Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:498

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
09-02-2015
Zaaknummer
AWB 13/340
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling LNV-subsidies, onderdeel Integraal duurzame stallen en houderijsystemen, melkrobots

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/340

5101

Uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juni 2014 in de zaak tussen

Vennootschap onder firma [naam 1], te [plaats], appellante

(gemachtigde: [naam 2]),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman).

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2012 heeft verweerder de aan appellante verleende subsidie in het kader van de Regeling LNV-subsidies, onderdeel Integraal duurzame stallen en houderijsystemen 2010 (hierna: de Regeling), vastgesteld op € 99.768,-.

Bij besluit van 3 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard en de subsidie alsnog vastgesteld op € 100.085,-.


Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2014. Voor appellante zijn verschenen: [naam 3], [naam 4], alsmede haar gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De aanvraag van appellante om verlening van subsidie op grond van de Regeling heeft onder meer betrekking op een investering van € 210.000,- ten behoeve van de aanschaf van twee melkrobots. Op grond van deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 28 januari 2011 aan appellante subsidie toegekend tot een bedrag van maximaal € 108.778,-. Bij brief van
19 september 2011 heeft appellante verweerder meegedeeld dat zij, wegens de in dat jaar bestaande mogelijkheid tot versnelde afschrijving van investeringen, eind december 2010 een melkrobot heeft gekocht en aanbetaald. Aankoop en aanbetaling van deze melkrobot zijn gedaan minder dan één maand vóór het besluit tot verlening van subsidie. Appellante heeft om die reden verzocht deze investering mee te mogen nemen in het kader van de verleende subsidie. Verweerder heeft hierop bij emailbericht van 26 september 2011 geantwoord dat de gekochte melkrobot niet subsidiabel is omdat de activiteit (de aanschaf) heeft plaatsgevonden vóór het besluit tot subsidieverlening. Op 8 mei 2012 heeft appellante verzocht om verlenging van de termijn voor de realisatie van haar project. Verweerder heeft bij besluit van 5 juni 2012 dit verzoek gehonoreerd en de einddatum van het project gewijzigd naar 30 september 2012. Appellante heeft vervolgens op 17 oktober 2012 verzocht om vaststelling van de verleende subsidie in het kader van de Regeling, waarbij zij een nota voor twee Delaval Melkrobots VMS heeft overgelegd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn in het besluit van 19 november 2012 neergelegde opvatting gehandhaafd dat slechts de aanschaf van één van de twee geplaatste melkrobots subsidiabel is. De eerste melkrobot is op grond van artikel 1:2, tweede lid, van de Regeling niet subsidiabel omdat deze is gekocht vóór het besluit tot verlening van de subsidie, en de aanschaf van één van de twee Delaval robots moet worden gezien als een vervangingsinvestering, waarvoor geen subsidie kan worden verstrekt.

2. In geschil is of verweerder terecht slechts één van de twee door appellante geplaatste melkrobots voor subsidie in aanmerking heeft gebracht, omdat appellante in strijd met het in artikel 1:2 van de Regeling bepaalde al vóór de subsidieverlening tot aankoop van een melkrobot was overgegaan en één van de twee nadien aangeschafte melkrobots een vervangingsinvestering betreft.

3. De Regeling luidde ten tijde en voor zover van belang:

“Artikel 1:2. Subsidiabele activiteiten

1. Op grond van deze regeling (http://wetten.overheid.nl/BWBR0021281/Hoofdstuk1/Artikel12/geldigheidsdatum_15-10-2010) kan op aanvraag door de Minister subsidie worden verstrekt voor de uitvoering van activiteiten in Nederland die bijdragen aan:

a. de verbetering van het concurrentievermogen van de landbouwsector, bosbouwsector of visserijsector;

b. het behoud of de verbetering van de natuur en het landelijk en cultureel erfgoed, de ontwikkeling van landschapskwaliteit dan wel bevordering van kennis en deskundigheid op het gebied van de recreatie, of

c. een duurzame exploitatie van de levende aquatische rijkdommen en een duurzame aquacultuur;

d. het landbouwonderwijs en onderzoek op het terrein van de landbouw, de bosbouw, de natuur, het landschap, de visserij en de openluchtrecreatie.

2. Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt voor activiteiten die zijn aangevangen op of na de subsidieverlening.

(…)


Artikel 2:2. Niet-subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1:15 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0021281/Hoofdstuk1/Artikel115/geldigheidsdatum_15-10-2010), komen de volgende kosten niet in aanmerking voor subsidie op grond van dit hoofdstuk:

a. (…);

b. vervangingsinvesteringen;

(…)”

Het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010 luidde ten tijde en voor zover van belang:

“ Artikel 43c

1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in een integraal duurzame stal of houderijsysteem als bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 4, punt A, van de (http://wetten.overheid.nl/BWBR0021281/Bijlage2/geldigheidsdatum_15-10-2010)regeling (http://wetten.overheid.nl/BWBR0026543/tekst_bevat_openstellingsbesluit%2Bregeling%2BLNV-subsidies%2B2010/geldigheidsdatum_15-10-2010) kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen die werkzaam zijn in de melkvee-, (…) of konijnenhouderij.

2. De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 15 september tot en met
15 oktober 2010 (http://wetten.overheid.nl/BWBR0026543/tekst_bevat_openstellingsbesluit%2Bregeling%2BLNV-subsidies%2B2010/geldigheidsdatum_15-10-2010).”

4.1

Appellante betoogt dat verweerder bij de vaststelling van het subsidiebedrag ten onrechte slechts één van de twee geplaatste melkrobots subsidiabel heeft geacht. Zij heeft de koop van de eerste melkrobot, nog voordat deze was geplaatst, ongedaan gemaakt. Ook voor de Belastingdienst is de investering die in 2010 fiscaal was opgevoerd alsnog ongedaan gemaakt. Vervolgens heeft appellante de twee in de aanvraag bedoelde melkrobots gekocht en laten plaatsen. De melkrobot, waarvan de koop ongedaan is gemaakt, was niet van het model dat in de aanvraag was bedoeld en bood ook niet de mogelijkheden die appellante wenste. De twee geplaatste melkrobots, bedoeld in de aanvraag voor subsidie, zijn van een ander, nieuwer type met een betere werking dan de eerste melkrobot. Zij bieden diverse extra functies ten opzichte van het eerst gekochte, oudere type, en zijn bijvoorbeeld in staat onderling te communiceren en de landbouwer van informatie te voorzien, wat het oudere type niet in die mate kon. Het is ook niet zo dat één van de twee geplaatste melkrobots zou moeten worden gezien als een vervangingsinvestering, namelijk ter vervanging van de eerste gekochte melkrobot, waarvan vervolgens de koop ongedaan is gemaakt. Die eerste melkrobot is nooit geplaatst en in bedrijf geweest. Ook wijst appellante er op dat de eerste melkrobot niet identiek of nagenoeg identiek was aan de twee geplaatste robots. De aanschaf van de twee geplaatste melkrobots was een investering in een kwalitatief beter product die appellante zonder subsidie niet zou hebben gedaan. Dit blijkt ook uit de prijs van het nieuwe type melkrobot die per stuk € 105.000,- bedraagt, terwijl het oudere type € 95.000,- per stuk kostte. Ook hieruit volgt dat het nieuwe type anders is en meer kwaliteiten heeft dan de eerste gekochte melkrobot, waarvan de koop ongedaan is gemaakt.

