Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:496

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
21-01-2015
Zaaknummer
AWB 12/364
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

randvoorwaardenkorting, opzet, toezicht en instructies

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2015-01-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/53 met annotatie van D. van der Meijden

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/364

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2014 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats], appellante

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels).

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) een randvoorwaardenkorting van 20% op de aan appellante voor het jaar 2011 te verlenen rechtstreekse betalingen vastgesteld.

Bij besluit van 27 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft de behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een andere procedure.

Het Hof heeft op 27 februari 2014 arrest gewezen in die zaak (C-396/12).

Partijen hebben hun standpunten kenbaar gemaakt naar aanleiding van het arrest.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2014. Partijen zijn hierbij vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellante heeft voor 2011 rechtstreekse betalingen op grond van de Regeling aangevraagd. Op 30 maart 2011 vond een controle plaats op haar bedrijf door de voormalige Algemene Inspectiedienst (AID). Volgens het van de controle opgemaakte rapport reed [naam 3] ([naam 3]) op dat moment in opdracht van [naam 4] ([naam 4]), een medewerker van appellante, mest uit op een perceel bouwland dat behoort tot het bedrijf van appellante. Blijkens het controlerapport werd rundveedrijfmest op niet-emissiearme wijze aangewend met een zogenaamde ketsplaat. [naam 3] heeft desgevraagd verklaard dat hij rundveedrijfmest bovengronds heeft uitgereden op ongeveer 10 ha bouwland. [naam 4] heeft verklaard dat hij [naam 3] heeft gevraagd om hem te helpen met het uitrijden van de mest. Hij heeft dit niet met appellante overlegd. Hij dacht dat het was toegestaan om de drijfmest met een ketsplaat uit te rijden en om de mest vervolgens in een tweede werkgang onder te werken. Appellante beschikt niet over een ontheffing om de mest bovengronds aan te wenden. De vennoten van appellante verkeerden ten tijde van de controle in het buitenland.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellante op grond van de bevindingen bij de controle een korting van 20% opgelegd wegens de opzettelijke niet-naleving van de randvoorwaarde in artikel 5 van het Besluit gebruik meststoffen (Besluit). In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

3.1

Het College stelt voorop dat op grond van de in de bijlage bij het bestreden besluit genoemde communautaire en nationale bepalingen de volledige betaling van de door de landbouwer aangevraagde rechtstreekse landbouwsteun afhankelijk is gesteld van de naleving van regels op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn en eisen inzake een goede landbouw- en milieuconditie. Bij niet-naleving van deze randvoorwaarden wordt het steunbedrag gekort of ingetrokken.

3.2

De randvoorwaarde in artikel 5, eerste lid, van het Besluit verbiedt dierlijke meststoffen te gebruiken op bouwland, tenzij de dierlijke meststoffen emissiearm worden aangewend. Volgens bijlage 1 bij dit besluit dient de mest in het geval van het emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen op bouwland onmiddellijk in de grond te worden gebracht door middel van apparatuur waarmee de mest uitsluitend in sleufjes die geen grotere breedte hebben dan 5 centimeter en die minimaal 5 centimeter diep zijn wordt aangewend, of waarmee de mest in één werkgang wordt aangewend. In het laatste geval wordt de mest met één machine op het grondoppervlak gebracht en ondergewerkt.

4. Het College stelt vast dat niet in geschil is dat op 30 maart 2011 op niet-emissiearme wijze dierlijke mest is uitgereden op een perceel dat behoort tot het bedrijf van appellante. Wel is in geschil of verweerder hiervoor terecht en op goede gronden een randvoorwaardenkorting van 20% heeft opgelegd vanwege de constatering dat appellante de betreffende randvoorwaarde opzettelijk niet heeft nageleefd.

