiveren welke documenten onder die categorie vallen. Wat betreft de categorieën ‘gespreksverslagen met derden’, ‘beraadslagingen van de commissie Scheltema’, ‘e-mailwisseling tussen de commissieleden’ en ‘voorlopige versies van (hoofdstukken van) het rapport’ overweegt de rechtbank dat het daarbij gaat om documenten die door de commissie Scheltema zelf zijn geproduceerd. De rechtbank heeft deze stukken bekeken en ziet ten aanzien van de meeste een nauwe samenhang met artikel 1:42 Wft, zoals de minister heeft bepleit. Hiermee is echter – aldus de rechtbank – niet gezegd dat ze onder het toepassingsbereik van de Wft vallen, en voor zover dit niet het geval is, dat er een andere grond is voor weigering van openbaarmaking. Ten slotte heeft de rechtbank stukken in het archief aangetroffen waarvan naar haar oordeel evident is dat ze niet onder het toepassingsbereik van de Wft vallen. Ten aanzien van deze stukken is niet steeds duidelijk of de minister meent dat zij vallen onder de categorie ‘achtergrondinformatie uit openbare bronnen’ (al openbaar), ook omdat hij niet specificeert welke documenten volgens hem onder welke categorie vallen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt en onvoldoende gemotiveerd waarom openbaarmaking van (delen van) het archief van de commissie Scheltema (nog steeds) op grond van de Wft dient te worden geweigerd.

2.3

De rechtbank heeft in de lengte van de procedure aanleiding gezien de minister een termijn te stellen van twaalf weken om opnieuw op het bezwaar van RTL te beslissen. Daarbij heeft de rechtbank de minister opgedragen om binnen vier weken een volledige inventarislijst van het archief op te stellen, voorzien van een op deze lijst toegespitste motivering per document of categorie documenten, zodat voor RTL inzichtelijk(er) wordt welke documenten het archief behelst en zij (meer) gemotiveerd op het standpunt van de minister kan reageren.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1

Het verzoek om openbaarmaking van RTL is ingediend met een beroep op de Wob. Het College constateert dat in de loop van de procedure naar aanleiding van dit verzoek zich in het standpunt van de minister bij de besluitvorming en in de gerechtelijke procedures verschuivingen hebben voorgedaan. In het primaire besluit heeft de minister het verzoek, voor zover relevant, afgewezen met, in essentie, de volgende motivering. Het onderzoek van de commissie Scheltema is deels uitgevoerd in het kader van het zogeheten toezicht op toezicht als bedoeld in artikel 1:42 Wft. De Wft heeft met de artikelen 1:42 en 1:89 een eigen regime voor verstrekking en geheimhouding van toezichtsvertrouwelijke informatie. Dat regime sluit toepassing van de Wob op die informatie uit. Voor het overige was het onderzoek goeddeels gericht op de mogelijke oorzaken van het faillissement van een particuliere bank hetgeen als zodanig geen bestuursrechtelijke aangelegenheid is in de zin van de Wob en slechts onder de werking van die wet valt op grond van de verwevenheid met een bestuurlijke aangelegenheid. Het archief van de commissie berust uitsluitend op het departement omdat de commissie na beëindiging van haar werkzaamheden is opgeheven. De Wob is niet van toepassing op het archief van de commissie Scheltema, met uitzondering van de documenten daaruit die door de minister aan die commissie zijn verstrekt. Het archief voldoet niet aan de in de artikel 3, eerste lid, Wob gestelde eis dat de documenten onder de minister berusten. De commissie Scheltema is voorts geen onder de verantwoordelijkheid van de minister werkzame instelling als bedoeld in dat artikel. De minister geeft een beschrijving van het archief van de commissie Scheltema aan de hand van categorieën en geeft daarbij de volgende beoordeling omtrent openbaarmaking:

