Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:66

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
05-03-2014
Zaaknummer
AWB 12/254 AWB 12/255 AWB 12/256
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:4139, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:4137, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:4138, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ne bis in idem: betekenis vonnis strafrechter; bevoegdheid verweerder; overtreding art. 14 Msw niet begaan

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet, geldigheid: 2014-03-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/50 met annotatie van D. van der Meijden
JBO 2014/51 met annotatie van D. van der Meijden
JB 2014/146
JOM 2014/589
NJB 2014/949
ABkort 2014/174
AB 2016/330

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 12/254, 12/255 en 12/256

16005

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.

[bedrijfsnaam 1] B.V., te [vestigingsplaats 1],

2.

[…] Handelsonderneming inc., statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2],

3.

[naam] , te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 11 januari 2012 in het geding tussen appellanten

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, (hierna: de staatssecretaris).

gemachtigde van appellanten: mr. drs. R.A.C.J. van Kessel

gemachtigde van de staatssecretaris: mr. B. Raven

Procesverloop in hoger beroep

Appellanten hebben bij brieven van 20 februari 2012 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 11 januari 2012 (AWB 10/1453 en 10/1454, ECLI:NL:RBSHE:2012:4139, AWB 10/1442, ECLI:NL:RBSHE:2012:4137 en AWB 10/1450, ECLI:NL:RBSHE:2012:4138, hierna: de aangevallen uitspraken).

Bij brieven van 30 mei 2012 heeft de staatssecretaris reacties op de hoger beroepschriften ingediend.

Op 11 oktober 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen en [naam] zijn verschenen.

Grondslag van het geschil

1.

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. Het College volstaat met het volgende.

1.1

[naam] (hierna: [naam]) is bestuurder van [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1]) en […] Handelsonderneming Inc. (hierna: […] Handelsonderneming). Beide ondernemingen waren, in de hier relevante periode, feitelijk op hetzelfde adres gevestigd. [bedrijfsnaam 1] is op 23 september 2008 failliet verklaard.

1.2

Bij brief van 16 oktober 2008 heeft de staatssecretaris [bedrijfsnaam 1] verzocht om de begin- en de eindvoorraden meststoffen voor 2006 en 2007 op te geven, alsmede de totaal in die jaren aangevoerde en afgevoerde meststoffen en de grootte van de opslagcapaciteit. Op basis van de opgave van [bedrijfsnaam 1] heeft de staatsecretaris vervolgens bij besluiten van

20 maart 2009 twee boetes opgelegd wegens overtreding van artikel 14 van de Meststoffenwet (Msw). Daaraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat op [bedrijfsnaam 1] artikel 14 van de Msw van toepassing is, omdat zij meststoffen verhandelt, nu zij immers volgens eigen opgave mest aanbiedt en aflevert aan gebruikers van meststoffen. De stelling van [bedrijfsnaam 1] dat zij in het verleden is vrijgesteld van de verplichting de afvoer van de bij haar aangevoerde mest te verantwoorden, omdat alleen aan particulieren wordt geleverd, heeft de staatssecretaris van de hand gewezen. Met de invoering van artikel 14 van de Msw moet [bedrijfsnaam 1] als verhandelaar van mest steeds de afvoer van de bij haar aangevoerde hoeveelheden mest verantwoorden, aldus de staatssecretaris. Deze verantwoording heeft betrekking op de hoeveelheden fosfaat in de meststoffen en op de afnemers van de meststoffen. Aan die verplichting heeft [bedrijfsnaam 1] in 2006 en 2007 niet voldaan.

Voor het jaar 2006 is een boete opgelegd van € 450.000,--. Daarbij is er van uitgegaan dat in 2006 bij [bedrijfsnaam 1] 29.480.000 kg dierlijke mest is aangevoerd en daarmee 258.527 kg fosfaat, terwijl voor 0 kg fosfaat de afvoer is verantwoord. De begin- en de eindvoorraad zijn vanwege het ontbreken van mestopslagcapaciteit op 0 gesteld.

Voor het jaar 2007 is eveneens een boete opgelegd van € 450.000,--. Daarbij is er van uit gegaan dat in 2007 bij [bedrijfsnaam 1] 14.103.000 kg dierlijke mest is aangevoerd en daarmee 180.527 kg fosfaat, terwijl slechts voor 73 kg fosfaat de afvoer is verantwoord. De begin- en de eindvoorraad zijn ook voor 2007 vanwege het ontbreken van mestopslagcapaciteit op 0 gesteld.

