Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:9

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
AWB 12/225
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aansluittarief, dichtstbijzijnde punt in het net

Wetsverwijzingen
Elektriciteitswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/225

18050

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2014 in de zaak tussen

B.V. Deli HTL Tabaksmaatschappij, te Eindhoven, appellante

(gemachtigden: mr. N.J.M van Brakel en mr. M.R. het Lam),

en

de Autoriteit Consument en Markt, verweerster

(gemachtigden: mr. C. de Jong-Kwestro en mr. M.C.T.M. Sonderegger).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Endinet B.V., te Eindhoven

(gemachtigde: mr. S.M. Goossens).

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2011 (het primaire besluit) heeft ACM een op grond van artikel 51 van de Elektriciteitswet 1998 (de Wet) door appellante ingediende klacht ongegrond verklaard.

Appellante heeft op 3 februari 2012 tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarbij ACM verzocht op de voet van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in te stemmen met rechtstreeks beroep. ACM heeft hiermee ingestemd en het bezwaarschrift doorgezonden aan het College.

Appellante heeft bij brief van 27 maart 2013 haar gronden aangevuld naar aanleiding van de uitspraken van het College van 25 januari 2013, ECLI:NL:CBB:BY9666, ECLI:NL:CBB:BY9668 en ECLI:NL:CBB:BY9670.

ACM heeft een verweerschrift ingediend.

Endinet heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2013. Partijen zijn verschenen, vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.

Het College neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Appellante beschikt over een aansluiting op het net van Endinet. Appellante heeft Endinet verzocht haar aansluiting met een aansluitcapaciteit van 2 MVA te verzwaren tot een aansluiting met aansluitcapaciteit van 5 MVA. Appellante is onder voorwaarden akkoord gegaan met de door Endinet hiertoe uitgebrachte offerte.

Appellante heeft op 13 september 2011 bij ACM een klacht ingediend op grond van artikel 51 van de Wet. Appellante stelt zich hierin op het standpunt dat Endinet niet aan haar verplichtingen op grond van artikel 27, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet heeft voldaan, omdat Endinet bij de berekening van de meerlengte van de verbinding voor de aansluiting niet uitgaat van het dichtstbijzijnde punt in het net met een bij de aansluiting behorend spanningsniveau.
ACM heeft de klacht van appellante ongegrond verklaard.

2.

Appellante voert aan dat onder het in artikel 27, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet bedoelde dichtstbijzijnde punt niet dient te worden verstaan het voor een aansluiting technisch geschikte aansluitpunt zoals omschreven in bijlage A van de Tarievencode. Uit de wetstekst volgt uitdrukkelijk dat de wetgever het ‘dichtstbijzijnde punt’ niet afhankelijk heeft willen stellen van een bepaalde aansluitconfiguratie. De wetgever heeft dit punt alleen gekoppeld aan een bij de aansluiting behorend spanningsniveau. De tekst van artikel 27, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet brengt met zich dat appellante recht heeft op een aansluittarief dat uitgaat van het dichtstbijzijnde punt in het door Endinet beheerde netdeel met een MS-spanningsniveau. In het geval van appellante is dit punt de naast de installatie van appellante (op enkele meters) gelegen MS-kabel die onderdeel uitmaakt van het door Endinet beheerde net.
Appellante is het niet eens met de hiervoor genoemde uitspraken van het College. Bij de uitleg van artikel 27, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet moet volgens appellante worden uitgegaan van een taalkundige uitleg. De tekst van de bepaling sluit geheel aan bij de bedoeling van de wetgever, zoals deze uit de wetssystematiek en wetsgeschiedenis van de bepaling naar voren komt.

3.

ACM stelt zich op het standpunt dat haar uitleg van artikel 27, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet wordt bevestigd door de hiervoor genoemde uitspraken. De problematiek die hier aan de orde is, is niet anders dan die aan de orde was in de zaken die door het College op 25 januari 2013 zijn beslecht. Het al jarenlang bestaande dispuut over de uitleg van artikel 27, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet was hiermee finaal beslecht. Appellante legt zich echter niet bij die uitspraken neer.

4.

Endinet deelt het standpunt van ACM.

5.

Het College ziet zich gesteld voor de vraag of ACM in het geschil tussen appellante en Endinet terecht heeft vastgesteld dat Endinet bij de berekening van het aansluittarief voor de verzwaring van de aansluiting van appellante artikel 27, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet niet heeft geschonden. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Het College heeft in de uitspraken van 25 januari 2013 in het kader van de toen voorliggende zaken artikel 27, tweede lid, aanhef onder d, van de Wet uitgelegd. Bij deze uitleg heeft het College onder meer de tekst van deze bepaling, de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling en de systematiek van de gereguleerde aansluittarieven betrokken. Het feitencomplex en de beroepsgronden in deze zaak onderscheiden zich niet zodanig van die in de zaken waarin op 25 januari 2013 uitspraken zijn gedaan, dat tot een andersluidend oordeel dient te worden gekomen. Het College verwijst daarom voor de beoordeling naar deze uitspraken.

6.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, in aanwezigheid van mr. I.C. Hof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2014.

w.g. M. van Duuren w.g. I.C. Hof