Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:68

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
03-03-2014
Zaaknummer
AWB 12/385
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het handelen van registeraccountant als bestuursvoorzitter van een accountantsorganisatie is voor tuchtrechtelijke toetsing vatbaar. In dit geval is klager er niet in geslaagd voldoende bewijs te leveren voor de juistheid van zijn stelling dat betrokkene aan een journalist heeft meegedeeld dat facturen die ten onrechte de deur zijn uitgegaan, zijn rechtgezet. Betrokkene kan ten aanzien van deze uitlating dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants, geldigheid: 2014-03-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

12/385 20 februari 2014
20150

Uitspraak op het hoger beroep van:

[naam 1], te [woonplaats 1], appellant van een uitspraak van de accountantskamer van 5 maart 2012, met nummer 11/1615 Wtra AK, gemachtigde: mr. A.B. Maaten.

1 Het procesverloop in hoger beroep



Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer naar aanleiding van een klacht die hij op 2 augustus 2011 heeft ingediend tegen [naam 2], registeraccountant te [woonplaats 2] (hierna: betrokkene).

De accountantskamer heeft de stukken toegestuurd aan de griffier van het College.

Betrokkene heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Appellant en betrokkene hebben nadere stukken ingediend.

Op 31 oktober 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Betrokkene heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.F. Berkhout.

2 De uitspraak van de accountantskamer

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht van appellant in beide onderdelen ongegrond verklaard. Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden verwijst het College naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2012:YH0245), die als hier ingelast wordt beschouwd.

3 De beoordeling van het hoger beroep

3.1

Betrokkene was ten tijde van hetgeen hem in deze zaak wordt verweten bestuursvoorzitter van [bedrijf] (hierna: [bedrijf]), gevestigd te Eindhoven.
Appellant was via zijn praktijkvennootschap sinds 1993 verbonden aan [bedrijf], zulks per 1 januari 2000 op grond van een maatschapsovereenkomst. Een in 1999 bij klager geconstateerde hernia heeft – ondanks medisch ingrijpen – geleid tot volledige arbeidsongeschiktheid van klager per 1 april 2004. Tussen partijen zijn vervolgens geschillen ontstaan, in het bijzonder over het moment waarop de maatschap ten aanzien van appellant zou eindigen of geëindigd zou zijn, met diverse juridische procedures als gevolg. Dit heeft onder meer geresulteerd in de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 april 2009 (ECLI:NL:RBUTR:2009:BI1184).

Op 22 mei 2009 verscheen in het Financieele Dagblad (FD) een publicatie met als koptekst: [bedrijf] verwijt partner bedrogʺ. Voor zover hier van belang hield deze publicatie onder meer in:

ʺ [bedrijf]-bestuursvoorzitter [naam 2] zegt dat de facturen die ten onrechte de deur uit zijn gegaan, zijn rechtgezet. ‘Geen enkele klant heeft betaald voor werk dat niet is verricht’. Er is geen winstdeel teruggevorderd bij de partner, zegt [naam 2], omdat de winstuitkering losstaat van de omzet. Iedere partner heeft er recht op, ‘ook als hij door omstandigheden niet kon werken’. Ook de betwiste onkosten zijn niet teruggevorderd, aldus [naam 2]. ‘omdat je dan eindeloos in debat raakt over de vraag wat zakelijk is en wat privé.ʺ

In een op 9 december 2010 gedateerde brief van de voormalig raadsman van appellant aan [bedrijf] (ter attentie van betrokkene) is onder meer – voor zover hier van belang – geschreven:

ʺ Namens mijn cliënten verzoek ik u en voor zover nodig sommeren zij u daartoe om met onderliggende stukken te documenteren welke facturen zij ten onrechte aan klanten zouden hebben verstuurd. Voorts verzoeken mijn cliënten en voor zover nodig sommeren zij u daartoe nader te onderbouwen op welke wijze die (beweerdelijke) facturen rechtgezet zouden zijn.″

3.2

De klacht, zoals deze door de accountantskamer in de bestreden uitspraak is begrepen, welke weergave door appellant niet wordt bestreden, houdt in:
I. dat betrokkene in zijn hoedanigheid van bestuursvoorzitter van [bedrijf] in strijd met de waarheid aan een journalist onjuiste informatie heeft verschaft over een door de rechtbank Utrecht op 15 april 2009 gewezen vonnis en
II. dat betrokkene niet heeft gereageerd op verzoeken/sommaties te documenteren welke facturen appellant ten onrechte aan klanten zou hebben verstuurd en nader te onderbouwen op welke wijze die (beweerde) facturen rechtgezet zouden zijn.

3.3

De klacht heeft betrekking op handelen dan wel nalaten van betrokkene in zijn hoedanigheid van bestuursvoorzitter van [bedrijf]. Anders dan betrokkene heeft betoogd, is het College van oordeel dat het hierbij gaat om beroepsmatig handelen in de zin van artikel 33 van de Wet op de Registeraccountants, zoals dit artikel luidde van 1 mei 2009 tot 1 januari 2013, en derhalve dat dit handelen voor tuchtrechtelijke toetsing vatbaar is. Voor de motivering van dit oordeel verwijst het College naar de overwegingen 3.1.4 tot en met 3.1.6 van zijn uitspraak van 28 maart 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:BZ8246).