5.1

Appellante stelt in de eerste plaats dat geen sprake is van opzettelijke niet-naleving van de in geding zijnde randvoorwaarde. Gelet op het arrest van het Hof is hiervoor vereist dat appellante zelf opzet verweten kan worden. Haar vennoten verkeerden echter in het buitenland ten tijde van de niet-naleving. Zij waren er niet van op de hoogte dat hun medewerker, [naam 4], opdracht had gegeven om op onjuiste wijze mest uit te rijden. [naam 4] heeft dit niet met hen overlegd en heeft de niet-naleving op eigen initiatief begaan. Zij hebben hierdoor evenmin instructies kunnen geven.
Daarnaast kan onder die omstandigheden de opzet van de medewerker niet aan appellante worden toegerekend. Zij verwijst hiervoor naar de jurisprudentie van het College waarin is geoordeeld dat de opzettelijke niet-naleving van een randvoorwaarde door een loonwerker niet zonder meer kan worden toegerekend aan de landbouwer.

Appellante stelt dat verweerder, gelet op het voorgaande, ten hoogste een randvoorwaarden-korting van 3% had kunnen vaststellen.

5.2

Verweerder heeft zijn standpunt dat sprake is van opzettelijk handelen gemotiveerd door erop te wijzen dat de randvoorwaarde inzake het emissiearm aanwenden van mest langdurig bestendig beleid betreft. Bovendien gaat het om een duidelijke norm en is het aanwenden van mest een actieve handeling. Verder betreft het een aanzienlijke overtreding, nu de mest onjuist is aangewend op 6 ha landbouwgrond. Verweerder heeft hiermee getoetst aan de criteria in artikel 5 van de Beleidsregels normenkader randvoorwaarden GLB (Beleidsregels).

In reactie op het arrest van het Hof heeft verweerder verder gesteld dat uit de feiten blijkt dat appellante tijdens haar verblijf in het buitenland de bedrijfsvoering heeft overgelaten aan haar medewerker zonder dat zij zich ervan heeft vergewist of hij op de hoogte was van de geldende wet- en regelgeving om voor appellante werkzaamheden te kunnen verrichten op haar bedrijf. Evenmin is gebleken van een duidelijke instructie van appellante aan [naam 4] om geen mest uit te (laten) rijden, noch heeft appellante hierop toezicht gehouden. Hierdoor kon de situatie ontstaan dat de medewerker een derde heeft ingeschakeld om met een ketsplaat op niet-emissiearme wijze mest uit te rijden. Onder deze omstandigheden meent verweerder dat appellante welbewust op de koop heeft toegenomen dat op de door haar beheerde – en als subsidiabele grond opgegeven – landbouwgrond overtredingen konden plaatsvinden. Dit rechtvaardigt volgens verweerder de conclusie dat appellante, indien niet opzettelijk, dan toch in ieder geval voorwaardelijk opzettelijk heeft gehandeld bij de niet-naleving van de randvoorwaarde. Hierdoor is voor de betreffende niet-naleving terecht een korting van 20% vastgesteld, aldus verweerder.

5.3

Het College overweegt als volgt. [naam 4] heeft een derde ingeschakeld om mest uit te rijden en heeft hierbij onjuiste instructies gegeven omdat hij de randvoorwaarde niet kende. Hij verkeerde in de veronderstelling dat hij de mest in twee werkgangen mocht aanwenden. [naam 4] is medewerker van appellante en zijn handelen is in dit geval toe te rekenen aan appellante. Het College neemt hierbij in overweging dat het uitrijden van mest op een bedrijf als van appellante tot de normale bedrijfsvoering kan worden gerekend. Dat [naam 4] op eigen initiatief handelde zoals appellante stelt, is naar het oordeel van het College dan ook onvoldoende reden om zijn handelen niet toe te rekenen aan appellante. Dit geldt zeker nu appellante haar medewerker niet de instructie heeft gegeven om geen mest uit te rijden tijdens haar afwezigheid.