De boetes zijn voor beide jaren vastgesteld op het maximumbedrag dat ingevolge artikel 62 van de Msw (oud) aan een rechtspersoon kon worden opgelegd.

Bij afzonderlijke besluiten van 23 maart 2010 zijn de bezwaren van [bedrijfsnaam 1] ongegrond verklaard.

1.3

Aan […] Handelsonderneming is bij besluit van 25 maart 2009 voor het jaar 2007 eveneens een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 14 van de Msw. De aan […] Handelsonderneming opgelegde boete bedraagt € 50.996,--. Die boete is gebaseerd op bij de Dienst Regelingen geregistreerde Vervoersbewijzen dierlijke meststoffen waaruit blijkt dat [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. mest bij […] Handelsonderneming hebben aangevoerd, waarvoor zij de afvoer niet heeft kunnen verantwoorden. Het gaat daarbij om 4.636 kg fosfaat. Bij besluit van 23 maart 2010 is het bezwaar van […] Handelsonderneming ongegrond verklaard.

1.4

[naam] heeft als feitelijk leidinggevende van [bedrijfsnaam 1] en […] Handelsonderneming drie bestuursrechtelijke boetes opgelegd gekregen van elk € 45.000,--. Dat betreft twee boetes opgelegd bij besluiten van 20 maart 2009 wegens het feitelijk leidinggeven aan het overtreden van artikel 14 van de Msw door [bedrijfsnaam 1] in 2006 en 2007. Een derde boete is aan [naam] opgelegd bij besluit van 25 maart 2009 wegens het feitelijk leidinggeven aan de overtreding van artikel 14 van de Msw door […] Handelsonderneming. Bij besluit van 23 maart 2010 zijn de bezwaren van [naam] ongegrond verklaard.

De uitspraken van de rechtbank

2.

De rechtbank heeft de beroepen van appellanten ongegrond verklaard. De overwegingen die de rechtbank tot deze beslissingen hebben gebracht zijn weergegeven in de aangevallen uitspraken.

De beoordeling van de geschillen in hoger beroep

3.1 Artikel IV, eerste lid, van de wet van 25 juni 2009 tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Staatsblad 2009, 265) bepaalt dat, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing blijft. Nu de aan de boetes ten grondslag gelegde overtredingen zouden hebben plaatsgevonden voor 1 juli 2009, is het recht van toepassing, zoals dat gold tot 1 juli 2009.

3.2 Voor de beoordeling zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder d, van de Msw wordt verstaan onder meststoffen: dierlijke meststoffen, ongeacht hun bestemming (…)

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder e, van de Msw wordt verstaan onder verhandelen van meststoffen: afleveren van meststoffen aan handelaren in of gebruikers van meststoffen alsmede het met het oog daarop voorhanden of in voorraad hebben, aanbieden of vervoeren van meststoffen.

In artikel 14 van de Msw is het volgende bepaald:

1.

Degene die dierlijke meststoffen produceert of verhandelt kan steeds verantwoorden dat de op het eigen bedrijf geproduceerde of aangevoerde dierlijke meststoffen of de op de eigen onderneming aangevoerde dierlijke meststoffen zijn afgevoerd.

2.

De verantwoording heeft betrekking op de hoeveelheid fosfaat in de meststoffen en betreft mede de afnemers waarnaar de meststoffen zijn afgevoerd.

(…)

4.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt op de geproduceerde of aangevoerde hoeveelheid dierlijke meststoffen in mindering gebracht de hoeveelheid dierlijke meststoffen waarvan aannemelijk wordt gemaakt dat deze op het eigen bedrijf of in het kader van de eigen onderneming is gebruikt of opgeslagen

In artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de Msw was, voor zover hier van belang, bepaald dat onder overtreding wordt verstaan een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens artikel 14, eerste lid, van de Msw. In het tweede lid van artikel 50 was bepaald dat indien een overtreding is gepleegd door een rechtspersoon, onder overtreder mede wordt verstaan: degene die tot de overtreding opdracht heeft gegeven of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Op grond van artikel 51, eerste lid, van de Msw kan de Minister een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

3.3

Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat bij het opleggen van de bestuurlijke boetes ten onrechte geen rekening is gehouden met de strafrechtelijke vervolging van […] Handelsonderneming en [naam]. Het College komt tot de volgende beoordeling.

