Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:497

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
21-01-2015
Zaaknummer
AWB 13/351
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accountantstucht. Inventarisatie administratie persoonsgericht onderzoek. Gebruik rapport in gerechtelijke procedures. Adequate reactie op gebruik nadere inventarisatie.

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/351

20150

Uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2014 op het hoger beroep van:

[naam 1], te [plaats], appellant

(gemachtigde: mr. I.D.C.J. van Driel),


tegen de uitspraak van de accountantskamer van 12 april 2013, gegeven op een klacht, op
10 mei 2012 door appellant ingediend tegen

[naam 2] (betrokkene)

(gemachtigde van betrokkene: mr. T.L. Cieremans).


Procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van
12 april 2013, met nummer 12/869 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2013:YH0362).

Betrokkene heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.

Appellant heeft nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2014.

Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Betrokkene is eveneens verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Grondslag van het geschil en uitspraak van de accountantskamer

1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer, die als hier ingelast wordt beschouwd. Het College volstaat met het volgende.

1.2

Betrokkene heeft medio augustus 2009 een opdracht aanvaard van de curator van de op 20 mei 2009 failliet verklaarde vennootschap [naam 3] ([naam 3]), waarvan appellant aandeelhouder en één van de bestuurders was. Betrokkene heeft op 23 september 2009 een rapport uitgebracht, waarin hij zijn bevindingen en conclusies aan de curator heeft meegedeeld.

1.3

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, houdt het volgende in:

“ a. betrokkene heeft bij de aanvaarding en uitvoering van de opdracht niet de benodigde zorgvuldigheidsnormen op grond van de Gedragsrichtlijn inzake persoonsgerichte onderzoeken en of de VGC in acht genomen;

b. betrokkene had waarborgen moeten treffen om te voorkomen dat de curator, in procedures, zonder de toestemming van betrokkene, met het rapport “aan de haal” ging.”

1.4

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in beide onderdelen ongegrond verklaard.

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel heeft de accountantskamer het volgende overwogen:

“ 4.3. Naar het oordeel van de Accountantskamer kan dit betrokkene opgedragen en

door deze uitgevoerde onderzoek niet worden gekwalificeerd als een persoonsgericht onderzoek. Betrokkene heeft immers in zijn - overigens helder - rapport, aan de hand van verifieerbaar opgestelde criteria (paragraaf 2.1 van het rapport), niet meer en niet minder gedaan dan aangegeven welke documentatie hij in de bij de curator aanwezige administratie heeft aangetroffen en daaraan het oordeel verbonden -zakelijk samengevat- dat de bij de curator aanwezige administratie onvoldoende onderbouwing c.q inzicht gaf voor c.q. in de individuele mutaties, in het bijzonder voor zover de bij de curator aanwezige administratie zag op de individuele rekening-courantmutaties en [bedoeld zal zijn: de transacties; CBb] met de drie verbonden vennootschappen.
Betrokkene heeft dan ook zijn rapport, zoals hij heeft gedaan, mogen inrichten en
uitvoeren als assurance-rapport in overeenstemming met NV COS 3000.

Nu in dezen geen sprake is van een persoonsgericht onderzoek, en de Accountantskamer met betrokkene van oordeel is dat voor een deugdelijke beoordeling van de beperkte onderzoeksvraag en verkrijging van voldoende assurance-informatie hoor en wederhoor niet geboden was, kon betrokkene het antwoord op de onderzoeksvraag formuleren, zonder bij het - in het kader daarvan - ingestelde onderzoek het beginsel van hoor en wederhoor toe te passen.”

Ten aanzien van het tweede onderdeel van de klacht heeft de accountantskamer het volgende overwogen:

“ 4.4 Het door betrokkene opgestelde rapport houdt onder 6 “Overige aspecten – beperking in het gebruik en verspreidingkring” onder meer in:

Dit rapport is uitsluitend bestemd voor de curator van BV1 alsmede het gebruik door de curator van [naam 3] in rechtszaken met betrekking tot het faillissement van [naam 3].

4.5.1

De curator mocht dus van de inhoud van het rapport in rechtsgedingen gebruik maken, terwijl de uitvoering als rapportage op de voet van NVCOS 3000 in een dergelijke wijze van gebruik ook voorziet, zoals onder meer weergegeven in paragraaf 49, sub f.

4.5.2

Gesteld noch gebleken is dat betrokkene enige reden had om er aan te twijfelen dat de curator op andere dan correcte wijze het door hem, betrokkene, uitgebrachte rapport in rechtsgedingen zou inzetten. Betrokkene mocht daarvan dan ook uitgaan en behoefde onder die omstandigheden in dat verband geen andere waarborgen te treffen dan hij gedaan had.