3.4

Appellant voert als eerste grief aan dat onder 2.3 van de bestreden uitspraak de strekking van een memo van 18 februari 2004 te beperkt is weergegeven.

3.4.1

Onder 2.3 van de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer vermeld – voor zover hier van belang – dat in het vonnis van de rechtbank Utrecht van 15 april 2009 een memo aan de Raad van Bestuur van [bedrijf] is weergegeven, waarin op basis van een onderzoek naar de urenverantwoording en facturering door appellant over het jaar 2003 werd geconcludeerd dat de “geschreven” productie van klager wezenlijk afwijkt van diens “gefactureerde” productie, alsmede dat twijfel bestond over de zakelijkheid van bepaalde onkosten van appellant, nu deze weliswaar waren geboekt op, maar niet gefactureerd aan, zogenoemde “fake”-klanten. Het College stelt vast dat in voormeld vonnis het memo met – onder meer – de hiervoor beschreven conclusies is weergegeven. De eerste grief mist in zoverre feitelijke grondslag. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de weergave van de feiten in de bestreden uitspraak tekort schiet voor de beoordeling van de klacht.

3.5

In de tweede en vierde grief stelt appellant het oordeel van de accountantskamer aan de orde dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene onjuiste informatie aan een journalist heeft verschaft. Het College zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

3.5.1

Appellant wijst erop dat de accountantskamer het verweer van betrokkene heeft overgenomen, terwijl in dit verweer is vermeld dat het memo van 18 februari 2004 de mogelijkheid van onjuist verzonden facturen openlaat. Verder heeft betrokkene in zijn conclusie van antwoord voor de rechtbank Utrecht gesteld dat appellant uren schreef op dossiers van niet bestaande cliënten en dat hij die uren vervolgens overboekte naar dossiers met wel bestaande cliënten, waarbij laatstgenoemden die uren in rekening gebracht kregen. Daarnaast heeft volgens appellant de journalist van het artikel in het FD bij brief van 24 februari 2012 verklaard dat betrokkene de gewraakte uitspraak heeft gedaan. Bovendien heeft betrokkene nagelaten het artikel te rectificeren. Hoewel appellant dit laatste punt slechts heeft aangehaald om te motiveren dat aannemelijk is dat betrokkene wel degelijk de gewraakte uitlating heeft gedaan, heeft de accountantskamer volgens appellant ten onrechte geoordeeld dat hij niet tijdig (want pas ter zitting van de accountantskamer) door betrokkene over het niet rectificeren heeft geklaagd. Gelet op alle omstandigheden van het geval is het naar de mening van appellant meer dan aannemelijk dat betrokkene onjuiste persberichten heeft verspreid. Het andersluidende oordeel van de accountantskamer acht appellant onbegrijpelijk.

3.5.2

In de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer geoordeeld dat appellant tegenover de weerspreking namens betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene (in zijn hoedanigheid van bestuursvoorzitter van [bedrijf]) onjuiste persberichten heeft verspreid en heeft gesuggereerd dat appellant valse facturen zou hebben verstuurd. De klacht hierover moet volgens de accountantskamer daarom ongegrond worden verklaard.
De accountantskamer overweegt voorts dat, hoewel daarover niet althans eerst op de zitting bij de accountantskamer en dus niet tijdig is geklaagd, de accountantskamer de opvatting heeft dat het in het algemeen voor accountants – gelet op hun gehoudenheid voldoende waarborgen te treffen bij het ontstaan van bedreigingen voor de naleving van de fundamentele beginselen van de Verordening gedragscode – is aan te bevelen goed voorbereid te zijn op het te woord staan van journalisten, alsmede dat het in het onderhavige geval verstandiger van betrokkene zou zijn geweest indien hij voorafgaand aan de publicatie van het artikel in het FD van 22 mei 2009 inzage in de tekst ervan zou hebben gevraagd, dan wel na publicatie ervan zou hebben aangedrongen op rectificatie van in elk geval de in dat artikel vermelde zin: [bedrijf]-bestuursvoorzitter [naam 2] zegt dat de facturen die ten onrechte de deur uit zijn gegaan, zijn rechtgezetʺ.

3.5.3

Het College stelt voorop dat het in beginsel aan appellant is om feiten en omstandigheden te stellen en – in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
De door appellant aangevoerde omstandigheden dat het memo van 18 februari 2004 de mogelijkheid van onjuist verzonden facturen openlaat, dat in de conclusie van antwoord voor de rechtbank Utrecht een bepaalde stellingname over de handelswijze van appellant is ingenomen en dat betrokkene heeft nagelaten het artikel van 29 mei 2009 in het FD waarin betrokkene is geciteerd (“[bedrijf] voorzitter [naam 2] zegt dat de facturen die ten onrechte de deur zijn uitgegaan, zijn rechtgezet.”) te rectificeren vormen naar het oordeel van het College onvoldoende grond om aannemelijk te achten dat het aangehaalde citaat een juiste weergave is van hetgeen betrokkene tegenover een journalist van het FD heeft verklaard. De aangevoerde omstandigheden hebben immers geen betrekking op het telefoongesprek tussen de betrokkene en de journalist dat aan de publicatie in het FD ten grondslag heeft gelegen.

