Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:172

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-05-2015
Datum publicatie
11-06-2015
Zaaknummer
AWB 13/333
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

last onder bestuursdwang, kostenbesluit

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/333

11201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2015 in de zaak tussen

[naam 1], te [plaats], appellant

(gemachtigde: mr. F. Postma),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2012 heeft verweerder appellant wegens overtreding van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd) een last onder bestuursdwang opgelegd. Appellant moet voor 14 december 2012 een achttal maatregelen hebben uitgevoerd.

Bij besluit van 29 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2015.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts zijn voor verweerder verschenen
[naam 2], werkzaam bij verweerder, [naam 3], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), [naam 4] en [naam 5], dierenartsen bij de NVWA.

Bij besluit van 20 januari 2015 heeft verweerder de kosten van de uitvoering van de last onder bestuursdwang ter hoogte van € 24.184,82 bij appellant in rekening gebracht.

Appellant heeft hierop bij brief van 10 februari 2015 gereageerd.

Daarna is door partijen toestemming gegeven uitspraak te doen zonder nadere zitting. Het onderzoek is nadien gesloten.

Overwegingen

1. In artikel 36, eerste lid, Gwd is bepaald dat het verboden is zonder redelijk doel of met

overtreding van hetgeen ter bereiking van dat doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

In artikel 36, derde lid, Gwd is bepaald dat een ieder verplicht is hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.

In artikel 37 Gwd is bepaald dat de houder van een dier verboden is aan een dier de nodige zorg te onthouden.

2. Voor het College zijn de volgende omstandigheden vast komen te staan.

2.1

Op 11 december 2012 heeft op het bedrijf van appellant een controle plaatsgevonden. Blijkens het toezichtrapport van 21 december 2012 zijn samengevat weergeven de volgende constateringen gedaan. In de ligboxenstal waar 7 paarden, 2 shetlandpony’s, waarvan 1 met een veulen en een hangbuikzwijn zijn gehuisvest, ligt rommel en materialen. De dieren beschikken niet over een droge en schone ligplaats. De vloer van de ligboxenstal is vervuild met mest en urine. De boxen in de ligboxstal zijn afgezet met hekwerk waar scherpe randen en uitstekende delen aan zitten. De paarden hebben niet de beschikking over voer en het aangeboden drinkwater was vervuild.

In de veterinaire verklaring van 18 december 2012 heeft de toezichthoudende dierenarts [naam 4] over de op 11 december 2012 aangetroffen situatie onder meer het volgende verklaard. De gezondheid en het welzijn van de paarden werden benadeeld. De paarden hadden een vervuilde buik en benen. De dieren werden gehuisvest in een onverzorgde omgeving. Er lag overal divers uiteenlopend materiaal, waar de dieren zich aan kunnen verwonden. De vloer lag vol met uitwerpselen van paarden en er was niet ingestrooid. Er was een kleine hoeveelheid hooi van matige kwaliteit (schimmels) beschikbaar voor de paarden. Het drinkwater was van zeer matige kwaliteit (ernstig vervuild).

De toezichthouders hebben appellant op 11 december 2012 aangesproken en hun bevindingen medegedeeld. De last onder bestuursdwang van 12 december 2012 is op 13 december 2012 aan appellant in persoon uitgereikt.

2.2

Op 19 december 2012 heeft een hercontrole op het bedrijf plaatsgevonden. Blijkens het toezichtrapport van 7 januari 2013 zijn samengevat weergegeven de volgende constateringen gedaan. De situatie van de ligboxenstal was niet verbeterd ten opzichte van de controle van 11 december 2012. Er was nog steeds sprake van scherpe en uitstekende delen. Het voer en het water was nog steeds verontreinigd. De paarden beschikten niet over een droge en schone ligplaats. Verder was er overal rommel en materialen opgeslagen.

In de veterinaire verklaring van 14 januari 2013 heeft de toezichthoudende dierenarts [naam 4] over de op 19 december 2012 aangetroffen situatie onder meer het volgende verklaard. Sinds de controle op 11 december 2012 zijn geen van de voorgeschreven aanpassingen uitgevoerd. De situatie is sindsdien alleen maar achteruit gegaan. Gezien de bevindingen uit het verleden is appellant niet in staat goed voor de hoeveelheid dieren die nu op het bedrijf aanwezig zijn te zorgen in de meest brede zin van het woord. Kennis, vaardigheid, interesse maar ook fysieke gesteldheid schieten tekort. Nu ook gas en elektra zijn afgesloten wegens het aantreffen van een hennepplantage is het meevoeren en opslaan van de dieren de enige uitweg voor een adequate verzorging van de dieren.

