Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:97

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
24-03-2014
Zaaknummer
AWB 13/233
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Opvragen van persoonsgegevens, die op basis van vertrouwelijkheid zijn verkregen van deelnemers aan een onderzoeksproject; gegevens zijn relevant voor de uitvoering van de Wmg en noodzakelijk voor een goede vervulling van de publieke taak van Nza; belang van appellante bij handhaving van door haar toegezegde vertrouwelijkheid van de op vrijwillige basis verkregen gegevens niet meegewogen; beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet marktordening gezondheidszorg, geldigheid: 2014-03-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2014/132 met annotatie van Mr. S.M.C. Nuyten
GJ 2014/79
JBP 2014/74
JBP 2015/22
GZR-Updates.nl 2014-0087
RZA 2014/5
NJB 2014/1033
ABkort 2014/186

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/233

13950

Uitspraak van de meervoudige kamer van 27 februari 2014 in de zaak tussen

de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde, te Nieuwegein, appellante

(gemachtigde: mr. W.I. Koelewijn),

en

de Nederlandse zorgautoriteit (NZa), verweerster

(gemachtigde: mr. G.R.J. de Groot).

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2010 heeft verweerster (hierna: NZa) besloten appellante een aanwijzing te geven (het aanwijzingsbesluit).

Bij besluit van 1 november 2010 heeft NZa besloten appellante een last onder dwangsom op te leggen (het dwangsombesluit).

Appellante heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

Hangende deze bezwaren heeft appellante twee verzoeken om een voorlopige voorziening bij het College ingediend. Deze verzoeken heeft de voorzieningenrechter van het College afgewezen bij uitspraak van 7 januari 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BP0669).

Bij besluit van 25 februari 2013 (het bestreden besluit) heeft NZa de bezwaren van appellante tegen beide besluiten ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

NZa heeft een verweerschrift ingediend.

Op 20 december 2013 heeft NZa een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2014. Appellante was vertegenwoordigd door mr. M.E. Gelpke en mr. E.E. Schaake. Namens appellante zijn tevens verschenen [naam 1] en [naam 2]. NZa was vertegenwoordigd door haar gemachtigde en mr. M.M.C. van Graafeiland. Namens NZa zijn tevens verschenen
M. Ekkeveld en M. Peters.

Overwegingen

1.

Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij brief van 25 augustus 2010 heeft NZa appellante verzocht uiterlijk 13 september 2010 de volgende gegevens te verstrekken:

“ 1. Het meest actuele adressenbestand van praktijken waar één of meer tandartsen werkzaam zijn. Met daarin opgenomen:
a. Praktijknaam
b. Naam tandarts(en)
c. AGB-codes
d. Adres, postcode en plaats van de praktijk

2.

Per praktijk, waar één of meer tandartsen werkzaam zijn:

omzet
a. de totale jaaromzet in 2009

b. de totale jaaromzet van orthodontische zorg van D-tarieven in 2009

c. de totale jaaromzet van orthodontische zorg van O-tarieven in 2009

patiënten

d. het totaal aantal behandelde partienten in 2009

e. het totaal aantal behandelde partienten in 2009 wat orthodontische zorg heeft ontvangen

f. de gemiddelde reisafstand per patiënt voor orthodontische zorg (in 2009)

praktijkgegevens
g. het aantal tandartsen, aantal mondhygiënisten, aantal overig medisch

personeel en aantal overige niet-medisch personeel werkzaam in 2009

g. het gemiddeld aantal contracturen in 2009 verdeeld in tandartsen,

mondhygiënisten, overig medisch personeel en overige niet-medisch

personeel

i. het aantal beschikbare behandelstoelen per gehele praktijk op 1/1/2009
en 31/12/2009


3. Per praktijk, waar één of meer tandartsen werkzaam zijn:
a. de totale praktijkkosten over 2009

b. waar mogelijk de totale praktijkkosten over 2009 onderverdeeld in de vier
subcategorieën: huisvestingskosten, personeelskosten, kosten voor materiaal
en techniek en overige kosten
c. zijn de totale praktijkkosten over 2009 niet beschikbaar, dan over het meest
actuele jaar waarover deze informatie wel beschikbaar is."

Bij brief van 13 september 2010 heeft appellante NZa onder andere bericht dat zij niet kan voldoen aan het verzoek wat betreft onder 2. en 3., omdat zij niet over bedoelde gegevens beschikt, nog daargelaten of die gegevens vallen binnen de reikwijdte van artikel 61 van de Wet marktordening gezondheidszorg (hierna: Wmg).