4.5.3

De Accountantskamer is voorts van oordeel, dat, gelet op A-110.2 VGC en de omstandigheden van het geval, de brief van 11 mei 2010 van betrokkene een adequate reactie was op de mededeling van de advocaat van klager bij brief van 27 april 2010, dat de curator een onjuist gebruik maakte van het betreffende rapport c.q. de update van 17 maart 2010 van de inventarisatielijsten (…)”

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1

De eerste grief van appellant is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer dat het uitgevoerde onderzoek niet als een persoonsgericht onderzoek kan worden gekwalificeerd. Volgens appellant had betrokkene zijn onderzoek als een persoonsgericht of forensisch onderzoek moeten inrichten. Blijkens zijn rapport (en zijn uitlatingen naar aanleiding van de jegens hem ingediende klacht) wist betrokkene of had hij moeten weten dat zijn onderzoek en rapport zouden zien op het handelen en/of nalaten van de (voormalige) bestuurders van [naam 3] in verband met een mogelijke schending van de informatie- en/of boekhoudplicht.

Het College is met de accountantskamer van oordeel dat de door betrokkene aanvaarde en uitgevoerde opdracht niet strekte tot het beoordelen van het functioneren, handelen of nalaten van een (rechts)persoon. Uit het rapport blijkt duidelijk dat de opdracht slechts behelsde het inventariseren van op een bepaald moment – 18 augustus 2009 – en op een bepaalde plaats
– het kantoor van de curator – “ter beschikking staande (digitale) financiële administratie en daartoe strekkende (administratieve) bescheiden van [naam 3] (…) voor de jaren 2002 – 2009 teneinde inzicht te verschaffen of – zo mogelijk – 1. (delen van) de financiële administratie en/of administratieve bescheiden/gegevens bij de curator ontbreken; 2. de (administratieve) onderbouwing van de individuele mutaties, in het bijzonder voor zover het ziet op de individuele rekening-courantmutaties en individuele (handels)transacties met verbonden vennootschappen, bij de curator ontbreken en of niet het vereiste inzicht verschaffen.” Een onderzoek met die beperkte strekking hoefde betrokkene ook naar het oordeel van het College niet als een persoonsgericht onderzoek in te richten.

Het feit dat het rapport van betrokkene mogelijk zou kunnen worden gebruikt in een procedure waarin appellant en/of zijn medebestuurder(s) voor onjuist handelen en/of nalaten aansprakelijk zouden worden gehouden brengt niet mee dat het onderzoek met de waarborgen van een persoonsgericht onderzoek omkleed diende te worden. In het rapport geeft betrokkene een inschatting van in de administratie ontbrekende informatie aan de hand van hetgeen op basis van de door [naam 3] gehanteerde cijfers kan worden verwacht en hetgeen hij feitelijk op het kantoor van de curator heeft aangetroffen. Over de oorzaak van het ontbreken van informatie of de verwijtbaarheid daarvan laat betrokkene zich in zijn rapport niet uit. De stelling van appellant dat een dergelijk rapport onvermijdelijk antwoord geeft op vragen omtrent schending van de boekhoudplicht of mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid onderschrijft het College niet. De omstandigheid dat het voor betrokkene voorzienbaar was dat de curator appellant en/of zijn medebestuurder(s) mogelijk op bestuurdersaansprakelijkheid zou aanspreken doet aan het vorenstaande niet af.

2.2

De tweede grief van appellant houdt in dat de accountantskamer zijn klachten niet juist heeft weergegeven en niet heeft behandeld. Er is volgens appellant niet ingegaan op zijn klacht dat betrokkene bij zowel de aanvaarding als de uitvoering van de opdracht onzorgvuldig heeft gehandeld, al dan niet ook op grond van de Gedragsrichtlijn Persoonsgerichte onderzoeken en/of de VGC. Appellant vindt het onzorgvuldig en klachtwaardig dat betrokkene een ernstige bedreiging voor een deugdelijk onderzoek niet heeft onderkend, noch daarvoor afdoende waarborgen heeft getroffen, doordat hij de bestuurders van [naam 3] niet bij de onderzoeksopdracht heeft betrokken of willen betrekken, terwijl de curator evident beoogde de bestuurders verwijten te kunnen maken ten aanzien van de informatie- en/of administratieplicht.

Het College constateert allereerst dat de accountantskamer blijkens de weergave van de klacht van appellant – hierboven geciteerd in rechtsoverweging 1.3 – heeft onderkend dat daarin het verwijt is begrepen dat betrokkene bij de aanvaarding en uitvoering van de opdracht niet de benodigde zorgvuldigheidsnormen in acht heeft genomen. De punten waarop de accountantskamer volgens appellant in de bestreden uitspraak niet of onvoldoende is ingegaan, zijn naar het oordeel van het College niet als zelfstandige klachtonderdelen te beschouwen. Veeleer gaat het om feiten of omstandigheden die appellant aandraagt ter ondersteuning van zijn klacht.