Verweerder heeft daarop besloten tot het toepassen van bestuursdwang met betrekking tot negen paarden en twee veulens, twee pony’s en één veulen en één hangbuikzwijn en deze dieren op 19 december 2012 meegevoerd en opgeslagen.

3. Het College overweegt als volgt.

3.1

Appellant heeft aangevoerd dat er geen sprake was van overtredingen. Het toezichtrapport is overdreven. De toezichthouders zijn uit op wraak. Zij hebben geen kennis en ervaring als het gaat om paarden. De dierenarts is ook niet onpartijdig. De rapporten zijn niet op ambtseed opgemaakt en zijn dus niet rechtsgeldig en kunnen niet als bewijs dienen. De begunstigingstermijn was veel te kort.

3.2

Het College is van oordeel dat deze stellingen niet slagen. De aangetroffen situatie is gedetailleerd en uitgebreid beschreven in het toezichtrapport. Deze bevindingen worden ondersteund door de veterinaire verklaring en de bijgevoegde foto’s. Hieruit blijkt naar het oordeel van het College dat zorgvuldig en gedetailleerd onderzoek is gedaan. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet het College geen enkel aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van de in deze stukken vermelde bevindingen. Appellant betwist deze bevindingen, maar heeft zijn stellingen niet onderbouwd. Evenmin ziet het College aanleiding om aan de deskundigheid en de onpartijdigheid van de toezichthouders en de toezichthoudend dierenarts te twijfelen. Dat de rapporten niet op ambtseed zijn opgemaakt, leidt op zich zelf niet tot de conclusie dat deze rapporten niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan het standpunt van verweerder.

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van overtredingen van bepalingen van de Gwd. Derhalve was verweerder bevoegd handhavend op te treden. Van bijzondere omstandigheden op basis waarvan verweerder daarvan had moeten afzien is niet gebleken. Verweerder heeft dan ook terecht de last onder bestuursdwang opgelegd.

3.3

Het College is voorts van oordeel dat de gegeven begunstigingstermijn van twee dagen weliswaar kort is, maar niet te kort. Daarbij heeft het College acht geslagen op de aard van de maatregelen. De uitvoering daarvan, met name het verstrekken van vers en schoon drinkwater en voeder, hoeft niet te lang te duren. Appellant is bovendien van de overtredingen op
12 december 2012 op de hoogte gesteld. Tenslotte is gebleken dat appellant geen begin van uitvoering aan deze maatregelen heeft gegeven.

4. Ten aanzien van de kostenbeschikking van 20 januari 2015 overweegt het College als volgt.

4.1

Bij de kostenbeschikking heeft verweerder de kosten ter uitvoering van de last onder bestuursdwang van 12 december 2012 vastgesteld op € 24.184,82. De opbrengst van verkoop van dieren is daarop in mindering gebracht zodat appellant nog € 18.603,40 verschuldigd is. Volgens verweerder was bij de hercontrole op 19 december 2012 niet voldaan aan de maatregelen die bij de last onder bestuursdwang waren opgelegd. De situatie in de ligboxenstal was niet verbeterd. Verweerder heeft daarop besloten om de paarden, pony’s en hangbuikzwijn mee te voeren en op te slaan.

4.2

Met verweerder is het College van oordeel dat uit de constateringen, zoals verwoord in het toezichtrapport van 7 januari 2013 welke constateringen zijn bevestigd bij de veterinaire verklaring van 14 januari 2013, blijkt dat appellant geen uitvoering heeft gegeven aan de last van 12 december 2012. De huisvestingssituatie van de dieren en de voer- en watervoorziening waren niet verbeterd, maar verder verslechterd. Mede gelet op de omstandigheid dat gas en elektra waren afgesloten heeft verweerder kunnen besluiten tot meevoeren en opslaan van de dieren. Naar het oordeel van het College heeft appellant deze bevindingen niet gemotiveerd betwist.

4.3

Naar het oordeel van het College heeft verweerder voldoende gemotiveerd en inzichtelijk gemaakt welke kosten zijn gemaakt en zijn de overgelegde facturen te herleiden tot die kosten. De niet nader gemotiveerde stelling van appellant dat de in rekening gebrachte bedragen veel te hoog zijn en niet in verhouding staan tot de daadwerkelijk gemaakte kosten, biedt, zonder nadere onderbouwing, geen aanknopingspunten om te concluderen dat de kosten redelijkerwijs niet op appellant kunnen worden verhaald. Ook heeft verweerder in de omstandigheden dat appellant gedetineerd is en naar gesteld hierdoor niet over financiële middelen beschikt en reeds op leeftijd is, geen aanleiding hoeven te zien dat de kosten redelijkerwijs niet bij appellant in rekening kunnen worden gebracht.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Dijt, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2015.

w.g. E. Dijt w.g. P.M. Beishuizen