Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:74

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
05-03-2014
Zaaknummer
AWB 12/339
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bedrijfstoeslag 2010, percelen, gewascode 2302, begrazing, I&R, inscharingsovereenkomst

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2014-03-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/339

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2014 in de zaak tussen

[naam 1], te [woonplaats], appellant

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. C.E.B. Haazen en bc. R. Weltevreden).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van de bedrijfstoeslag van appellant voor 2010 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (Regeling) vastgesteld. Bij besluit van 10 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2012. Appellant is verschenen vergezeld van zijn dochter [naam 2]. Verweerder was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde Haazen voornoemd.

Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst ten einde verweerder de gelegenheid te geven de in geding zijnde percelen nader te (doen) onderzoeken. Bij bief van 4 juni 2013 heeft verweerder nadere informatie in het geding gebracht. Bij brief van 12 juli 2013 heeft appellant een reactie ingediend. Bij brief van 31 juli 2013 heeft verweerder hierop gereageerd.


Op 14 januari 2014 is de zaak opnieuw ter zitting behandeld. Appellant is daarbij verschenen vergezeld van zijn dochter. Verweerder was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde Weltevreden voornoemd.

Overwegingen

1.

Bij zijn verzoek om uitbetaling van bedrijfstoeslag voor 2010 heeft appellant de percelen 7 en 9, die behoren tot de […], opgegeven met gewascode 266 (tijdelijk grasland). Verweerder heeft deze percelen geheel afgewezen en een kortingsbedrag opgelegd van € 1.066,90.

2.

Volgens verweerder gaat het bij deze percelen om de gewascode 2302. Het betreft immers natuurlijk grasland met hoofdfunctie het weiden van jongvee. Een perceel landbouwgrond is subsidiabel indien het overwegend wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit. Gelet op artikel 21a, eerste lid, van de Regeling is daarvan in het geval van gewascode 2302 sprake indien het perceel met minimaal 0,15 GVE per ha is begraasd. Om te beoordelen of is voldaan aan deze eis is het I&R-register bepalend.
Uit dit register blijkt dat appellant in 2010 geen dieren op zijn bedrijf heeft gehad. De inscharingsovereenkomst die appellant heeft overgelegd levert onvoldoende bewijs op voor het tegendeel. Deze overeenkomst is immers achteraf opgesteld. Bovendien is niet duidelijk wanneer welke dieren op de percelen hebben gelopen omdat de identificatiecodes van de dieren er niet uit blijken.
Tot slot heeft verweerder overwogen dat de pachtovereenkomst met betrekking tot perceel 7 een looptijd had tot 4 mei 2009 en dat stilzwijgende verlenging nergens uit blijkt. Daaruit volgt dat appellant in 2010 geen gebruikstitel had met betrekking tot dit perceel.

3.

Appellant voert aan dat de hoofdfunctie van beide percelen landbouwkundig gebruik is. Op basis van de mondelinge gebruiksovereenkomsten zijn er geen gebruiksbeperkingen qua bemesting en gewasbeschermingsmiddelen. Om die reden is gewascode 2301 van toepassing.

4.

Hieromtrent overweegt het College als volgt. De gewascodes 2301 en 2302 zijn subcategorieën en zijn vastgesteld na overleg tussen de Europese Commissie en de lidstaat Nederland. Daarmee is bewerkstelligd dat ook percelen met een hoofdzakelijk natuurlijke vegetatie van grassen die dienen voor begrazing of voor ruwvoederwinning alsmede percelen bestaande uit natuurlijk grasland met een geringe opbrengst, voor het uitbetalen van toeslagrechten in aanmerking kunnen komen.

De gewascode 2301 is 'natuurlijk grasland met hoofdfunctie landbouw'. Dit zijn percelen met hoofdzakelijk natuurlijke vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen, die begraasd worden en/of gemaaid worden voor ruwvoederwinning. De gewascode 2302 is 'natuurlijk grasland (begraasd) met beperkte landbouwactiviteit'. Dit zijn begraasde percelen natuurlijk grasland met een geringe opbrengst. Het gaat om een beperkte landbouwactiviteit en daarmee ook een beperkt gebruik van meststoffen. De opbrengst is niet meer dan 5 ton droge stof per hectare per jaar. De grond is veelal slecht van kwaliteit en wordt niet verbeterd door bemesting, bebouwing, inzaaiing, onkruidbestrijding of drainage. Begrazing moet, op jaarbasis gerekend, plaatsvinden door minimaal 0,15 GVE per hectare. Voor de bepaling van de GVE worden alleen de aantallen runderen, schapen of geiten meegeteld.

