Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:75

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
AWB 11/755
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies, terugvordering

Wetsverwijzingen
Regeling dierlijke EG-premies, geldigheid: 2014-03-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 11/755

5125

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2014 in de zaak tussen

maatschap [naam 1] en [naam 2] en [naam 3], te [vestigingsplaats], appellante

(gemachtigde: mr. F. Postma),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M.C. Neuteboom-Klink).

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2011 heeft verweerder op grond van de Regeling dierlijke EG-premies 2002 (de Regeling) de aanvraag slachtpremie 2002 andermaal afgewezen en een bedrag van € 1.918,60 van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 11 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 24 augustus 2012 heeft verweerder het bestreden besluit herzien, het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het terug te betalen bedrag vastgesteld op € 1.004,36.

Appellante heeft nadere gronden ingediend en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 14 januari 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigde hebben toegelicht.

Overwegingen

1.

Appellante heeft destijds slachtpremie voor 2002 aangevraagd. Hoewel bij een controle op 24 april 2003 door de Algemene Inspectiedienst (AID) diverse onregelmatigheden met betrekking tot het bedrijfsregister werden geconstateerd, heeft verweerder bij besluit van
11 juni 2003 een bedrag van € 1.942,76 aan slachtpremie toegekend.

Bij besluit van 12 februari 2004 heeft verweerder aan appellante bericht dat zij niet in aanmerking komt voor slachtpremie voor 2002 en dat zij het bedrag van € 1.942,76 terug dient te betalen. Tegen dit besluit heeft appellante destijds geen bezwaar gemaakt. In een met appellante op 23 februari 2004 gevoerd telefoongesprek heeft de behandelend ambtenaar van verweerder verklaard dat er een fout was gemaakt bij de beoordeling van het controlerapport: de aangevraagde dieren waren beoordeeld als niet opgenomen in het bedrijfsregister terwijl ze onvolledig in het bedrijfsregister stonden. Dit zou echter worden aangepast en er zou over de slachtpremie 2002 een nieuw besluit worden genomen.

Verweerder heeft diverse malen terugbetaling van het uitgekeerde bedrag aan slachtpremie, dat na verrekening € 1.918,60 was, gevorderd. De kantonrechter van de rechtbank Leeuwarden (locatie Heerenveen) heeft bij vonnis van 18 oktober 2007 een vordering van de Staat tot betaling van € 2.468,82 (inclusief rente en kosten) afgewezen.

Hierna heeft verweerder het besluit van 17 maart 2011 genomen. De slachtpremie 2002 is wederom afgewezen omdat appellante ten tijde van de controle het bedrijfsregister niet aan de controleur kon tonen. Onder aftrek van het verrekende bedrag van € 24,16 heeft verweerder de openstaande vordering (de terugvordering van uitgekeerde slachtpremie) vastgesteld op een bedrag van € 1.918,60. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


2.1 Verweerders (herziene) beslissing op bezwaar van 24 augustus 2012 berust op de volgende overwegingen. Bij de controle van de AID zijn onjuiste vermeldingen in het bedrijfsregister aan het licht gekomen. In het ‘Werkdocument betreffende de praktische toepassing van Verordening (EG) nr. 2419/2001’ van 21 november 2002 (AGRI 49530/2002) wijst de Europese Commissie er op dat voor wat betreft het geval waarin bepaalde elementen niet in het bedrijfsregister worden vermeld geen sanctie hoeft te worden toegepast als de producent alle bewijsdocumenten voor de betrokken dieren die als aanvulling van het register kunnen worden beschouwd, in zijn bezit heeft op het ogenblik van de controle ter plaatse.

Appellante hield ten tijde van de controle een bedrijfsregister bij, waarin echter de bestemming van de in 2002 geslachte runderen niet juist was opgenomen. Van de bestemming van deze dieren was geen onderliggend bewijsdocument op het bedrijf voorhanden. Appellante voldeed dus niet aan de in artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 opgenomen verplichting van juiste registratie, zodat de betreffende negen runderen in het besluit van 17 maart 2011 terecht als niet geconstateerd zijn aangemerkt. De grondslag van het besluit van 17 maart 2011, te weten dat er sprake zou zijn van het ontbreken van een bedrijfsregister, is echter niet juist. Appellante heeft evenmin recht op slachtpremie voor de overige aangevraagde runderen omdat het afwijkingspercentage op grond van artikel 38 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 groter is dan 20%.

2.2

Verweerder stelt dat appellante zich tevergeefs op verjaring van de vordering beroept. Een onverschuldigd betaald bedrag kan ingevolge artikel 49, vierde lid, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 onverkort worden teruggevorderd indien het besluit tot terugvordering binnen twaalf maanden na de onverschuldigde betaling wordt medegedeeld. Het toekenningsbesluit dateert van 11 juni 2003 en het terugvorderingsbesluit is op 12 februari 2004, dus binnen twaalf maanden, bekend gemaakt.