Het College ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat betrokkene, zoals appellant stelt, onvoldoende het risico heeft onderkend dat de curator zou proberen het resultaat van het onderzoek te beïnvloeden door opzettelijk en te kwader trouw slechts een deel van de op het kantoor aanwezige informatie ter inzage te geven. De omstandigheid dat het ten tijde van de opdrachtaanvaarding duidelijk was dat de curator en de bestuurders van [naam 3] van mening verschilden over de volledigheid van de administratie brengt niet mee dat betrokkene de (hoeveelheid) informatie die hem door de curator werd aangedragen kritischer had moeten bezien. De bewering van appellant dat betrokkene zelf de voorzet voor selectieve informatieverstrekking door de curator heeft gegeven door hem daaraan voorafgaand een omschrijving van de naar verwachting aan te treffen administratie te geven, is zonder grond. Voor zover appellant de gestelde misleidende invloed van de curator opmaakt uit de weergave in het rapport van de aanleiding voor het onderzoek overweegt het College dat duidelijk is dat in dit gedeelte van het rapport geen bevindingen en conclusies van betrokkene zijn weergegeven, maar informatie die de opdrachtgever bij aanvang van de opdracht aan betrokkene heeft verstrekt. Gelet op de verstrekte opdracht is er geen aanleiding voor het oordeel dat betrokkene de juistheid van die informatie had behoren te toetsen.

Voor zover het door appellant gemaakte verwijt dat betrokkene het fundamentele beginsel van zorgvuldigheid heeft geschonden, stoelt op de stelling dat het onderzoek zich ook tot het achterhalen van elders aanwezige stukken had moeten uitstrekken en betrokkene in dat verband (mede) de bestuurders van [naam 3] (en de eerder aangestelde curator) bij zijn onderzoek had moeten betrekken, gaat appellant naar het oordeel van het College voorbij aan de beperkte strekking van de onderzoeksvraag aan betrokkene. Betrokkene had niet de opdracht informatie te verzamelen.

Evenmin, en anders dan appellant meent, bestond er voor betrokkene aanleiding om de inhoud en/of conclusies van zijn rapport aan te passen in het licht van na het uitbrengen van het rapport nader door de curator ontvangen gegevens. Uit het rapport van betrokkene blijkt immers dat louter is beoogd de stand van zaken op een bepaalde tijd en plaats weer te geven. De omstandigheid dat op een later moment stukken kennelijk wel aanwezig waren betekent niet dat het onderzoek van betrokkene ondeugdelijk of onzorgvuldig is geweest.

2.3

De derde grief van appellant is gericht tegen het oordeel van de accountantskamer dat betrokkene een adequate reactie heeft gegeven op het onjuiste gebruik van de rapportage(s).

Naar de mening van appellant heeft betrokkene op geen enkele wijze een afdoende waarborg ingebouwd of maatregelen getroffen, ook niet na bij herhaling op het onjuiste gebruik van het rapport te zijn gewezen, om het rapport door de curator niet of niet anders te laten gebruiken dan met het doel om vermoedelijk ontbrekende stukken alsnog te kunnen opvragen bij de vennootschap, hulppersonen, de voormalige curator en/of bestuurders, al of niet in gerechtelijke procedures.

Het verwijt van appellant dat de clausule in het rapport omtrent het gebruik van het rapport niet helder is deelt het College niet. De clausule houdt in dat het rapport uitsluitend is bestemd voor de curator van [naam 3] en door deze gebruikt kan worden in rechtszaken met betrekking tot het faillissement van deze vennootschap. Dat de curator het rapport in die procedures ten bewijze van onjuiste stellingen jegens appellant en/of zijn medebestuurders zou hebben gebruikt en in die procedures (selectief) uit het rapport zou hebben geciteerd, noopte betrokkene, zo hij hiervan op de hoogte was, niet tot nader handelen. In die procedures stond appellant niets in de weg de stellingen van de curator te weerspreken en op mogelijke hiaten in het rapport van betrokkene te wijzen. Niet bestreden is bovendien dat in die procedures het volledige rapport is overgelegd, zodat in die procedures geen misverstand kon bestaan over de inhoud en beperkingen van het rapport.

De brief van 11 mei 2010, die betrokkene aan de curator heeft gezonden nadat appellant hem erop had gewezen dat de curator de na het uitbrengen van het rapport door betrokkene opgestelde nadere inventaris in een procedure zou gebruiken, acht het College met de accountantskamer een adequate reactie.

2.4

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

2.5

De onderstaande beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants, en artikel 39 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J. van Lierop, mr. W.E. Doolaard en
mr. drs. P. Fortuin, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2014.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. C.G.M. van Ede