5.4

Uit de beantwoording van de derde prejudiciële vraag, weergeven in onderdeel 2 van het van het arrest van het Hof, volgt dat ingeval inbreuk op de vereiste randvoorwaarden is gemaakt door een derde die werkzaamheden in opdracht van een steunontvanger uitvoert, de begunstigde aansprakelijk kan worden gesteld door de keuze van de derde, het op hem uitgeoefende toezicht en de hem gegeven instructies, ongeacht het opzettelijke of nalatige karakter van voornoemde derde. Appellante heeft door tijdens haar verblijf in het buitenland de bedrijfsvoering over te laten aan haar medewerker zonder dat zij zich ervan heeft vergewist of hij op de hoogte was van de geldende wet- en regelgeving om voor appellante werkzaamheden te kunnen verrichten op haar bedrijf, en zonder instructies te geven of toezicht te (laten) houden, welbewust het risico genomen dat op de door haar beheerde - en als subsidiabele grond opgegeven - landbouwgrond overtredingen konden plaatsvinden. Hierdoor kon de situatie ontstaan dat de medewerker van appellante - die zoals gezegd niet op de hoogte bleek te zijn van de geldende regels - op zijn beurt een derde inschakelde om met een ketsplaat op niet-emissiearme wijze mest uit te rijden. Dit levert opzet op. Verweerder heeft daarom terecht aangenomen dat appellante opzettelijk tekort is geschoten in het op de medewerker uitgeoefende toezicht.

5.5

Verweerder is derhalve op juiste gronden tot het oordeel gekomen dat appellante opzettelijk op niet-emissiearme wijze mest heeft laten uitrijden op haar bedrijf.

6.1

Appellante betwijfelt voorts of het controlerapport voldoet aan het bepaalde in artikel 54, eerste lid, onder a, b en c van Verordening (EG) nr. 1122/2009 en ten grondslag kan worden gelegd aan de opgelegde subsidiekorting van 20%.

6.2

Het College overweegt hieromtrent dat uit artikel 54, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 volgt dat een controlerapport een evaluatiegedeelte bevat waarin het belang van de niet-naleving voor elk besluit en/of elke norm in kwestie overeenkomstig artikel 24, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 73/2009 wordt beoordeeld aan de hand van de criteria ‘ernst’, ‘omvang’, ‘permanent karakter’ en ‘herhaling’, met vermelding van welke factoren ook die tot een opwaartse of neerwaartse bijstelling van de toe te passen verlaging zouden moeten leiden. Met appellante is het College van oordeel dat hetgeen in het controlerapport is vermeld enigszins summier is. Dit schiet echter niet zodanig tekort dat het rapport niet zou voldoen aan de daaraan te stellen eisen: in het rapport is in voldoende mate weergegeven welk belang verweerder hecht aan de niet-naleving. Bovendien is in het rapport uitdrukkelijk vermeld dat er geen verlichtende of verzwarende omstandigheden zijn.

7. Op grond van artikel 71 en 72 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 dient verweerder in het geval van een opzettelijke niet-naleving van een randvoorwaarde een korting vast te stellen van in beginsel 20%. Voor zover appellante zich beroept op het evenredigheids-beginsel slaagt dit beroep niet. Op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht weegt het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift een beperking voortvloeit. In dit geval vloeit die beperking voort uit artikel 72, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009, waarin is voorgeschreven dat de korting in beginsel 20% bedraagt. Daar komt bij dat het controleverslag in dit geval geen aanwijzingen voor verweerder bevat dat een uitzondering zou moeten worden gemaakt op genoemd kortingspercentage.

8. Voor zover appellante zich erop beroept dat het bestreden besluit geen blijk geeft van een zorgvuldige belangenafweging en dat dit besluit niet is voorzien van een deugdelijke en zorgvuldige motivering, heeft zij dit betoog niet onderbouwd en slaagt dit daarom niet. Dat het bestreden besluit niet juist zou zijn getoetst aan de Beleidsregels heeft appellante evenmin gemotiveerd en is het College ook overigens niet gebleken.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College tot slot geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. C.M. Leliveld