De door appellant overgelegde brief van 24 februari 2012 heeft wel betrekking op voormeld telefoongesprek dat aan de publicatie in het FD ten grondslag heeft gelegen. In deze brief hebben de journalist en de redacteur van het FD verklaard dat de in het artikel van 22 mei 2009 opgenomen uitlatingen van betrokkene wat hen betreft juist zijn.
Dit bewijs wordt echter in belangrijke mate genuanceerd door hetgeen de journalist en betrokkene tijdens een getuigenverhoor op 26 april 2012 voor de rechtbank Arnhem hebben verklaard. De journalist heeft blijkens het proces-verbaal van dit getuigenverhoor onder meer verklaard:

ʺ Voor mij was het belangrijkste antwoord van [naam 2] dat klanten niet hadden betaald voor werk dat niet was verricht. Daarom heb ik dat letterlijk geciteerd. Dat staat in het artikel tussen aanhalingstekens. Ik wil trouwens niet zeggen dat ik mij dit letterlijk herinner maar het feit dat het tussen aanhalingstekens staat betekent dat het een letterlijk citaat is. Dat is namelijk de wijze waarop wij werken. Als wij iets letterlijk willen citeren vragen we dit nog een keer expliciet om te zorgen dat er geen misverstand over ontstaat.
De tekst die niet tussen aanhalingstekens staat is mijn eigen samenvatting van wat ik uit het gesprek heb opgemaakt. Onze methode is namelijk zo dat je niet alles tussen aanhalingstekens zet. Alleen als het pregnant is en als het echt zo is gezegd, kies je dat uit je aantekeningen om tussen aanhalingstekens te plaatsen, of, als je denkt dat iets controversieel is, dan vraag je het nog een keer en komt het tussen aanhalingstekens.
U houdt mij de zin voor: [bedrijf] bestuursvoorzitter [naam 2] zegt dat facturen die ten onrechte de deur zijn uitgegaan, zijn rechtgezet. Ik weet niet meer of [naam 2] dat letterlijk zo heeft gezegd of dat ik dat uit het vraaggesprek heb afgeleid. Ik zag in iedergeval geen tegenspraak met het vonnis.ʺ

Betrokkene heeft blijkens het proces-verbaal onder meer verklaard

ʺ Ik blijf bij de verklaring die ik ter comparitie van 17 november 2011 heb afgelegd. Het is gegaan zoals ik toen verklaarde, ik werd tijdens een autorit gebeld door de journalist [naam 3] die mij overviel met vragen. Het was een kort gesprek. Ik kende het vonnis waar het over ging destijds niet. De procedure tegen [naam 1] werd behandeld door onze huisjurist en de externe advocaat. Ik zal heus tussentijds wel informatie hebben gekregen over de voortgang maar we hebben verder niet over de inhoud van die procedure gesproken. Op het moment dat ik gebeld werd door [naam 3] was ik er zelfs niet mee bekend dat er een vonnis was. Ik blijf er pertinent bij dat ik mij werkelijk niet kan herinneren dat ik heb gezegd dat facturen onterecht de deur zijn uitgegaan.ʺ

Gelet op de inhoud van het voormelde proces-verbaal – dat partijen overigens niet hebben bestreden in hoger beroep – is appellant er naar het oordeel van het College niet in geslaagd voldoende bewijs te leveren voor de juistheid van zijn stelling dat betrokkene aan een journalist van het FD heeft meegedeeld dat facturen die ten onrechte de deur zijn uitgegaan, zijn rechtgezet. De opmerking van de accountantskamer in 4.6. van de bestreden uitspraak, betreft een overweging ten overvloede die – anders dan door appellant gesteld – zijn procesmogelijkheden niet beperkt. De tweede en vierde grief falen.

3.6

Appellant voert als derde grief aan dat de accountantskamer ten onrechte niet heeft onderkend dat betrokkene had moeten onderbouwen welke facturen ten onrechte zijn verstuurd en daarna zijn rechtgezet.

3.6.1

Enkel al omdat appellant er niet in is geslaagd voldoende bewijs te leveren voor de juistheid van zijn stelling dat betrokkene tegenover de journalist verklaard heeft dat onterecht verstuurde facturen zijn rechtgezet, ziet het College geen aanknopingspunt voor het oordeel dat betrokkene aanleiding had moeten zien om te onderbouwen welke facturen ten onrechte zijn verstuurd en daarna zijn rechtgezet. Deze grief faalt eveneens.

3.7

Gezien het voorgaande dient het hoger beroep ongegrond te worden verklaard.

4 De beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mrs. J.L.W. Aerts, H.A.B. van Dorst-Tatomir en W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2014.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. B.S. Jansen