Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:60

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
18-02-2014
Zaaknummer
AWB 12/889
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Waarschuwing wegens handelen in strijd met fundamentele beginsel 'deskundigheid en zorgvuldigheid' door accountant-mediator. Onvoldoende naleving beginsel 'informed consent'.

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie, geldigheid: 2014-02-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

12/889 13 februari 2014

20150

Uitspraak op het hoger beroep van:

[betrokkene] AA, te [plaats], appellant van een uitspraak van de accountantskamer van
20 juli 2012, met nummer 11/1708 Wtra AK.

gemachtigde: mr. V. Bakker, advocaat te Amsterdam.

1 Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 30 augustus 2012, bij het College binnengekomen op diezelfde datum, hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op een klacht, op 19 augustus 2011 door [klager] RA
(hierna: klager) ingediend tegen appellant.

De accountantskamer heeft bij brief van 5 oktober 2012 de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 11 oktober 2012 heeft klager een reactie op het beroepschrift ingediend.

Op 23 januari 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad.
Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Klager is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.Y.M. Renken, advocaat te Leiden.

2 De uitspraak van de accountantskamer

De aan de accountantskamer voorgelegde klacht had betrekking op het beroepsmatig handelen van appellant als accountant-mediator. De accountantskamer heeft als uitgangspunt geformuleerd dat een accountant-administratieconsulent op de uitvoering van een taak als mediator tuchtrechtelijk kan worden aangesproken, indien hij in die uitvoering heeft gehandeld of nalatig is geweest in strijd met de door hem in acht te nemen fundamentele beginselen als bedoeld in artikel A-100.4 van de Verordening Gedragscode (AA’s) (hierna: VGC) dan wel anderszins heeft gehandeld of nalatig is geweest in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep.

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer een gedeelte van onderdeel 1 van de klacht gegrond verklaard en de klacht voor het overige ongegrond verklaard. Wegens handelen of nalaten in strijd met het fundamentele beginsel ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’ als bedoeld in artikel A-100.4, aanhef en onder c, en nader uitgewerkt in hoofdstuk A-130 van de VGC heeft de accountantskamer appellant de tuchtrechtelijke maatregel van waarschuwing opgelegd.

Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van de klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2012:YH0295), die als hier ingelast wordt beschouwd.

3 Incidenteel appèl klager

Allereerst overweegt het College voor zover klager in zijn reactie op het beroepschrift van 11 oktober 2012 heeft aangegeven dat dit geschrift tevens als incidenteel appèl moet worden beschouwd het volgende.

Artikel 31, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 – gelezen in samenhang met artikel 43, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants – bepaalt dat de betrokkene (lees: de accountant) dan wel de klager of de voorzitter van de beroepsorganisatie binnen zes weken na de verzending van de uitspraak van de accountantskamer hoger beroep kan instellen bij het College, tenzij tegen die uitspraak verzet kan of kon worden gedaan.

In zijn reactie is klager niet alleen ingegaan op de gronden die appellant tegen de bestreden uitspraak van de accountantskamer heeft aangevoerd, maar heeft hij tevens onder vermelding van gronden te kennen gegeven dat de accountantskamer ten onrechte de overige klachtonderdelen ongegrond heeft verklaard.

Voor klager heeft de mogelijkheid opengestaan hoger beroep in te stellen tegen de bestreden uitspraak. Klager heeft daarvan niet binnen de in artikel 31, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 bedoelde termijn gebruik gemaakt. Deze wet en de Wet tuchtrechtspraak accountants voorzien niet in de mogelijkheid om nog na het verstrijken van de genoemde termijn hoger beroep in te stellen, ook niet bij wege van voorwaardelijk of incidenteel hoger beroep. Voor de door klager verzochte beoordeling van de klacht tegen appellant is in deze hoger beroepszaak derhalve geen plaats.

4 De beoordeling van het hoger beroep

4.1

Appellant kan zich niet verenigen met overweging 4.7.4 van de bestreden uitspraak. De accountantskamer overweegt op die plaats dat aannemelijk is geworden dat appellant de partijen in de periode dat hij als mediator optrad – mei en juni 2009 – onvoldoende van de verschillende opties voor een overeen te komen partneralimentatie op de hoogte heeft gebracht. Appellant had de uitkomst van zijn alimentatieberekening moeten vergelijken met een berekening met onverkorte toepassing van de TREMA-normen. Volgens de accountantskamer is niet aannemelijk geworden dat appellant ervoor heeft gezorgd dat partijen (onder wie klager) tot in detail goed zijn voorgelicht en zich terdege bewust waren van de gegevens waarop de alimentatieberekening van appellant was gebaseerd. Als partijen dan nog steeds met de uitkomst van die berekening – die voor de vrouw, aldus de accountantskamer, een uitzonderlijk gunstige uitkomst had – zouden hebben ingestemd, dan had appellant een en ander goed moeten vastleggen, hetgeen niet is geschied. Voorts overweegt de accountantskamer dat een waarborg hier ook zou zijn geweest dat appellant zijn alimentatieberekening ter beoordeling aan een derde-deskundige had voorgelegd. Dat appellant zowel het een als het ander heeft nagelaten moet naar het oordeel van de accountantskamer worden aangemerkt als strijdig met het fundamentele beginsel ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’.

