Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:502

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
11-03-2015
Zaaknummer
AWB 12/306
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
MR. E. THOMAS annotatie in NTFR 2015/1088

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 12/306

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2014 in de zaak tussen

V-Max Beheer B.V., te Oldenzaal, appellante

(gemachtigde: mr. drs. S. van den Elst),

en

de minister van Economische zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Cromheecke.).

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de bij beschikkingen van 25 januari 2010 en 30 juli 2010 afgegeven S&O-verklaringen voor het jaar 2010 gecorrigeerd tot nihil.

Bij besluit van 30 januari 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat appellante een aanvullende S&O-verklaring ontvangt voor 176 uren.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2014.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens is voor appellante [naam 1]verschenen.

Overwegingen

1. De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: Wva) bepaalde, ten tijde en voor zover hier van belang, het volgende:

"Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

n.speur-en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige. Systematisch georganiseerde en in een lidstaat van de Europese Unie verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op:

(…)

1. technisch wetenschappelijk onderzoek;

2. de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige technisch nieuwe (onderdelen van) fysieke producten, (onderdelen van) fysieke productieprocessen, of onderdelen van programmatuur ;

(…)

Artikel 23
1. Onze Minister van Economische Zaken verstrekt aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een periode van een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten, op zijn aanvraag op de voet van artikel 22 een S&O-verklaring.

2. De S&O-verklaring bevat:

a. een omschrijving van het werk dat wordt aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk;

b. de periode waarvoor de S&O-verklaring wordt verstrekt;

c. het aantal uren dat werknemers van de S&O-inhoudingsplichtige in die periode aan het speur- en ontwikkelingswerk naar verwachting zullen besteden;

d. het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering met een berekening van dat bedrag.

(…)

Artikel 24

1. De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven, houdt over de periode vermeld in de verklaring een overeenkomstig bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken vast te stellen regels ingerichte administratie bij omtrent de aard, de inhoud, de omvang en de voortgang van het werk dat in de verklaring is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk.

(…)

Artikel 25

(…)

3. Onze Minister van Economische Zaken kan, indien blijkt dat de in artikel 24, eerste lid, bedoelde administratie niet voldoet aan het bij of krachtens dat artikel bepaalde aan de S&O-inhoudingsplichtige een correctie-S&O-verklaring afgeven tot een omvang waarvan onvoldoende aannemelijk is dat speur- en ontwikkelingswerk zoals opgenomen in de S&O-verklaring, is verricht.

(... ) "


De Uitvoeringsregeling S&O-afdrachtvermindering 2006 (Stcrt. 2005, 250, nadien gewijzigd, hierna: Uitvoeringsregeling) bepaalt voor zover hier van belang:

" Artikel 2

1. De S&O-inhoudingsplichtige of de S&O-belastingplichtige die speur- en ontwikkelingswerk verricht waarvoor hij beschikt over een S&O-verklaring voert gedurende de periode waarop de S&O-verklaring betrekking heeft een zodanige administratie dat daaruit op eenvoudige en duidelijke wijze zijn af te leiden:
a. de aard en inhoud van het verrichte speur- en ontwikkelingswerk;

b. op welke dagen door een werknemer van de S&O-inhoudingsplichtige of door de S&O-belastingplichtige speur- en ontwikkelingswerk is verricht, en om hoeveel uur het per dag ging;

c. de voortgang van het verrichte speur- en onwikkelingswerk.

2. De S&O-inhoudingsplichtige of de S&O-belastingplichtige houdt de administratie zodanig bij dat deze binnen twee maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin het speur- en ontwikkelingswerk is verricht, beschikbaar is voor controle.
(…)"

De Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk 1997 (Stcrt. 1996, 248, nadien gewijzigd) bepaalt voor zover hier van belang:

"Artikel 1

Tot speur- en ontwikkelingswerk worden niet gerekend:

(…)

o. werkzaamheden, door de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige verricht ten behoeve van door een ander verricht speur- en ontwikkelingswerk, die op zich zelf niet zijn aan te merken als speur- en ontwikkelingswerk;

(…)"

2. Appellante heeft voor het jaar 2010 S&O-verklaringen aangevraagd voor een vijftal projecten: 2009-01-01 “Ontwikkeling technisch nieuwe vaatwaslijn voor grootkeukens”, 2009-01-02 “Ontwikkeling nieuwe dispenser voor sanitaire disposables”, 2009-01-03 “Ontwikkeling van een reinigingsinstallatie voor groot keukens”2009-02-01 “Ontwikkeling Whizzo” en 2010-1-1 “Ontwikkeling nieuwe oplaadbare batterij”.