1. documenten die de minister zelf eind 2009 aan de commissie heeft toegezonden: deze vallen niet binnen de reikwijdte van het onderhavige verzoek, maar van het verzoek waarop bij besluit van 25 oktober 2010 reeds is beslist;

2. achtergrondinformatie uit openbare bronnen: deze is al openbaar;

3. gegevens die de commissie Scheltema bij de toezichthouders heeft opgevraagd: openbaarmaking wordt geweigerd op grond van artikel 1:42, zevende lid, Wft;

4. informatie afkomstig van DSB: openbaarmaking wordt geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, Wob en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, Wob;

5. schriftelijke informatie van derden: openbaarmaking wordt geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, Wob;

6. gespreksverslagen met derden als genoemd in bijlage 5 van het rapport: openbaarmaking wordt geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, Wob;

7. beraadslagingen van de commissie Scheltema: openbaarmaking wordt geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, Wob;

8. e-mailwisseling tussen de commissieleden: openbaarmaking wordt geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, Wob;

9. voorlopige versies van (hoofdstukken van) het rapport: openbaarmaking wordt geweigerd op grond van artikel 11, eerste lid, Wob

10. huishoudelijke en administratieve zaken van de commissie Scheltema.

3.2

Dit standpunt heeft de minister in het bestreden besluit gehandhaafd onder toevoeging van een nadere motivering. Volgens de minister is geen sprake van documenten in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, Wob. Verder wijst de minister op artikel 1:42 Wft en in dat verband het vertrouwelijk karakter van de werkzaamheden van de commissie. Voor zover de Wob van toepassing is voldoet het rapport van de commissie Scheltema naar het oordeel van de minister aan de eisen over het verstrekken van informatie. De minister handhaaft zijn motivering ten aanzien van de categorieën documenten.

3.3

In zijn verweerschrift van 18 oktober 2011, ingediend bij de rechtbank Amsterdam, onderschrijft de minister de stelling van RTL, dat de geheimhoudingsplicht van artikel 1:42 Wft alleen ziet op de informatie die de commissie Scheltema van de toezichthouders heeft verkregen en daarom niet ook bij voorbaat op alle categorieën documenten in het archief.

3.4

De minister heeft hangende het beroep bij de rechtbank Amsterdam zijn standpunt gewijzigd en uitdrukkelijk betoogd dat het gehele archief onder de werking van artikel 1:42 Wft valt. Om die reden komt aan de Wob geen betekenis toe. Ten overstaan van de rechtbank Rotterdam heeft de minister dat standpunt herhaald.

3.5

Ook in dit hoger beroep bij het College handhaaft de minister zijn standpunt dat het gehele archief van de commissie Scheltema onder de geheimhoudingsverplichting van artikel 1:42 Wft valt. Ter zitting heeft de minister daaraan een subsidiair standpunt toegevoegd, namelijk dat, voor zover niet alle documenten onder de reikwijdte van artikel 1:42 Wft zouden vallen, de geheimhoudingsplicht van artikel 1:89, eerste lid, Wft aan openbaarmaking van die overige documenten in de weg staat.

3.6

Op de gronden van het hoger beroep en het daarover ingenomen standpunt van RTL wordt, voor zover nodig voor de beoordeling van het geschil, hierna ingegaan.