4.2

Appellant stelt – samengevat – dat de accountantskamer, gezien overweging 4.7.3 van de bestreden uitspraak ten aanzien van de twee gronden waarop klagers stelling stoelt dat appellant niet deskundig is opgetreden als mediator, klachtonderdeel 1 ongegrond had moeten verklaren. Het oordeel dat appellant als mediator de partijen destijds onvoldoende van de verschillende opties op de hoogte heeft gebracht, acht appellant onbegrijpelijk en geeft volgens hem blijk van miskenning van de taak en daarmee verband houdende verplichtingen van appellant als mediator.

4.3

Het College stelt voorop dat het met de accountantskamer van oordeel is dat een accountants-administratieconsulent erop kan worden aangesproken als hij, voor zover hier van belang, bij de uitvoering van een taak als mediator heeft gehandeld in strijd met of nalatig is geweest bij de toepassing van de fundamentele beginselen als bedoeld in artikel A-100.4 van de VGC. Uitgangspunt daarbij is voorts dat de zorgvuldigheidseisen waaraan een mediator moet voldoen ook voor de accountant-mediator gelden. Een zorgvuldig handelend mediator dient de autonomie van partijen te respecteren, zijn eigen neutraliteit te bewaren én het beginsel van ‘informed consent’ na te leven. Dit laatste brengt met zich dat hij waar nodig partijen zodanige informatie moet verstrekken dat partijen in staat zijn zich van de te maken keuzes en mogelijke oplossingen een weloverwogen beeld te vormen en hun positie te bepalen. Voornoemd beginsel geldt ook wanneer partijen, of een van hen, bij aanvang van de mediation aangeven al een bepaalde oplossingsrichting voor ogen te hebben. Ook dan zal een bekwaam en redelijk handelend mediator zich er, onder andere, van moeten verzekeren dat partijen zich realiseren welke informatie voor hun keuzes relevant is en ervoor moeten zorgdragen dat partijen weloverwogen tot hun keuzes kunnen komen, de strekking van hun keuzes volledig begrijpen en die keuzes ook daadwerkelijk wensen.

4.4

Het College is met de accountantskamer van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat appellant klager en zijn toenmalige echtgenote adequaat heeft voorgelicht en dat zij zich terdege bewust waren van de invloed, die door hen geformuleerde uitgangspunten zouden hebben op de alimentatieberekening van appellant. Naar het oordeel van het College had appellant partijen er ten minste op moeten wijzen dat de op basis van deze uitgangspunten berekende alimentatie beduidend afweek van wat de alimentatie bij onverkorte toepassing van de TREMA-normen zou bedragen. In dat geval zou niet, zoals appellant heeft gesteld, inhoudelijk sturing zijn gegeven of door hem ter discussie zijn gesteld wat tussen partijen tot op dat moment vaststond; er zou dan in overeenstemming met de door de mediator te betrachten zorgvuldigheid expliciet zijn geverifieerd dat partijen beseffen waar zij mee instemmen. Afhankelijk van hun reactie, had hij nader in detail moeten treden. Het College constateert dat klagers opmerking tijdens de bespreking op 5 mei 2009 dat hij schrok van de hoogte van de berekening voor appellant geen aanleiding is geweest hem voor te lichten over het resultaat van de berekening als de aanvankelijk door partijen aangegeven (financiële) uitgangspunten zouden worden verlaten. Ook het feit dat klager op 28 mei 2009 opnieuw aangaf de kinderalimentatie aan de hoge kant te vinden, leidde daar niet toe. Appellant volstond ermee klager te verwijzen naar een website waar hij de berekening zelf kon maken. Het College acht die reactie op de door klager geuite twijfels, in het licht van het bovenstaande, onvoldoende. Bovendien had hij zowel de instemming van partijen als de informatie op grond waarvan zij tot hun keuzes zijn gekomen veel explicieter moeten vastleggen.

4.5

Gelet op het bovenstaande onderschrijft het College het oordeel van de accountantskamer dat appellant het fundamentele beginsel ‘deskundigheid en zorgvuldigheid’ niet in acht heeft genomen. Terecht heeft de accountantskamer passend en geboden geacht appellant de maatregel van waarschuwing op te leggen.

4.6

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

4.7

Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikel A-100.4, aanhef en onder c, en hoofdstuk A-130 van de VGC, artikel 43, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants, en artikel 39 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

5 De beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. M. Munsterman en mr. P.M. van der Zanden in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2014.

w.g. W.E. Doolaard w.g. C.G.M. van Ede