[…] Handelsonderneming is door de rechtbank Arnhem bij vonnis van 5 maart 2009, en door het gerechtshof Arnhem in hoger beroep bij arrest van 3 mei 2011, veroordeeld tot een geldboete van €30.000,- en voorwaardelijke stillegging van de onderneming voor de duur van 6 maanden. [naam] is door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. In hoger beroep is hij door het gerechtshof veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf.

Uit de overgelegde vonnissen van de rechtbank Arnhem en de arresten van het gerechtshof Arnhem blijkt dat de rechtbank en het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen hebben geacht dat de rechtspersoon […] Handelsonderneming meermalen onder meer valsheid in geschrift heeft gepleegd door opzettelijk in strijd met de waarheid op 289 Vervoersbewijzen dierlijke meststoffen als afnemer [bedrijfsnaam 1] te vermelden of te doen vermelden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat niet [bedrijfsnaam 1] de daadwerkelijke afnemer was van de dierlijke meststoffen, maar dat de mest (steeds) is geleverd aan een particulier. [bedrijfsnaam 1] werd vermeld als afnemer om daarmee de mestboekhouding te omzeilen. Verder is bewezen geacht dat [naam] tot vorenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.

Voor de feiten en de omstandigheden waarop de bewezenverklaring rust verwijzen de rechtbank en het gerechtshof naar de, in het kader van het strafrechtelijk onderzoek door de Algemene Inspectiedienst (AID), opgestelde processen-verbaal. Op grond daarvan wordt vastgesteld dat op het perceel van [bedrijfsnaam 1], noch in de nabije omgeving, mogelijkheden waren om substantiële hoeveelheden mest te lossen. Diverse betrokkenen hebben verklaard dat nimmer daadwerkelijk mest is gelost bij [bedrijfsnaam 1]. In werkelijkheid ging de mest naar een particulier of tuinder, en dit alles gebeurde in opdracht van [naam].

In een proces-verbaal van 12 juli 2007, met daarin de bevindingen van een ambtenaar van de AID), is het volgende zakelijk weergegeven: De 289 Vervoersbewijzen dierlijke meststoffen zijn aangeleverd door [bedrijfsnaam 1] aan de Dienst Regelingen. De laaddatum waarop de vervoersbewijzen betrekking hebben ligt in de periode van 1 december 2006 tot en met april 2007. [bedrijfsnaam 1] komt in de onderzoeksperiode in de registratie van de Dienst Regelingen alleen voor als afnemer, niet als vervoerder of leverancier. Op alle 289 vervoersbewijzen staat […] Handelsonderneming als leverancier vermeld. De gegevens aangeleverd door [bedrijfsnaam 1] komen overeen met de gegevens die door […] Handelsonderneming zijn aangeleverd.

Aan de op ambtseed opgemaakte, processen-verbaal van verschillende data, waarin zijn opgenomen de verklaringen van (ex)werknemers van [naam], ontleent het College het volgende.

Het proces-verbaal van 20 juni 2007:

Ik heb in opdracht van [naam] regelmatig meststoffen afgeleverd bij landbouwers en tuinders terwijl op de bon stond dat de meststoffen werden afgeleverd bij [bedrijfsnaam 1]. Beide bedrijven zijn van [naam], zowel de leverancier van de meststoffen, de transporteur als de ontvanger van de meststoffen. In feite werden de meststoffen niet aan [bedrijfsnaam 1] geleverd, maar aan iemand die het goed kan gebruiken. Aan dergelijke transporten heb ik vele malen meegewerkt. Het is een algemene trend bij [naam]. Wat op de Vervoersbewijzen dierlijke meststoffen staat, klopt niet.

Het proces-verbaal van 26 juli 2007:

Ik werk als chauffeur voor [naam]. U vraagt mij of ik wel eens op opslagplaatsen ben geweest van [naam]. Dat is nooit het geval geweest. Deze heeft hij ook niet, anders had ik het geweten.

Het proces-verbaal van 13 augustus 2007:

Ik ben als vrachtwagenchauffeur werkzaam geweest voor […] Transport Service inc. De directeur betrof [naam]. [naam] was degene die ons aanstuurde en die de opdrachten aan mij verstrekte. Als het mest betrof worden Vervoersbewijzen dierlijke meststoffen ingevuld. U toont mij een Vervoersbewijs waarop ik heb ingevuld dat er mest is geleverd bij [bedrijfsnaam 1]. Deze afnemer kreeg ik door van [naam] en diende ik in opdracht van [naam] op het vervoersbewijs te vermelden. Dit terwijl de feitelijke levering in [vestigingsplaats 3] was en de afnemer vermoedelijk niet [bedrijfsnaam 1] was, maar iemand in [vestigingsplaats 3]. Er is niet echt aan [bedrijfsnaam 1] geleverd. Ik weet dat [bedrijfsnaam 1] nergens een opslagterrein of inrichting heeft.