4.2

Verweerder stelt dat het uitgangspunt bij subsidieverstrekking is dat de subsidieontvanger door de subsidie wordt gestimuleerd tot een activiteit die hij nog niet heeft ontwikkeld. Met het oog hierop is in artikel 1:2, tweede lid, van de Regeling bepaald dat subsidie uitsluitend kan worden verstrekt voor activiteiten die zijn aangevangen op of na de subsidieverlening. Eind december 2010 heeft appellante de eerste melkrobot aangeschaft, terwijl er nog niet was beslist op haar subsidieaanvraag die onder meer de aanschaf van twee melkrobots betrof. Tijdens de hoorzitting heeft appellante hiervoor als beweegredenen genoemd dat het voor haar nog niet helder was of de financiering bij de bank rond zou komen, dat er fiscale redenen waren om nog in 2010 een melkrobot aan te schaffen, en dat nog niet bekend was of de subsidieaanvraag zou worden gehonoreerd. Deze omstandigheden vormen echter geen reden om een uitzondering te maken op artikel 1:2, tweede lid, van de Regeling. Dat appellante heeft besloten tot inruil van de robot en aanschaf van een ander type met meer mogelijkheden en een hogere prijs maakt dit niet anders. Ook al zit er enig verschil tussen de twee types melkrobots, het blijft volgens verweerder een vervangingsinvestering. Er wordt immers een bestaande installatie ingeruild zonder dat de technologie fundamenteel wordt gewijzigd. De oude installatie is nauwelijks in gebruik geweest en is slechts voor een zeer beperkt deel afgeschreven. Gelet op artikel 2:2, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling komen de kosten voor een vervangingsinvestering niet voor subsidie in aanmerking.
Verweerder stelt bovendien dat de inruil van de melkrobot voor een belangrijk deel is ingegeven door de wens om alsnog voor subsidie voor de te vroeg aangekochte melkrobot in aanmerking te komen. Ook om die reden kan voor de betreffende melkrobot geen subsidie worden verstrekt.

4.3

Het College overweegt als volgt. Door verweerder worden de door appellante gestelde feiten niet betwist, te weten dat de koop van de eerste melkrobot met instemming van de verkoper ongedaan is gemaakt en dat zij vervolgens bij die verkoper de twee melkrobots heeft gekocht die in de aanvraag voor subsidie waren opgenomen. De eerste melkrobot, waarvan de koop ongedaan is gemaakt, is niet geplaatst; de twee in de aanvraag bedoelde melkrobots zijn wel geplaatst. Ander dan verweerder is het College van oordeel dat, uitgaande van deze, door appellante gestelde en niet door verweerder betwiste feiten, niet kan worden gesteld dat de aanschaf van één van de twee Delaval Melkrobots VMS moet worden gezien als een vervangingsinvestering, nu de eerste melkrobot niet daadwerkelijk is geleverd en geplaatst. Voorts ziet het College geen aanleiding voor het oordeel dat het bepaalde in artikel 1:2, tweede lid, van de Regeling met zich brengt dat de aanschaf van één van de twee in de aanvraag bedoelde melkrobots niet subsidiabel is. De omstandigheid dat appellante in 2010 op grond van fiscale overwegingen een melkrobot heeft gekocht, leidt het College niet tot een ander oordeel, nu die koop met instemming van de verkoper en tegenover de Belastingdienst ongedaan is gemaakt. Appellante heeft een aanvraag voor subsidie gedaan waarin zij onder meer subsidie heeft gevraagd ten behoeve van de aanschaf van twee Delaval Melkrobots VMS. Die aanvraag is toegewezen. Appellante heeft de twee in de aanvraag bedoelde melkrobots aangeschaft en laten plaatsen. Daarmee heeft zij invulling gegeven aan de door haar gedane subsidieaanvraag en is tevens invulling gegeven aan de doeleinden met het oog waarop aan appellante de door haar aangevraagde subsidie is toegekend. Het bestreden besluit kan derhalve niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde onderbouwing.

4.4

Het beroep van appellante slaagt. Het College zal niet zelf de subsidie vaststellen, omdat het de berekening die daarvoor moet worden gemaakt niet kan maken. Om deze reden zal het College het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.

5. Het College acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door appellante in beroep gemaakte proceskosten. Voor de kosten van verleende rechtsbijstand wordt met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 974,- (beroepschrift, verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) toegekend. Tevens dient het door appellante betaalde griffierecht aan haar te worden vergoed.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beslissing op bezwaar van 3 april 2013;

  • -

    draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 974,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 318,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, mr. H. Bolt en mr. A.B.J. van der Ham, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2014.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. C.M. Leliveld