3. Bij beschikkingen van 25 januari 2010 en 20 juli 2010 zijn aan appellante S&O-verklaringen voor 2010 afgegeven waarbij – in totaal – de voor onder 2 genoemde projecten de aangevraagde 1200 uren zijn toegekend.


Op 19 en 22 juli 2011 hebben controlebezoeken bij appellante plaatsgevonden. De bevindingen van dit bezoek zijn neergelegd in Rapport Controle WBSO van 27 juli 2011. Naar aanleiding van deze rapportage heeft verweerder de afgegeven S&O-verklaringen 2010 gecorrigeerd tot nihil. Bij beschikking van 30 januari 2011 heeft verweerder naar aanleiding van het bezwaar van appellante een aanvullende S&O-verklaring afgegeven voor 176 uren, te weten 25% van de gerealiseerde uren voor project 2009-01-01, voor de overige projecten heeft verweerder de correctie tot nihil gehandhaafd.

4. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht na heroverweging in bezwaar een correctie S&O-verklaring 2010 heeft afgegeven voor 75% van de aangevraagde uren voor project 2009-01-01 “Ontwikkeling technisch nieuwe vaatwaslijn voor grootkeukens” en voor de overige projecten de eerder tot nihil gecorrigeerde S&O verklaringen heeft gehandhaafd. Door de correctie S&O verklaring voor het project 2009-01-01 rest appellante een S&O omvang van 176 uren.

5. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de S&O-administratie van appellante niet op eenvoudige en duidelijke wijze de aard, de inhoud, de omvang en de voortgang van het door appellante verrichte S&O-werk is af te leiden. Verweerder heeft hierbij opgemerkt dat uit de administratie niet is vast te stellen welke specifieke werkzaamheden de heer [naam 1], de enige werknemer van appellante, heeft verricht. Zeker ingeval dat er sprake is van samenwerking met een ander bedrijf, zoals in dit geval met de werkmaatschappij Savon BV, dient uit de – gezamenlijke – administratie goed te blijken welke S&O-werkzaamheden zijn verricht door (de werknemer van) appellante.

Alleen voor wat betreft project 2009-01-01 valt uit de administratie voor een zeer beperkt deel de aard, inhoud en voortgang van S&O-werkzaamheden van de heer [naam 1] te achterhalen. De schetsen en aantekeningen zijn eveneens ongedateerd maar in de context van de door [naam 1] verzonden e-mail van 12 augustus 2010 acht verweerder het aannemelijk dat uit deze stukken de technische inbreng van [naam 1] kan worden afgeleid. Nu slechts een zeer beperkt deel van de door appellante gevraagde S&O-uren aannemelijk zijn geworden heeft verweerder de S&O verklaring gecorrigeerd voor 75% van de aangevraagde uren. Ten aanzien van de overige projecten geldt dat de administratie slechts aantoont dat er werkzaamheden zijn verricht die niet zijn aan te merken als speur- en ontwikkelingswerk in de zin van de WVA.