Het proces-verbaal van 2 juli 2007:

Ik werk ongeveer twee jaar voor de heer [naam]. [bedrijfsnaam 1] is een bedrijf van [naam]. Volgens mij heeft [bedrijfsnaam 1] geen bedrijfsvestiging en zeker geen opslag. Met betrekking tot de uit te voeren transporten kregen we de ene keer voorgedrukte vervoersbewijzen mee, maar we moesten ze ook zelf invullen. De heer [naam] bepaalde welke gegevens op het vervoersbewijs werden vermeld.

3.4

Gelet op (onder meer) de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen en hetgeen door de rechtbank en het gerechtshof in de strafzaken bewezen is verklaard, gaat het College er van uit dat in werkelijkheid nooit meststoffen bij [bedrijfsnaam 1] zijn afgeleverd in 2006 en 2007. De eigen opgaven van [bedrijfsnaam 1], gelet ook op het bewijs dat deze opgaven tegenspreekt, leiden niet tot een andere conclusie.

Het College acht het, gelet op de algemene strekking van de afgelegde verklaringen zoals weergegeven onder 3.3 en gelet op de - door de staatssecretaris ook erkende - fysieke onmogelijkheid mest te lossen bij [bedrijfsnaam 1], aannemelijk dat [bedrijfsnaam 1] slechts een onderneming was die in de gehele periode een rol op papier vervulde. Deze rol kwam hierop neer dat [bedrijfsnaam 1] opgave deed van de aanvoer van mest om daarmee de door [naam] geconstrueerde methode sluitend te maken, dit alles teneinde een adequate controle te belemmeren en anderen in staat te stellen mest te gebruiken zonder dat zij daarmee problemen zouden krijgen op grond van de Msw. De staatssecretaris heeft zich bij het opleggen van de bestuurlijke boetes gebaseerd op de – kennelijk in strijd met de waarheid opgemaakte – eigen opgaven van [bedrijfsnaam 1].

Naar aanleiding hiervan overweegt het College het volgende. Hoewel gemeenlijk van de eigen opgaven van betrokkenen mag worden uitgegaan voor de vaststelling van overtredingen van de Msw, ligt dat in dit geval anders. Van overtreding van artikel 14 van de Msw kan immers slechts sprake zijn indien de afvoer van de op het eigen bedrijf geproduceerde of aangevoerde dierlijke meststoffen niet kan worden verantwoord. De eigen opgave van de betrokkene heeft voor die overtreding geen zelfstandige betekenis, maar is één van de bewijsmiddelen op grond waarvan vastgesteld kan worden dat er mest is aangevoerd. Aangezien in werkelijkheid geen meststoffen bij [bedrijfsnaam 1] zijn aangevoerd en [bedrijfsnaam 1] zelf geen meststoffen produceerde, kunnen er bij [bedrijfsnaam 1] ook geen meststoffen zijn afgevoerd. De conclusie is dan ook dat [bedrijfsnaam 1] de haar aangewreven overtreding van het bepaalde in artikel 14 van de Msw niet heeft begaan. De staatssecretaris was derhalve niet bevoegd om aan [bedrijfsnaam 1] ter zake van overtreding van artikel 14 van de Msw bestuurlijke boetes op te leggen.

Daaruit volgt dat de staatssecretaris evenmin bevoegd was om aan [naam] als feitelijk leidinggevende bestuurlijke boetes op te leggen voor het overtreden van artikel 14 van de Msw door [bedrijfsnaam 1].

3.5

De hoger beroepen van [bedrijfsnaam 1] en van [naam], met registratienummers AWB 12/254 en 12/256, zijn in zoverre gegrond. Het College zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, de besluiten van 23 maart 2010 vernietigen en de primaire besluiten van 20 maart 2009, waarbij de bestuurlijke boetes zijn opgelegd voor het niet verantwoorden van mest door [bedrijfsnaam 1] en het feitelijk leiding geven daaraan door [naam], herroepen.

3.6

Gelet op het vorenstaande behoeft de hoger beroepsgrond van [naam] dat hij dubbel in zijn vermogen wordt getroffen, doordat hij persoonlijk naast [bedrijfsnaam 1] is beboet, geen bespreking.

