Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:495

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
21-01-2015
Zaaknummer
AWB 13/378
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

glb

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2015-01-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2016/280

Uitspraak

tussenuitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/378

5101

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 24 december 2014 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats], appellante

(gemachtigde: mr. J.T.A.M. van Mierlo),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C.Q. Bult).

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2012 heeft verweerder de aanvraag van appellante om subsidie in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006, onderdeel Investeringen in integraal duurzame stallen en houderijsystemen (de Regeling), afgewezen.

Bij besluit van 12 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.


Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014, waarbij partijen werden vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 29 van de Regeling verstrekt verweerder op aanvraag steun aan onder meer houders van melkvee voor de bouw van een integraal duurzame stal of houderijsysteem. Hieronder wordt op grond van artikel 28 van de Regeling verstaan: een stal of houderijsysteem dat voldoet aan bovenwettelijke normen op het gebied van dierenwelzijn en minimaal voldoet aan wettelijke normen op de gebieden: milieu, energie, diergezondheid, landschappelijke inpasbaarheid en arbeidsomstandigheden. Per jaar geldt een subsidieplafond. Ingevolge artikel 34 van de Regeling brengt een door verweerder ingestelde commissie advies uit over de onderdelen van het investeringsplan en de rangschikking van de aanvragen voor steunverlening. De als hoogste gerangschikte aanvragen worden het eerste gehonoreerd en aanvragen waarvoor geen geld meer beschikbaar is, worden afgewezen.

2. De aanvraag van appellante om verlening van subsidie op grond van de Regeling heeft betrekking op een investering van € 318.794,- ten behoeve van de bouw van een nieuwe ligboxenstal voor 209 (melk)koeien. De subsidieprocedure betreft een zogenaamde tenderprocedure, waarin de aanvragen worden gerangschikt op basis van een onderlinge vergelijking. Verweerder heeft voor de eerste 72 aanvragen met de hoogste score tot aan het gestelde plafond subsidie verleend. Appellantes aanvraag is geëindigd op plaats 73.

3. Verweerder heeft ter motivering van de afwijzing van de subsidieaanvraag van appellante erop gewezen dat, samengevat, het subsidiebudget voor 2012 onvoldoende is om alle aanvragen die aan de voorwaarden voldoen goed te keuren en dat de aanvraag van appellante door de op grond van artikel 34 van de Regeling ingestelde commissie, die alle aanvragen rangschikt op basis van de beoordelingscriteria, te laag is gerangschikt om voor subsidie in aanmerking te komen.

4.1

Appellante stelt dat sprake is van onvoldoende transparantie in de door verweerder gevoerde procedure. Gelet op het minimale verschil van slechts één punt tussen de score van appellante (93 punten) en die van de aanvragen 65 tot en met 72 (94 punten), is duidelijkheid over de beoordeling evident. Kleine verschillen in de afweging of waardering kunnen net de doorslag geven tussen het wel of niet in aanmerking komen voor steun. De afweging waarom appellante op de 73ste plaats is geëindigd en niet op plaats 65 tot en met 72 kan volgens appellante alleen op basis van de gegeven punten worden beoordeeld. Verweerder had hiervoor anonieme inzage moeten verschaffen in de aanvragen 65 tot en met 72. Appellante verwijst in dit verband naar de uitspraken van het College van 21 december 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BU9729 (http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2011:BU9729&keyword=duurzame+stallen+%2b+College+%2b+inkomenssteun) en ECLI:NL:CBB:2011:BU9728 (http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CBB:2011:BU9728&keyword=duurzame+stallen+%2b+College+%2b+inkomenssteun). Ook in deze procedure is volgens appellante de samenstelling van de beoordelingscommissie en de exacte taak en werkwijze van deze commissie onbekend. In het beoordelingsmemorandum wordt slechts een korte samenvatting gegeven van de beoordelingsresultaten van de deskundigensessies. Weliswaar heeft verweerder een scoretabel verschaft waarin van alle 163 aanvragen een eindscore is weergegeven en een score voor de aspecten dierenwelzijn, diergezondheid, milieu, marktintroductie, arbeid, economisch en technisch perspectief en landschappelijke inpassing, maar niet is bekend of de wegingsfactoren per thema op voorhand bekend zijn gemaakt. Het is appellante bovendien niet duidelijk waarom de gekozen investeringen het betreffende aantal punten hebben opgeleverd. Daarnaast worden aanvragen van ligboxenstallen in de melkveehouderij vergeleken met aanvragen voor stallen voor andere diersoorten en andere staltypes voor melkvee. Het is volgens appellante niet duidelijk hoe de verschillende maatregelen in de verschillende sectoren in onderling perspectief worden beoordeeld en tot welk puntenresultaat dit leidt. Tevens is niet transparant wat de onderlinge waardering en verhouding is tussen de investeringen die scoren voor de aanvraag. De zonnepanelen die appellante wil realiseren scoren op het aspect milieu, maar in welke mate en omvang is niet duidelijk. Tot slot stelt appellante dat een aantal investeringen op het aanvraagformulier wordt genoemd als investeringen die bijdragen aan een duurzaam plan, terwijl deze later bij de beoordeling niet subsidiabel worden geacht door verweerder. Dit geldt bijvoorbeeld voor een strohok voor afkalfkoeien, het mechanisch instrooien en een kalverdrinkautomaat.