6. Appellante stelt dat de door de heer [naam 1] verantwoorde S&O-uren voor het jaar 2010 correct zijn geboekt en betrekking hebben op S&O-werkzaamheden. Uit de combinatie van de urenverantwoording en de administraties van de verscheidene projecten kunnen de aard, inhoud en voortgang van de door [naam 1] verrichte en verantwoorde S&O-werkzaamheden worden opgemaakt.
Voorts blijkt uit de door het Europese octrooibureau opgestelde nieuwheidsrapporten dat de uitvindingen van V-Max BV/Savon BV – de ontwikkeling van de technisch nieuwe vaatwaslijn – voldoet aan de vereisten van nieuwheid, inventiviteit en industriële toepasbaarheid.
Tijdens de bezoeken van verweerder heeft appellante aangeboden de innovatieve producten te laten zien. Deze produkten zijn tot stand gekomen, er zijn S&O-werkzaamheden verricht en voor zover er administratieve onduidelijkheid zou bestaan of deze werkzaamheden door V-Max of Savon BV zijn verricht, staat in ieder geval buiten twijfel dat deze werkzaamheden dan wel door V-Max dan wel door Savon BV zijn verricht. Het is appellante volstrekt onduidelijk waarom slechts 25% van de gerealiseerde uren is toegekend.

Ook voor de overige projecten – met uitzondering van project nieuwe ontwikkeling oplaadbare batterij – geldt dat de werkzaamheden zijn te kwalificeren als S&O-werkzaamheden.

Subsidiair stelt appellante zich op het standpunt dat nu zij dezelfde administratie voert als Savon BV en deze administratie door verweerder, volgens haar eerder is goedgekeurd, er voor de correctie door verweerder geen grond is aangezien appellante het gerechtvaardigde vertrouwen mocht hebben dat de gevoerde S&O-administratie in zijn geheel akkoord was en overeenkomstig het bepaalde in de WVA door haar werd bijgehouden.
Tot slot stelt appellante dat de bestreden beschikking geen stand kan houden nu deze niet deugdelijk is gemotiveerd.

7. Het College overweegt het volgende.

7.1

In het kader van artikel 24 Wva dient verweerder te toetsen of de administratie van de S&O-inhoudingsplichtige voldoet aan bepaalde eisen (administratietoets). In het kader van artikel 25 Vwa dient verweerder te toetsen of de omvang van het speur-en ontwikkelingswerk zoals opgenomen in de S&O-verklaring voldoende aannemelijk is (aannemelijkheidstoets).

Uit het bepaalde in artikel 25, derde lid, Wva volgt, dat voorwaarde voor de uitoefening van de daarin gegeven bevoegdheid tot het afgeven van een correctie-S&O-verklaring is, dat allereerst moet zijn vastgesteld dat aan het bepaalde bij of krachtens artikel 24, eerste lid, Wva niet is voldaan.

Onderzocht moet dus worden of verweerder terecht heeft geoordeeld dat de administratie van appellante niet voldoet aan de hier van toepassing zijnde wettelijke eisen.

7.2

De door appellante in beroep overgelegde administratie voor het jaar 2010 bevat onder meer besprekingsverslagen, tekeningen, schetsen, aantekeningen, e-mailberichten en documenten met technische specificaties van V-Max en Savon BV. Hoewel een S&O-administratie op zichzelf kan bestaan uit deze stukken, dient hieruit wel, op grond van artikel 24, lid 1 WVa, jo artikel 2, lid 1, Uitvoeringsregeling, op eenvoudige en duidelijke wijze aard, inhoud, omvang en voortgang van het S&O-werk van iedere S&O-inhoudingsplichtige afzonderlijk af te leiden te zijn. Met verweerder is het College van oordeel dat uit de door appellante overgelegde stukken niet, althans onvoldoende, is vast te stellen welk gedeelte van deze werkzaamheden als het S&O-werk is aan te merken waarvoor verweerder appellante een S&O-verklaring heeft gegeven.

Verweerder heeft derhalve terecht geoordeeld dat appellante in strijd heeft gehandeld met artikel 24, lid 1, WVa.

7.3.

Verweerder was derhalve bevoegd om op grond van artikel 25, lid 3 van de WVa een correctie S&O verklaring af te geven. Ten aanzien van de omvang van de correctie overweegt het College als volgt.