Naar het oordeel van het College is verweerder er op goede gronden van uitgegaan dat het in dit geval gaat om percelen met een beperkte landbouwactiviteit. De percelen zijn immers, zoals ook door appellante is benadrukt, bedoeld voor beweiding met jongvee en hebben een structuur voor wat betreft vegetatie en waterstand die naar zijn aard een beperking van de landbouwactiviteit inhoudt. Appellant heeft niet overtuigend duidelijk kunnen maken dat dit anders is dan wel dat dergelijke beperkingen er niet zijn. Van belang acht het College ook dat niet is komen vast te staan dat de gehele oppervlakte van de percelen in 2010 is gemaaid. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de percelen 7 en 9 terecht als percelen met gewascode 2302 aangemerkt.

5.

Gronden met de gewascode 2302 zijn ingevolge artikel 34, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 subsidiabel indien het gaat om landbouwgrond die wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of die, indien de grond ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt. Dit vereiste is uitgewerkt in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1120/2009. Het uitoefenen van landbouwactiviteiten mag geen noemenswaardige hinder ondervinden van niet-landbouwactiviteiten. Aan dat criterium is verder invulling gegeven in artikel 21a van de Regeling. Dit houdt voor percelen 'natuurlijk grasland (begraasd) met beperkte landbouwactiviteit' in dat deze percelen gedurende het betreffende premiejaar door gemiddeld minimaal 0,15 GVE per hectare worden begraasd door schapen, geiten of runderen.

6.

Verweerder baseert zijn stelling dat aan dit vereiste niet is voldaan uitsluitend op het I&R-register. Uit dit register blijkt niet dat op de percelen in de relevante periode runderen, schapen of geiten hebben gegraasd.

Appellant stelt hier tegenover dat hij niet wist dat hij als houder van dieren op grond van artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn in kennis diende te stellen van alle verplaatsingen van en naar zijn bedrijf. Beide percelen zijn van half april 2010 tot eind september 2010 daadwerkelijk beweid met 26 vaarzen en één stier. Appellant wijst hiertoe op de overgelegde inscharingsovereenkomst. Van belang is hierbij dat, hoewel in de pachtovereenkomst uit 2001 staat dat op perceel 9 geen rundvee mocht worden geweid, dit later in overleg met de beheerder / eigenaar wel is toegestaan. Het feit dat de dieren die op de percelen 7 en 9 hebben geweid door geen andere landbouwer zijn opgegeven bewijst dat de percelen tot het bedrijf van appellant behoren. De begrazing blijkt volgens appellant ook uit het feit dat de vegetatie werd onderhouden.

Naar het oordeel van het College is echter onvoldoende bewijs voorhanden om aan te nemen dat aan de hier geldende GVE-eis van begrazing met tenminste 0,15 GVE per hectare is voldaan. Uit het I&R-register blijkt immers dat appellant in 2010 geen dieren op zijn bedrijf heeft gehad. Hetgeen appellant als alternatief bewijs heeft ingebracht, waaronder de inscharingsovereenkomst, is niet toereikend om toch aan te nemen dat de in geding zijnde percelen in 2010 in voldoende mate zijn begraasd. De inscharingsovereenkomst dateert van
5 juli 2011, en is dus geruime tijd na de hier relevante periode opgesteld. Verder is niet komen vast te staan wanneer elk van de hier bedoelde dieren op de percelen heeft gelopen en is evenmin de identificatiecode van de dieren gebleken.

Naar het oordeel van het College moet het er voor de toepassing van de bedrijfstoeslagregeling voor worden gehouden dat op de percelen 7 en 9 van appellant geen, althans in onvoldoende mate runderen hebben gegraasd.

7.

Appellant heeft ter zitting nog gesteld dat de dieren waren geregistreerd op het UBN van [naam 3], die onder dat UBN een stal huurde op het bedrijf van appellant. Appellant heeft zich niet heeft gerealiseerd dat hij verplaatsing van die dieren naar tot zijn bedrijf behorende gronden aan het I&R- register moest melden.

Voor zover appellant hiermee bedoelt te betogen dat hij geen schuld heeft aan het feit dat de melding aan het I&R- register niet heeft plaatsgevonden overweegt het College als volgt.

Op grond van artikel 73, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 is de verlaging of uitsluiting in het kader van de bedrijfstoeslagregeling niet van toepassing indien de landbouwer feitelijk juiste gegevens heeft verstrekt of indien hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

In dit geval kan niet worden staande gehouden dat appellant geen schuld treft. Van appellant mag worden verwacht dat hij als aanvrager van bedrijfstoeslag op de hoogte is van de voorwaarden die hieraan worden gesteld, dan wel zich hierover laat adviseren. Er was dus geen aanleiding voor verweerder om, ondanks het feit dat de opgegeven percelen niet aan alle geldende voorwaarden voldeden, hieraan voor de aanspraak op bedrijfstoeslag geen consequenties te verbinden.


8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2014.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. E. van Kerkhoven