4.2

Zoals het College eerder heeft overwogen (zie voormelde uitspraken van 21 december 2011) dienen bij een systeem van subsidietoekenning als hier aan de orde, waarbij de ingediende aanvragen onderling vergeleken en vervolgens gerangschikt worden op een aantal kwalitatieve criteria, ter bevordering van een voldoende mate van transparantie eisen gesteld te worden aan de wijze waarop achteraf van de wegingen en waarderingen die hebben plaatsgevonden verslag wordt gedaan en verantwoording wordt afgelegd. Deze verantwoordingsplicht is ook vastgelegd in artikel 9, derde lid, van het Huishoudelijk Reglement van de beoordelingscommissies Regeling GLB-inkomenssteun, dat bepaalt dat het advies een verantwoording met betrekking tot de rangschikking dient te bevatten. Zowel over de ontwikkeling van de beoordelingscriteria als over de toepassing daarvan op de ingediende aanvragen, dient inzichtelijke documentatie beschikbaar te zijn.

4.3

Het College constateert dat verweerder ter zitting heeft verklaard over stukken te beschikken die de beoordeling van de ingediende subsidieaanvragen en de aanvraag van appellante in het bijzonder meer inzichtelijk maken. Deze stukken zijn, in strijd met de met het oog op de transparantie te stellen eisen, ten onrechte niet overgelegd in deze procedure. Het gaat hierbij in ieder geval om een algemeen beoordelingsmemorandum en de scoretabel voor het subsidiejaar 2012 ten aanzien van de aanvragen in het algemeen en om een (Excel)spreadsheet met de totstandkoming van de individuele score van de aanvraag van appellante.

4.4

Het College komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat op basis van de thans beschikbare informatie geen inzicht kan worden verkregen in de door de commissie verrichte afwegingen, zodat het bestreden besluit, dat hierop is gebaseerd, in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet berust op een deugdelijke motivering.

5.1

Appellante betoogt verder ten aanzien van een aantal specifieke investeringen het volgende. Volgens appellante heeft verweerder ten onrechte geen score toegekend aan de aangevraagde transitiestal. Hoewel het hokje bij punt 39 “transitiestal” niet is aangevinkt in de aanvraag, blijkt uit de toelichting bij de aanvraag op pagina 7 dat in het plan een transitieruimte is voorzien met een oppervlakte van 122 m2. De dieren blijven na het afkalven nog circa een week in het strohok en de kalfjes kunnen desgewenst de eerste paar dagen bij de koe blijven. Niet valt in te zien volgens appellante waarom deze investeringen niet leiden tot winst voor de gezondheid van de koe in de periode voor en na het afkalven en waarom hiervoor geen punten kunnen worden toegekend. Voorts stelt appellante dat verweerder ten onrechte geen punten heeft toegekend voor het mechanisch instrooien. Deze post wordt onder punt 29 genoemd van de mogelijke investeringen bij de aanvraag. Appellante betwist dat een installatie die voordelen oplevert voor de arbeidsomstandigheden niet kan scoren op basis van de Regeling. In artikel 34, tweede lid, onder d, van de Regeling wordt immers ook de verbetering van de arbeidsomstandigheden als een criterium genoemd bij de beoordeling van de investering. Appellante stelt verder dat de Groene Vlag-vloer in haar plan een innovatief initiatief betreft. Volgens appellante diende verweerder dit te betrekken in de beoordeling van haar aanvraag. Daarnaast stelt appellante dat verweerder ten onrechte geen extra punten heeft toegekend voor de ruimere afmetingen van de ligboxen voor droogstaande koeien zoals voorzien in haar aanvraag. Dat voor dit onderdeel slechts een score kan worden toegekend indien de meerderheid van de ligboxen een ruimere maat heeft, is volgens appellante niet vastgelegd en ook overigens onjuist. Ten slotte stelt appellante dat verweerder ten onrechte geen punten heeft toegekend voor de investering in een kalverdrinkautomaat.