Het College stelt voorop dat, gelet op de aard en de bewoordingen van dit wettelijk criterium, aan verweerder bij de toepassing van deze bepaling een grote beoordelingsruimte toekomt. Blijkens vaste jurisprudentie van het College (zie onder meer de uitspraak van 19 december 2013, ECLI:NL:CBB:2013:320) overschrijdt verweerder de grenzen van die ruimte in beginsel niet door, mede in verband met het zeer grote aantal aanvragen dat jaarlijks beoordeeld moet worden en de daarbij gegeven noodzaak van een hanteerbaar controlesysteem, aan het begrip "onvoldoende aannemelijk" een ruime uitleg te geven en door dus bij deze toets zeer terughoudend te zijn in het aannemen dat S&O-werk daadwerkelijk is verricht. Het ligt voorts op de weg van de aanvrager om, indien hij meent dat verweerders beoordeling op dit punt geen stand kan houden, dit aan de hand van andere feiten en omstandigheden en eventueel verdere administratie, aannemelijk te maken.

Verweerder heeft in het bestreden besluit uiteengezet op grond waarvan voor project 2009-01-01 een correctie S&O-verklaring is afgegeven van 75% van de aangevraagde uren op dit project. Met verweerder is het College van oordeel dat met een aantal tekeningen/schetsen in combinatie met de benoemde e-mail slechts een beperkt deel van de S&O-uren van dit project aan appellante zijn toe te rekenen. De voorbeelden van de uren die appellante in het beroepschrift alsnog geeft, van de urenverantwoording van de heer [naam 1] in combinatie met de projectadministratie, beslaan in totaal 27 uren. Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat deze uren niet reeds door verweerder zijn meegenomen in de niet gecorrigeerde 25% van de S&O verklaring (zijnde de 176 uren), en appellante heeft naar het oordeel van het College evenmin aannemelijk gemaakt dat er voor meer dan 176 uren verantwoording in de administratie bestaat. Op grond hiervan acht het College de correctie van de S&O verklaring van verweerder niet onredelijk.

8. De stelling van appellante dat Savon BV (zie zaak Awb 13/10 waarin het College heden ook uitspraak heeft gedaan) een dochteronderneming is van appellante en zij een gezamenlijke administratie voeren maakt niet dat verweerder van de correctie S&O -verklaring behoefde af te zien. Immers, appellante en Savon BV hebben separaat S&O verklaringen aangevraagd en voor beide inhoudingsplichtigen gelden de wettelijke eisen omtrent de administratie van de door hen aangevraagde projecten en de aannemelijkheid van de door hen uitgevoerde werkzaamheden. Ingevolge de onder 1 geciteerde wettelijke bepalingen in onderling verband bezien, gaat het om het op eenvoudige en duidelijke wijze aantonen van de aard, inhoud, omvang en voortgang de S&O-werkzaamheden van ieder der inhoudingsplichtigen afzonderlijk. Het standpunt van appellante dat als er administratieve onduidelijkheid zou bestaan dan in ieder geval buiten twijfel staat dat óf appellante óf Savon BV de werkzaamheden heeft verricht, miskent het uitgangspunt van de wettelijke bepalingen en de systematiek ervan. Het op dit punt door appellante ontwikkelde betoog van appellante slaagt derhalve niet.

9. De stelling van appellante dat de heer [naam 2] bij de bedrijfsbezoeken gezegd zou hebben dat de administratie van appellante geen onregelmatigheden vertoont en de gestelde omstandigheid dat de administratie van Savon BV eerder goedgekeurd is geweest, leiden – wat daar ook van zij - niet tot de door appellante gewenste uitkomst. Daaruit blijkt immers niet dat de S&O-werkzaamheden van appellante op eenvoudige en duidelijke wijze kunnen worden afgeleid uit haar administratie. Dat een door appellante ingediende octrooiaanvraag voor dit project, naar haar zeggen, zal worden goedgekeurd zegt evenmin iets over de aard en inhoud van de verrichte werkzaamheden en door wie deze zijn verricht in 2010. Het betoog van appellante in dit kader slaagt derhalve niet.

10. Gelet op al het vorenoverwogene concludeert het College dan ook tot ongegrondverklaring van het beroep. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. H.A.B. van Dorst- Tatomir en mr. mr. H.A.A.G. Vermeulen in aanwezigheid van mr. L.C. Bannink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2014.

w.g. R.R. Winter w.g. L.C. Bannink