Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:500

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
12-02-2015
Zaaknummer
AWB 13/388
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regeling LNV-subsidies, onderdeel Integraal duurzame stallen en houderijsystemen

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/388

5101

Uitspraak van de meervoudige kamer van 24 december 2014 in de zaak tussen

Vennootschap onder firma [naam 1], te [plaats], appellante

(gemachtigde: H.J.M. Antonissen),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J. den Haan).

Procesverloop

Bij besluit gedateerd 1 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante om subsidie in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun, onderdeel Integraal duurzame stallen en houderijsystemen (de Regeling), gedeeltelijk goedgekeurd en bepaald dat maximaal € 181.153,- wordt vergoed voor de te maken kosten.

Bij besluit van 12 april 2013 heeft verweerder het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.


Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2014. Partijen waren vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Voor appellante waren tevens aanwezig [naam 2] en [naam 3].

Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst ten einde verweerder in de gelegenheid te stellen het besluit van 12 april 2013 te heroverwegen aan de hand van nadere gegevens van appellante met betrekking tot de meerkosten van de door haar te bouwen stal.

Bij besluit van 1 juli 2014 heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist. Het bezwaar is andermaal ongegrond verklaard.

Desgevraagd heeft appellante een reactie gegeven op het nieuwe besluit van 1 juli 2014, en heeft verweerder een (nader) verweerschrift ingediend.

Op grond van de daartoe van partijen verkregen toestemming heeft het College een nadere zitting achterwege gelaten. Vervolgens heeft het College het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Appellante heeft op 29 augustus 2012 een aanvraag om subsidie in het kader van de Regeling ingediend. De aanvraag heeft betrekking op een investering in een nieuw te bouwen integraal duurzame ligboxenstal voor 130 melkkoeien en 60 stuks jongvee. De totale investeringskosten zijn begroot op € 1.071.359,-. De meerkosten van deze stal vergeleken met een traditionele “normstal” zijn begroot op € 544.668,-. In het investeringsplan is gedetailleerd uiteengezet in hoeverre de nieuwe stal bijdraagt aan het verbeteren van dierenwelzijn en de integrale duurzaamheid.

2. De aanvragen die in het kader van de Regeling zijn ingediend zijn beoordeeld via een zogenoemd tendersysteem. Een tendersysteem houdt in dat alle ingediende aanvragen na ommekomst van het aanvraagtijdvak ten opzichte van elkaar inhoudelijk worden vergeleken en vervolgens in een rangorde worden geplaatst, in het licht van het doel van de subsidie.

3. Verweerder heeft bij het primaire besluit de aanvraag gedeeltelijk goedgekeurd en een bedrag van maximaal € 181.153,- toegekend voor de investering. In een bijlage bij het besluit is dit bedrag toegelicht. Het toegekende subsidiebedrag is 45% van de subsidiabele kosten, waarmee is bedoeld het verschil tussen de subsidiabele investeringskosten van deze stal en de kosten van een “normstal”. Dit besluit is ook na bezwaar gehandhaafd, wat betekent dat verweerder niet bereid is gebleken om het toegekende subsidiebedrag te verhogen.

4. Appellante kan zich met het toegekende bedrag niet verenigen, kort gezegd omdat verweerder bij de vaststelling van het normbedrag van € 3.500,- per dierplaats, dat dient als uitgangspunt voor het bepalen van de meerkosten van een integraal duurzame stal, is uitgegaan van een traditionele stal met een bovenbouw van stalen spanten, gordingen, golfplaten en gemetselde zijwanden en kopgevels. Appellante heeft echter gekozen voor een relatief goedkope serrestal, afgedekt met transparant foliedoek. Het verschil in kosten tussen een “normstal” en een integraal duurzame stal is in appellantes geval dus groter dan verweerder heeft aangenomen. Doordat verweerder de door appellante gekozen variant niet erkent loopt appellante 45% van € 65.000,- aan subsidie mis. Het is niet rechtvaardig om met een inmiddels verouderde KWIN-norm (KWIN staat voor “Kwalitatieve Informatie voor de Veehouderij”) van uitsluitend traditionele stallen te blijven werken. Verweerder dient maatwerk te leveren bij de subsidieverlening. In de Regeling voor 2013-2014 is de serrestal wel apart genoemd als KWIN-norm met een bijpassend lager investeringsbedrag per dierplaats.

5. Het standpunt van verweerder berust op de volgende overwegingen.
De binnengekomen aanvragen zijn door een onafhankelijke commissie beoordeeld. Om versnippering in de beoordeling tegen te gaan, heeft de commissie op advies van deskundigen besloten om slechts enkele staltypen voor melkvee van de lijst van KWIN (ontwikkeld door de Landbouwuniversiteit te Wageningen) als normstal te hanteren. Hiermee is (mede) beoogd om de meerkosten ten opzichte van een gangbare, reguliere investering op een doorzichtige en geobjectiveerde manier te kunnen berekenen. In het geval van appellante is als normstal een ligboxenstal met roostervloer en zes maanden mestopslag gebruikt. Appellante heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om reeds bij de indiening van de aanvraag de normkosten te onderbouwen met offertes voor een traditionele stal. Met de offerte die na de zitting van het College is overgelegd kan geen rekening worden gehouden. Wijzigingen of aanvullingen zijn na de aanvraagperiode niet toegestaan, gelet op het beperkte budget en het tendermatige karakter van de budgetverdeling, waarbij de ingediende aanvragen onderling worden vergeleken. Niet gebleken is dat appellante de gelegenheid is onthouden om nadere informatie te overleggen. Bij de behandeling van het bezwaar is uitsluitend geconstateerd dat bij de aanvraag geen standaardoffertes zijn ingediend voor een normstal.