5.2

Het College is van oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de beoordeling van de investeringen voor de transitieruimte, het mechanisch instrooien en de Groene Vlag-vloer eveneens in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering, zoals door verweerder ter zitting is erkend. Verweerder is in dit besluit ten onrechte niet, dan wel onvoldoende, ingegaan op hetgeen appellante in haar bezwaar ten aanzien van deze onderdelen naar voren heeft gebracht. Wat betreft de investering in ruimere ligboxen stelt het College vast dat verweerder heeft opgemerkt dat volgens het gehanteerde beoordelingscriterium slechts extra punten worden toegekend voor dit onderdeel, indien de maatvoering van de meerderheid van de ligboxen ruimer is. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat dit criterium is vastgelegd in het algemeen beoordelingsmemorandum en dat hieraan ten grondslag ligt dat de realisatie van enkele ruimere ligboxen geen voordeel oplevert voor alle koeien en daardoor slechts in geringe mate bijdraagt aan een verbetering van het dierenwelzijn. Hoewel het College, gegeven de ratio van de Regeling, deze mondeling gegeven toelichting niet onredelijk acht, wijst het erop dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, met het oog op de transparantie is vereist dat over de ontwikkeling van de criteria en over de toepassing daarvan op de ingediende aanvragen, inzichtelijke documentatie beschikbaar is. Nu het hier aan orde zijnde criterium naar verweerder stelt is vastgelegd in het algemeen beoordelingsmemorandum en dit stuk in deze procedure ten onrechte niet is overgelegd, acht het College het bestreden besluit ook wat dit onderdeel betreft in strijd met artikel 7:12 van de Awb onvoldoende gemotiveerd.

5.3

Vorenstaande geldt niet voor de stelling van appellante dat verweerder in de eindbeoordeling van haar aanvraag ten onrechte geen punten heeft toegekend aan haar investering in een kalverdrinkautomaat nu – zoals verweerder terecht heeft gesteld – doel en strekking van de Regeling is om een stimulans te vormen voor duurzame investeringen. Dit betekent dat de betreffende subsidie is bedoeld voor nog te realiseren investeringen en niet voor de ten tijde van de aanvraag reeds door appellante gerealiseerde investering in een kalverdrinkautomaat. Deze beroepsgrond van appellante slaagt daarom niet.

6. Het College ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding verweerder op te dragen de hierboven geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen dan wel een nieuw besluit te nemen. Verweerder dient hiervoor de in overweging 4.3 van deze uitspraak genoemde stukken alsnog ter beschikking te stellen en daarnaast te motiveren waarom de aanvraag van appellante niet scoorde voor de onderdelen transitiestal, en ruimere ligboxen onder dierenwelzijn, dat mechanisch instrooien niet scoorde onder arbeidsomstandigheden en waarom de Groene Vlag-vloer niet scoorde onder marktintroductie. Hiertoe zal een termijn van zes weken worden gesteld.

Het College zal vervolgens appellante in de gelegenheid stellen om binnen vier weken schriftelijk haar zienswijze te geven over de wijze waarop het gebrek is hersteld. In dit geval en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal het College in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

Het College houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat over de proceskosten en het griffierecht in de einduitspraak zal worden beslist.

Beslissing

Het College:

- draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen met inachtneming van de overwegingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schukking, mr. E. Dijt en mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014.

w.g. J. Schukking w.g. C.M. Leliveld