4. Het College oordeelt als volgt.

4.1

De eerste hogerberoepsgrond van de minister richt zich tegen de vaststelling van de rechtbank dat het verzoek van RTL van 29 maart 2010 ziet op openbaarmaking van het complete archief van de commissie Scheltema. Deze beroepsgrond faalt. Vast staat dat ten tijde van het indienen van het onderhavige verzoek, eind maart 2010, delen van het archief nog niet waren overgedragen aan de minister, zonder dat RTL wist welke (categorieën van) documenten dit betrof. Dit was reden voor RTL om in het verzoek drie specifiek geduide categorieën van documenten op te nemen. Deze categorieën heeft RTL in haar verzoek van een nadere toelichting voorzien. In de nadere toelichting van de derde categorie (alle documenten gewisseld tussen de commissie Scheltema en het Ministerie van Financiën), heeft RTL gesteld dat zij daarmee het oog heeft op allerlei documenten die zijn gewisseld tussen de commissie Scheltema en het ministerie, of organen onder het ministerie. Als voorbeelden zijn verschillende soorten documenten opgesomd, waaronder voortgangs- of tussenrapportages, vragen en antwoorden, concepten voor het eindrapport etc. Ook is in de lijst met voorbeelden opgenomen “brieven van of namens de minister en/of de DNB aan die commissie en vice versa” en “leesrecht dan wel [technisch] correctie- of afstemmingsrecht voor de Minister, het Ministerie van Financiën, de DNB of andere organen en mensen”. Tevens heeft RTL een vierde categorie ‘overige documenten’ in het verzoek opgenomen, eveneens voorzien van een nadere toelichting, waaruit blijkt dat deze categorie als vangnet is bedoeld voor alle documenten, voor zover nog niet openbaar gemaakt, die niet onder de eerste drie categorieën vallen. Gelet hierop is het College van oordeel dat het verzoek ziet op het complete archief van de commissie Scheltema voor zover nog niet openbaar gemaakt. Het College volgt de minister dan ook niet in zijn stelling dat het verzoek niet (mede) ziet op de gegevens die de commissie Scheltema bij de toezichthouders heeft opgevraagd. De minister heeft overigens zijn in het primaire besluit gegeven beoordeling over deze categorie gegevens in het bestreden besluit gehandhaafd en daarmee kennelijk het verzoek in de bestuurlijke besluitvormingsfase ook in deze ruime zin opgevat.

4.2

De vraag op welke grondslag de bevoegdheid van de minister tot het besluiten omtrent openbaarmaking van door RTL gevraagde informatie berust - de Wob dan wel geheel of gedeeltelijk de Wft - is een kwestie van openbare orde, aangezien daarvan afhangt of voor de minister als uitgangspunt de verplichting tot openbaarmaking geldt, dan wel een verplichting tot geheimhouding die een openbaarmakingsbevoegdheid uitsluit én omdat daarvan afhangt welke rechtbank in eerste aanleg en welk college in hoger beroep bevoegd is over het geschil te oordelen. Bepalend voor de beantwoording van deze bevoegdheidsvraag is of de minister op goede gronden het standpunt heeft betrokken dat alle informatie in het archief onder de geheimhoudingsverplichting van artikel 1:42, vijfde lid, Wft dan wel subsidiair onder de geheimhoudingsplicht van artikel 1:89, eerste lid, Wft, valt.

4.3

Artikel 1:42 Wft luidt:

“1. Onze Minister kan aan de toezichthouder de gegevens of inlichtingen vragen die nodig zijn voor een onderzoek naar de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd, indien dat ter wille van het toezicht nodig blijkt.

2. De toezichthouder verstrekt aan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens of inlichtingen, tenzij het vertrouwelijke gegevens of inlichtingen betreft in de zin van artikel 1:89, eerste lid (http://wetten.overheid.nl/BWBR0020368/1/Hoofdstuk15/Afdeling151/Artikel189/geldigheidsdatum_08-04-2015), die:
a. betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke persoon of vennootschap, met uitzondering van gegevens of inlichtingen die betrekking hebben op of herleidbaar zijn tot een afzonderlijke financiële onderneming:
1°. waaraan een vergunning op grond van het Deel Markttoegang financiële ondernemingen is verleend of die een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0020368/3/Hoofdstuk34/Afdeling341/3411/Artikel3110/geldigheidsdatum_08-04-2015) heeft verkregen of waarvan die vergunning onderscheidenlijk die verklaring is ingetrokken of vervallen; en
2°. ten aanzien waarvan surséance van betaling is verleend, of overeenkomstig afdeling 3.5.5 de noodregeling is uitgesproken of die in staat van faillissement is verklaard of op grond van een rechterlijke uitspraak is ontbonden;
b. betrekking hebben op ondernemingen die betrokken zijn of zijn geweest bij een poging een financiële onderneming in staat te stellen haar bedrijf voort te zetten; of
c. zijn ontvangen van een toezichthoudende instantie of zijn verkregen naar aanleiding van een verificatie bij een in een andere staat gelegen bijkantoor van een in Nederland gevestigde financiële onderneming, en niet de uitdrukkelijke instemming is verkregen van die toezichthoudende instantie of van de toezichthoudende instantie van de staat waar de verificatie ter plaatse is verricht.