Bij brief van 14 september 2010 heeft NZa appellante gerappelleerd alsnog tot levering van genoemde gegevens over te gaan, met als uiterste ontvangstdatum 20 september 2010. Daarbij is vermeld dat, als appellante hieraan niet voldoet, formele maatregelen worden overwogen.

Bij brief van 20 september 2010 heeft appellante NZa onder andere bericht niet over de onder 2. en 3. gevraagde gegevens te beschikken en voorts dat voor deze gegevens een vertrouwensrelatie met haar leden geldt. De gevraagde gegevens zijn vrijwillig en vertrouwelijk aangeboden ter ondersteuning en ontwikkeling van het kwaliteitsbeleid. Wanneer zij verplicht wordt die gegevens aan NZa af te staan, betekent dat het einde van haar onderzoek. Gevraagd wordt om op grond van een belangenafweging van deze gegevensuitvraag af te zien.

Bij brief van 24 september 2010 heeft NZa aangekondigd een aanwijzing te zullen opleggen, wanneer zij op 30 september 2010 de betreffende gegevens niet van appellante heeft ontvangen.

Bij brief van 29 september 2010 heeft appellante nogmaals verzocht van de gegevensuitvraag af te zien, omdat appellante daarmee haar toezegging schendt om strikt vertrouwelijk met de vrijwillig aan haar afgestane gegevens om te gaan. Dat betekent in praktische zin het einde van het eigen onderzoek.

Vervolgens heeft NZa het aanwijzingsbesluit genomen.

Omdat appellante de gevraagde gegevens niet binnen de daarin genoemde termijn heeft aangeleverd, heeft NZa het dwangsombesluit genomen.

2.

De standpunten van partijen.

Appellante stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de gegevensuitvraag negatieve gevolgen heeft voor de deelnamebereidheid aan het in haar opdracht uitgevoerde onderzoeksproject Peilstations. De uitvraag ziet op onderzoekdata die sinds 1995 worden verzameld, in opdracht van appellante. De tandartsen werken op vrijwillige basis mee aan dit project. Om hen te bewegen hun privacygevoelige financieel-economische gegevens aan te leveren, is het van belang dat strikte vertrouwelijkheid kan worden gegarandeerd en waargemaakt. Deze gegevensuitvraag van NZa doorkruist dit. Naar de mening van appellante kon voor het doel van de gegevensverwerking worden volstaan met gegevens, die niet te herleiden waren tot de individuele praktijken en tandartsen en dus met een minder ingrijpende en verstrekkende gegevensuitvraag. Er is dus sprake van strijd met het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. Daarnaast is het belang van de negatieve impact van de gegevensuitvraag op de deelnamebereidheid aan haar onderzoeksprojecten onvoldoende onder ogen gezien. Dit belang dient volgens appellante zwaarder te wegen dan het belang van lichtere administratieve belasting voor de betrokken tandartsen.

NZa stelt zich – samengevat – op het standpunt dat zij diende te beschikken over de hier opgevraagde, tot de individuele praktijken en tandartsen herleidbare gegevens. Deze gegevens zijn nodig om op een gefundeerde wijze te kunnen beslissen over het gelijkschakelen van de tarieven van de tandartsen die orthodontische zorg leveren met de tarieven die orthodontisten voor door hen verleende orthodontische zorg in rekening mogen brengen, en over het verlagen van die tarieven. NZa wenste te onderzoeken of die maatregelen zouden leiden tot onvoldoende toegankelijkheid of kwaliteit van de zorg of tot te grote negatieve inkomenseffecten voor de tandartsen. Geaggregeerde dan wel geanonimiseerde gegevens volstonden daarvoor niet, aldus NZa. Zij heeft er bewust niet voor gekozen haar verzoek aan de individuele praktijken en tandartsen te richten omdat die weg (ook bezien vanuit het perspectief van de betrokken tandartsen) administratief en financieel meer belastend zou zijn dan het uitvragen van die gegevens via appellante. Deelnemers aan appellantes project zouden op individuele basis informatie hebben moeten verschaffen als zij niet voor gegevensuitvraag via appellante had gekozen, aldus NZa, zodat appellantes belang inzake de deelnamebereidheid aan haar onderzoeksprojecten moet worden gerelativeerd.

3.

Het College overweegt als volgt.

3.1

Artikel 61, eerste lid, aanhef en onder a, Wmg bepaalt dat een ieder gehouden is desgevraagd aan de NZa de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke redelijkerwijs voor de uitvoering van de Wmg van belang kunnen zijn.