6. Het College stelt voorop dat verweerders nieuwe besluit van 1 juli 2014 op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede bij de beoordeling wordt betrokken. Nu dit besluit dient ter vervanging van (de motivering van) het eerdere besluit van 12 april 2013, moet worden aangenomen dat appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling van laatstgenoemd besluit. Het beroep zal, voor zover het nog tegen dat besluit is gericht, dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

7. De Regeling luidde ten tijde en voor zover van belang:

“Artikel 28

In deze paragraaf wordt verstaan onder integraal duurzame stal of houderijsysteem: stal of houderijsysteem dat voldoet aan bovenwettelijke normen op het gebied van dierenwelzijn en minimaal voldoet aan wettelijke normen op de gebieden: milieu, energie, diergezondheid, landschappelijke inpasbaarheid en arbeidsomstandigheden.

Artikel 29

De minister verstrekt op aanvraag steun aan melkvee-, (…) of konijnenhouders voor:

A. de bouw van een integraal duurzame stal of houderijsysteem,
(…)
6. Het steunplafond voor betalingen op grond van het eerste lid bedraagt voor aanvragen tot steunverlening die zijn gedaan in de periode van 15 juli 2012 tot en met 31 augustus 2012 € 13.125.000 (…)

Artikel 33

In aanmerking komende kosten zijn de meerkosten van investeringen in:

de bouw of inrichting van integraal duurzame en diervriendelijke stallen en houderijsystemen (…)”

8. Het geschil spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of verweerder bij de berekening van de subsidiabele meerkosten van appellantes investering terecht geen rekening heeft willen houden met de relatief lage kosten van een serrestal afgedekt met folie, vergeleken met een traditionele ligboxenstal.

9. Verweerder heeft de subsidiabele kosten van het project berekend op basis van de door appellante bij de aanvraag overgelegde gegevens. Daarbij zijn de kosten van de door appellante te realiseren integraal duurzame stal (voor zover subsidiabel) vergeleken met de normkosten, dat wil zeggen de kosten van een normstal. Appellante heeft in de aanvraag de kosten van een normstal begroot op een bedrag van € 545.911,- (€ 4.199,- per dierplaats). Dit bedrag heeft appellante gebaseerd op de KWIN 2010-2011. Bij de aanvraag was geen offerte voor een normstal gevoegd, hoewel het een aanvrager van subsidie is toegestaan de kosten van een normstal met eigen offertes te onderbouwen.

Verweerder heeft de beoordeling van alle ingekomen aanvragen opgedragen aan een beoordelingscommissie. Deze commissie heeft beoordeeld in hoeverre de voorgenomen investering bijdraagt aan het doel van de Regeling. Aan de hand van deze beoordeling is het subsidiebedrag berekend. In het geval van appellante is voor de berekening van de kosten van een norminvestering gebruik gemaakt van de KWIN-norm voor de in aanmerking genomen normstal: een traditionele ligboxenstal met zes maanden mestopslag (€ 3.500,- per dierplaats). Dit normbedrag wijkt in voor appellante positieve zin af van het bedrag van
€ 4.199,- dat zij zelf in de aanvraag had opgegeven als kosten van de normstal.

10. ​ Hetgeen appellante bepleit komt er op neer dat het subsidiebedrag zou moeten worden verhoogd op basis van nieuwe gegevens - een nadere offerte waaruit zou blijken dat de in aanmerking genomen normkosten (voor de normstal) lager hadden moeten worden
vastgesteld - die pas na de sluiting van de aanvraagtermijn en de beoordeling van soortgelijke andere aanvragen beschikbaar zijn gekomen. Het gaat daarbij, gelet op de door appellante alsnog ingediende offerte, om een nadere onderbouwing van de (meer)kosten van het project, uitgaande van de kosten van een andere stal dan de normstal; appellante heeft immers een offerte ingediend waaruit de (norm)kosten zouden blijken van een stal met traditionele onderbouw, maar met een bovenbouw met foliekleed. Dit betekent dat appellante alsnog de keuze van de voor haar in aanmerking genomen normstal, zijnde een traditionele stal als hiervoor aangegeven, ter discussie wil stellen. Een dergelijke wijziging is naar het oordeel van het College wezenlijk van aard. Omdat uit de aard van het tendersysteem voortvloeit dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn voor subsidie alle voor de beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overgelegd, kan daarna geen rekening worden gehouden met informatie die neerkomt op een wijziging van de berekening van de subsidiabele meerkosten door het alsnog in aanmerking nemen van de kosten van een stal die niet een normstal is. Het College is, gelet op de motivering in het naar aanleiding van de tussenuitspraak genomen besluit, bij nader inzien van oordeel dat verweerder reeds op grond hiervan bij het besluit van
1 juli 2014 terecht tot de conclusie is gekomen dat voor aanpassing van het normbedrag en van de meerkosten (en daarmee een verhoging van het subsidiebedrag) geen plaats is.

11. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep tegen het besluit van 1 juli 2014 ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 12 april 2013 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 1 juli 2014 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, mr. H. Bolt en mr. A.B.J. van der Ham, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. C.M. Leliveld