3. Onze Minister kan een derde opdragen de gegevens of inlichtingen die hem ingevolge het tweede lid zijn verstrekt te onderzoeken en aan hem verslag uit te brengen. Tevens kan Onze Minister de derde die in zijn opdracht handelt, machtigen namens hem gegevens of inlichtingen in te winnen, in welk geval het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing zijn.

4. Onze Minister gebruikt de gegevens of inlichtingen die hij ingevolge het tweede of derde lid heeft verkregen uitsluitend voor het vormen van zijn oordeel over de toereikendheid van deze wet of de wijze waarop de toezichthouder deze wet uitvoert of heeft uitgevoerd.

5. Onze Minister en degenen die in zijn opdracht handelen zijn verplicht tot geheimhouding van de op grond van het tweede lid ontvangen gegevens of inlichtingen.

6. Niettegenstaande het vierde en vijfde lid kan Onze Minister de aan de gegevens of inlichtingen ontleende bevindingen en de daaruit getrokken conclusies aan de beide kamers der Staten-Generaal mededelen en de conclusies in algemene zin uit het onderzoek openbaar maken.

7. De Wet openbaarheid van bestuur (http://wetten.overheid.nl/BWBR0005252/geldigheidsdatum_08-04-2015), de Wet Nationale Ombudsman (http://wetten.overheid.nl/BWBR0003372/geldigheidsdatum_08-04-2015), en titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing met betrekking tot de in dit artikel bedoelde gegevens of inlichtingen die Onze Minister of de in zijn opdracht werkende derde onder zich heeft.”

4.4

Artikel 1:89 Wft luidt:

“1. Het is een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van ingevolge deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervuld, verboden van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen die ingevolge deze wet dan wel ingevolge afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn verstrekt of verkregen of van een persoon of instantie als bedoeld in artikel 1:90, eerste lid, onderscheidenlijk 1:91, eerste lid, zijn ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitvoering van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

2. In afwijking van het eerste lid kan de toezichthouder met gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen verkregen bij de uitvoering van zijn taak op grond van deze wet, mededelingen doen, indien deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke personen.”

4.5

De minister heeft door middel van het Instellingsbesluit Commissie van onderzoek DSB Bank (Stcrt. 2009 nr. 20474 van 30 december 2009, hierna het Instellingsbesluit) de commissie Scheltema kennelijk op grond van artikel 1:42, derde lid, Wft, gemachtigd namens hem gegevens of inlichtingen, als bedoeld in het eerste en tweede lid, in te winnen. De in het vijfde lid van artikel 1:42 Wft neergelegde geheimhoudingsplicht voor de minister en degenen die in zijn opdracht handelen, in dit geval de commissie Scheltema, ziet alleen op gegevens of inlichtingen die op grond van het tweede lid zijn ontvangen. Dat betekent dat de documenten in het archief die afkomstig zijn van de toezichthouders onder het bereik van artikel 1:42 Wft vallen. Ten aanzien van deze documenten heeft de minister dan ook reeds in het primaire besluit terecht geoordeeld dat hij niet bevoegd is deze openbaar te maken en dat artikel 1:42, zevende lid, Wft, de toepassing van de Wob ten aanzien van deze categorie van documenten uitsluit. Dit is op zichzelf door RTL ook niet betwist. RTL stelt zich echter op het standpunt dat de minister ten onrechte niet inzichtelijk heeft gemaakt welke documenten in het archief onder deze geheimhoudingsverplichting vallen. Daarover zal het College hierna oordelen.