Op grond van artikel 76 Wmg is NZa bevoegd ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens artikel 61 Wmg een aanwijzing te geven, erop gericht dat aan het bepaalde bij of krachtens dat artikel wordt voldaan. Voorts is NZa op grond van artikel 82 Wmg ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens artikel 61 Wmg bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom.

Ingevolge artikel 8, aanhef, onder e, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) mogen persoonsgegevens slechts worden verwerkt als die gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan.

3.2

Het College is van oordeel dat de hier gevraagde gegevens redelijkerwijs relevant kunnen zijn voor de uitvoering van de Wmg (als bedoeld in artikel 61, eerste lid, aanhef en onder a, Wmg) en voorts dat die gegevens noodzakelijk zijn voor een goede invulling van de publiekrechtelijke taak van NZa (als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, Wbp). Hierbij is in aanmerking genomen dat NZa de gegevens heeft opgevraagd met het oog op de gewenste gelijkschakeling van de tarieven van tandartsen die (tevens) orthodontische zorg leveren (D-tarieven) met de tarieven die orthodontisten voor de door hen verleend orthodontische zorg in rekening mogen brengen (O-tarieven), alsmede met het oog op een verlaging van die tarieven. Hiertoe is een aantal in het bestreden besluit nader omschreven onderzoeken verricht, en zijn de effecten van vier scenario’s van tariefdalingen op het praktijkresultaat onderzocht, ten einde de inkomenseffecten voor tandartspraktijken met een D-omzet in kaart te brengen. NZa heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij hiertoe diende te beschikken over de gevraagde, tot individuele tandartspraktijken herleidbare informatie, en dat geaggregeerde dan wel geanonimiseerde gegevens daartoe niet volstonden. Gelet hierop was NZa in beginsel bevoegd om een aanwijzing te geven, die er op was gericht dat de verzochte gegevens door appellante aan NZa zouden worden verstrekt. Dit zo zijnde was NZa eveneens bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom, aangezien appellante niet betwist dat zij niet tijdig aan de aanwijzing heeft voldaan.

3.3

Vervolgens komt het College toe aan de vraag of NZa in dit geval op goede gronden van de bevoegdheid tot het geven van de aanwijzing en tot het opleggen van de last onder dwangsom gebruik heeft gemaakt.

Een rechtmatige uitoefening van de bevoegdheid van NZa vereist dat alle in geding zijnde belangen worden afgewogen alvorens van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt.
De gevraagde gegevens omtrent tandartspraktijken hebben betrekking op onderzoeksdata die in opdracht van appellante worden verzameld door het [naam 3] in het kader van het project Peilstations. Vast staat dat ongeveer 2000 tandartsen periodiek privacygevoelige financieel-economische praktijkgegevens beschikbaar stellen aan [naam 3], waarbij appellante de deelnemende tandartsen heeft toegezegd dat de verstrekte informatie vertrouwelijk zal worden behandeld zonder dat anderen inzage krijgen in individuele gegevens. Het [naam 3] fungeert ten aanzien van de gegevensverwerking voor appellante en haar leden als zogenoemde Trusted Third Party. Het behoeft geen betoog dat appellante de jegens haar leden gedane toezegging schendt indien in weerwil daarvan de gevraagde gegevens aan NZa worden verstrekt. Appellante vreest dat hierdoor de bereidheid van haar leden tot deelname aan het project Peilstations op losse schroeven komt te staan. Naar het oordeel van het College kan niet gezegd worden, dat het hier niet om een zwaarwegend belang zou gaan. NZa is in het bestreden besluit niet op dit belang van appellante ingegaan. Ter zitting van het College heeft NZa weliswaar verklaard dat ook indien met dit belang wel rekening zou zijn gehouden, dit niet tot een ander besluit zou hebben geleid, maar het is het College onvoldoende duidelijk geworden welke overwegingen NZa tot deze conclusie hebben geleid.

3.4

Dit betekent dat het bestreden besluit, waarin de bezwaren tegen zowel de aanwijzing als de last onder dwangsom in stand zijn gelaten, niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

4.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.

5.

NZa zal worden veroordeeld in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten van rechtsbijstand, die op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op een bedrag van € 974,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen van haar gemachtigde ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1).

6.

NZa dient het door appellante betaalde griffierecht ter hoogte van € 318,- aan haar te vergoeden.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt NZa in de door appellante gemaakte proceskosten in beroep tot een bedrag van in totaal € 974,-;

- draagt NZa op het door appellante betaalde griffierecht ter hoogte van € 318,- aan haar te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. P.H. Broier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2014.

w.g. W.E. Doolaard w.g. P.H. Broier