3.7

Het College komt vervolgens toe aan de beoordeling van het hoger beroep, met registratienummer AWB 12/255, dat ziet op de bestuurlijke boete die aan […] Handelsonderneming is opgelegd wegens overtreding van artikel 14 van de Msw, in verband met het niet kunnen verantwoorden van 4.636 kg fosfaat. Dit betreft mest waarvan op basis van Vervoersbewijzen dierlijke meststoffen wordt aangenomen dat deze door [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V. bij […] Handelsonderneming is aangevoerd en waarvoor zij de afvoer niet heeft kunnen verantwoorden. Ook ten aanzien van deze bestuurlijke boete is in hoger beroep aangevoerd dat bij het opleggen ervan ten onrechte geen rekening is gehouden met de strafrechtelijke vervolging van […] Handelsonderneming en [naam].

Deze hoger beroepsgrond slaagt niet. Voor de feiten waarop de bestuurlijke boete in dit geval is gebaseerd geldt dat er geen samenhang is met de feiten waarvoor strafrechtelijk is vervolgd. Het gaat niet om dezelfde feiten en gedragingen. De bestuurlijke boete heeft geen betrekking op mest waarvoor […] Handelsonderneming ter verantwoording van de afvoer op vervoersbewijzen [bedrijfsnaam 1] als afnemer heeft vermeld; de feiten waarop de strafrechtelijke veroordeling betrekking heeft. [naam] ontkent immers de mest, aangevoerd door [bedrijfsnaam 2] B.V. en [bedrijfsnaam 3] B.V., te hebben ontvangen en heeft voor deze mest nooit vervoersbewijzen opgemaakt.

Nu […] Handelsonderneming in hoger beroep voor het overige geen gronden heeft aangevoerd die zich richten tegen het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris terecht de boete van € 50.996,-- heeft opgelegd, omdat […] Handelsonderneming er niet in is geslaagd de aanvoer van de betreffende mest te betwisten of de afvoer ervan aannemelijk te maken, zal het College de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

3.8

Op grond van vorenstaande overwegingen, in aanmerking nemende dat [naam] het element feitelijk leiding geven niet heeft bestreden, oordeelt het College dat het hoger beroep van [naam], met registratienummer AWB 12/256, voor zover dat ziet op het feitelijk leiding geven aan de overtreding zoals onder 3.7 weergegeven, waarvoor aan
bij primair besluit van 25 maart 2009 een boete van € 45.000,-- is opgelegd, evenmin slaagt. Het College zal de uitspraak van de rechtbank ten aanzien van [naam] op dit punt bevestigen.

3.9

De staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van [bedrijfsnaam 1] en
[naam] in verband met beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep als samenhangende zaken, in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op
€ 1.948,-- op basis van 4 punten - te weten in beroep: beroepschrift (1), verschijnen ter zitting (1), en in hoger beroep: beroepschrift (1), verschijnen ter zitting (1) - tegen een waarde van € 487,-- per punt, waarbij het gewicht van de zaak op 1 (gemiddeld) is bepaald.

Beslissing

Het College:

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak (AWB 10/1453 en AWB 10/1454) ten aanzien van [bedrijfsnaam 1];

  • -

    verklaart de beroepen van [bedrijfsnaam 1] tegen de besluiten van 23 maart 2010 gegrond en vernietigt deze besluiten;

  • -

    herroept de besluiten van 20 maart 2009 waarbij aan [bedrijfsnaam 1] bestuurlijke boetes zijn opgelegd;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak (AWB 10/1450) ten aanzien van [naam] voor zover deze ziet op het feitelijk leiding geven aan de overtredingen begaan door [bedrijfsnaam 1];

  • -

    verklaart het beroep van [naam] tegen het besluit van 23 maart 2010 in zoverre gegrond en vernietigt dit besluit in zoverre;

  • -

    herroept de besluiten van 20 maart 2009 waarbij aan [naam] bestuurlijke boetes zijn opgelegd;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank ten aanzien van [naam] voor het overige;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank (AWB 10/1442) ten aanzien van […] Handelsonderneming;

  • -

    veroordeelt de staatssecretaris in de door [bedrijfsnaam 1] en [naam] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.948,--;

  • -

    gelast dat de staatsecretaris aan [bedrijfsnaam 1] het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 764,-- vergoedt;

  • -

    gelast dat de staatsecretaris aan [naam] het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 273,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. M. Munsterman en mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2014.

w.g. R.R. Winter w.g. A.G.J. van Ouwerkerk