4.6

Het College ziet in de tekst noch in de toelichting van artikel 1:42 Wft ruimte voor het standpunt van de minister dat ook andere documenten dan die houdende gegevens en inlichtingen afkomstig van toezichthouders onder de werking van dit artikel kunnen vallen. Daarbij betrekt het College dat een uitzondering op het in de Wob neergelegde recht op openbaarmaking naar zijn aard niet ruimer moet worden opgevat dan nodig is gelet op doel en strekking van de uitzondering in kwestie, in dit geval de vertrouwelijkheid van inlichtingen en gegevens afkomstig van toezichthouders. Gegevens en inlichtingen die van anderen dan de toezichthouders zijn ontvangen kunnen hier dan ook niet onder worden geschaard. Derhalve faalt ook de tweede hogerberoepsgrond van de minister.

4.7

Ten aanzien van de documenten die niet onder de exclusieve werking van artikel 1:42 Wft vallen, verder aan te duiden als de overige documenten, heeft de minister ter zitting van het College subsidiair een beroep gedaan op artikel 1:89, eerste lid, Wft. Het verbod tot bekendmaking van gegevens en inlichtingen dat daarin is neergelegd, ziet naar de bewoordingen op gegevens of inlichtingen die ingevolge de Wft dan wel ingevolge afdeling 5.2 van de Awb zijn verstrekt of verkregen of van een persoon of instantie die uit hoofde van de toepassing van de Wft of ingevolge de Wft genomen besluiten een taak heeft vervuld. Uit zowel de tekst als de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 1:89 Wft, met name de voorlopers van deze bepaling in eerdere wetgeving, blijkt niet dat de wetgever een ruimere reikwijdte van deze geheimhoudingsbepaling heeft beoogd. De commissie Scheltema heeft de overige documenten niet verkregen in het kader van haar taakvervulling uit hoofde van de toepassing van de Wft, maar uit hoofde van haar onderzoeksopdracht naar de déconfiture van de DSB Bank, zodat deze documenten ook niet zijn verstrekt of verkregen ingevolge de Wft of afdeling 5.2 van de Awb. Dit blijkt uit artikel 2 van het Instellingsbesluit, waarbij de commissie Scheltema is aangemerkt als een onafhankelijke commissie die, voor zover van belang voor deze overige documenten, tot taak had onderzoek te doen naar de gang van zaken bij DSB Bank N.V. en de handelwijze van (voormalige) bestuurders van deze bank. De gegevens en inlichtingen vervat in de overige documenten zijn, naar niet in geschil is, verstrekt op vrijwillige basis. In zoverre vallen de commissie Scheltema noch de gegevens en inlichtingen in kwestie onder de reikwijdte van artikel 1:89 Wft. Voor zover in dit geval al de geheimhoudingsplicht van artikel 1:89, eerste lid, Wft, van toepassing zou zijn, omvat die louter de documenten waarop artikel 1:42 Wft reeds van toepassing is. Anders dan de minister heeft aangevoerd is artikel 1:89 Wft dus niet van toepassing op één van de overige documenten in het archief van de commissie Scheltema. Ook in zoverre faalt het hoger beroep.

4.8

De opvatting van de minister dat de overige documenten een zodanig nauwe samenhang vertonen met de documenten die wel onder de werking van artikel 1:42 Wft vallen en dat daarom het archief als geheel geacht moet worden onder de reikwijdte van de Wft te vallen, is gelet op de voorgaande overweging onjuist. Voor zover de minister bedoelt te betogen dat de informatie feitelijk niet te scheiden zou zijn, zal het College dit beoordelen in het kader van de andere gronden van het hoger beroep. Ook de vijfde hogerberoepsgrond faalt.