2.3

In de opvatting van verweerder is appellante terecht verplicht om de uitgekeerde slachtpremie van de negen runderen die niet juist waren geregistreerd, terug te betalen. Ingevolge artikel 49, vijfde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 vervalt de terugbetalingsplicht indien tussen het moment van betaling en het moment waarop een betrokkene in kennis is gesteld dat de steun onterecht is toegekend meer dan tien jaar is verstreken. Deze periode is vier jaar indien een betrokkene te goeder trouw heeft gehandeld. Uitgaande van de betaaldatum van 25 juni 2003 is met de besluiten van 12 februari 2004 en 17 maart 2011 geen tien jaar verstreken. Het beroep op goede trouw faalt omdat appellante vanaf 12 februari 2004 herhaaldelijk en nadrukkelijk is gesommeerd om het verschuldigde bedrag terug te betalen, terwijl in het telefoongesprek van 23 februari 2004 niet is medegedeeld dat de terugvordering ongedaan zou worden gemaakt.

De steun verband houdend met de negen onjuist geregistreerde runderen bedraagt € 1.028,52 en is terecht teruggevorderd. Na verrekening van € 24,16 is de terugvordering € 1.004,36.

2.4

Verweerder heeft tot slot overwogen dat terugvordering van het bedrag dat is gemoeid met de runderen die zijn gekort op basis van artikel 38 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 ingevolge artikel 49, zesde lid, van deze verordening vier jaar na 12 februari 2004 is verjaard. Het bedrag van € 914,24 zal verweerder terugbetalen aan appellante.

3. Hetgeen appellante heeft aangevoerd komt in de kern hierop neer dat op de korting wegens onjuiste registratie artikel 36 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van toepassing is. Aangezien dit artikel is opgenomen in titel IV van die verordening geldt op grond van artikel 49, zesde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 een (kortere) verjaringstermijn van vier jaar. Hieruit volgt dat de terugvordering is verjaard.

4.1 Het College overweegt dat niet is gebleken van een belang van appellante bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 11 augustus 2011. Het College zal het beroep daarom in zoverre wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaren.

4.2

Met betrekking tot het mede tegen het besluit van 24 augustus 2012 gerichte beroep ligt de vraag voor of verweerder terecht en op goede gronden een bedrag van € 1.004,36 van appellante heeft teruggevorderd. Bij de beantwoording van die vraag gaat het College ervan uit dat verweerder het besluit van 12 februari 2004 heeft ingetrokken en de besluiten van
17 maart 2011 en van 24 augustus 2012 daarvoor in de plaats heeft gesteld.

4.3

Het College stelt vast dat verweerder de terugvordering heeft gebaseerd op de afwijzing van de aangevraagde slachtpremie 2002 voor de betreffende negen runderen en niet op een besluit tot oplegging van een korting wegens onjuiste registratie. Anders dan appellante heeft gesteld is de in artikel 49, zesde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2009 bedoelde verjaringstermijn van vier jaar hier dus niet van toepassing.

De grondslag voor de afwijzing is artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999, waarin is bepaald dat alleen een overeenkomstig Verordening (EG) nr. 870/97 geïdentificeerd en geregistreerd dier in aanmerking komt voor rechtstreekse betalingen. Dat ten aanzien van de negen runderen niet is voldaan aan de registratievoorschriften zoals die thans zijn neergelegd in Verordening (EG) nr. 1760/2000 is door appellante niet betwist. Dit betekent dat verweerder ten aanzien van die runderen onverschuldigd slachtpremie heeft uitbetaald.

Artikel 49, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van 11 december 2001, houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, bepaalt dat in geval van een onverschuldigde betaling het bedrijfshoofd verplicht is het betrokken bedrag terug te betalen. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat deze terugbetalingsplicht niet van toepassing is indien tussen de datum van betaling van de steun en de datum waarop de begunstigde door de bevoegde instantie ervan in kennis wordt gesteld dat de steun ten onrechte is toegekend, meer dan tien jaar is verstreken. Indien de begunstigde te goeder trouw heeft gehandeld is deze termijn vier jaar.

Het College stelt vast dat verweerder er bij de terugvordering vanuit is gegaan dat appellante niet te goeder trouw was en dat appellante tegen die veronderstelling niets heeft ingebracht. Onder die omstandigheden acht het College de verjaringstermijn van tien jaar van toepassing. Omdat tussen de beide in artikel 49, vijfde lid, tweede volzin bedoelde tijdstippen minder dan tien jaar is verstreken, stond deze bepaling niet aan terugvordering in de weg. Hieruit volgt dat het beroep tegen het besluit van 24 augustus 2012 ongegrond is.

5.

Tot slot overweegt het College het volgende. Verweerder heeft het besluit van
11 augustus 2011 herzien en is daarbij gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellante. Onder deze omstandigheden ziet het College aanleiding om verweerder op grond van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten. Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten voor verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 974,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 487,-).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 11 augustus 2011 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 24 augustus 2012 ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
    € 974,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht ad € 302,- vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2014.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. E. van Kerkhoven