4.9

Het voorgaande betekent dat de minister een onderscheid dient aan te brengen tussen documenten afkomstig van de toezichthouders enerzijds en de overige documenten anderzijds, en dat hij dit onderscheid per document of groep documenten dient te specificeren.

4.10

Het voorgaande brengt tevens met zich dat de derde en vierde hogerberoepsgronden eveneens falen, voor zover daarin het oordeel van de rechtbank aan de orde wordt gesteld dat de minister een inventarisatie en een beoordeling per (groep) document(en) dient te maken, teneinde te kunnen bepalen welke documenten van de toezichthouders afkomstig zijn. Mede in aanmerking genomen dat de minister zelf in zowel het primaire besluit als in de bij de rechtbank bestreden beslissing op bezwaar zonder voorbehoud onderscheid maakt naar documenten waarop de geheimhoudingsplicht van artikel 1:42 Wft van toepassing is, aangeduid als categorie 3, en de overige documenten, waarop de Wft (toen ook nog naar de opvatting van de minister) niet van toepassing is, ziet het College geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een inventarisatie niet kan worden gemaakt, althans niet zonder artikel 1:42 Wft te schenden. Het opstellen van een inventarisatie op basis van de herkomst van de documenten (wél respectievelijk niet afkomstig van een toezichthouder) behoeft als zodanig geen informatie prijs te geven over de inhoud van de documenten. Het College heeft dit aan de hand van de haar onder toepassing van artikel 8:29 Awb overgelegde documenten ook kunnen vaststellen.

4.11

Aangezien alle hogerberoepsgronden falen, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. De minister zal daarom overeenkomstig de door de rechtbank gegeven opdracht binnen twaalf weken na de bekendmaking van de onderhavige uitspraak van het College een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen, met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Dat omvat dus ook de opdracht aan de minister om binnen vier weken een volledige inventarislijst van het archief op te stellen, voorzien van een op deze lijst toegespitste motivering per document of categorie documenten. Ten aanzien van die documenten die onder de werking van artikel 1:42, vijfde lid, Wft vallen, geldt de door de minister ingeroepen geheimhoudingsplicht. De inventarisatie moet inzichtelijk maken welke documenten in het archief dat zijn, zodat RTL daartegen verweer kan voeren. Aangezien het College niet de bevoegdheid toekomt te oordelen omtrent openbaarmaking van de documenten die niet onder het bereik van de Wft vallen, kan geen toepassing worden gegeven aan artikel 8:113, tweede lid, Awb. Ten aanzien van deze overige documenten in het archief geldt dat de minister zijn afwijzing van het verzoek, primair op grond van het standpunt dat het verzoek niet ziet op een bestuurlijke aangelegenheid in de zin van de WOB en geen betrekking heeft op documenten als bedoeld in die wet, subsidiair op in die wet neergelegde weigeringsgronden, dient te heroverwegen als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, Awb.

4.12

In het geval RTL zich niet kan vinden in het oordeel van de minister welke documenten, geheel of gedeeltelijk, onder artikel 1:42, vijfde lid, Wft vallen, staat tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar beroep open bij de rechtbank Rotterdam. In het geval RTL zich niet kan vinden in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar voor zover die ziet op de overige documenten staat beroep open bij de rechtbank Amsterdam. Het komt het College voorshands voor dat, ingeval het vorenstaande leidt tot beroepen bij beide rechtbanken, toepassing wordt gegeven aan artikel 8:8, dan wel artikel 8:13 Awb.

4.13

Mocht RTL of de minister zich niet kunnen verenigen met een eventuele uitspraak van een rechtbank dan staat hoger beroep open bij het College voor zover het betreft de vraag of documenten onder de werking van de Wft vallen. Voor het overige staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, mr. M.M. Smorenburg en mr. J.L. Verbeek, in aanwezigheid van mr. S.D.M. Michael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2015.

w.g.W.A.J. van Lierop w.g.S.D.M. Michael