Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:493

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
21-01-2015
Zaaknummer
AWB 13/446
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Maximumtarieven orthodontie, artikel 50, eerste lid, onder c, Wmg. Geen bevoegdheid voor verweerster om op basis van 4:84 Awb hogere tarieven dan de maximumtarieven vast te stellen

Wetsverwijzingen
Wet marktordening gezondheidszorg
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2015/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/446

13950

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 december 2014 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], appellant

en

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster

(gemachtigde: mr. A. Zelle en mr. drs. M. van Eckeveld).

Procesverloop

Met de tariefbeschikking TB/CU 7043 01 van 21 november 2012 heeft verweerster de orthodontietarieven met ingang van 1 januari 2013 vastgesteld.

Appellant heeft op 17 december 2012 bezwaar gemaakt tegen deze tariefbeschikking en verzocht om een individuele tariefbeschikking.

Bij besluit van 22 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2014.

Appellant is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) legt verweerster in een beschikking ten behoeve van het rechtsgeldig in rekening kunnen brengen van een tarief vast of er sprake is van een bedrag dat ten minste of ten hoogste als tarief in rekening kan worden gebracht. Op grond van artikel 7 Wmg kan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister) verweerster een algemene aanwijzing geven en daarbij bepalen dat verweerster ambtshalve een tarief als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel c, vaststelt. Op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, Wmg is het een zorgaanbieder verboden een tarief in rekening te brengen dat niet ligt binnen de tariefruimte die op grond van artikel 50, eerste lid, onderdeel c, voor de betrokken prestatie is vastgesteld.

De Memorie van Toelichting bij de Wet aanvulling instrumenten bekostiging Wmg (TK 2009-2010, 32393, nr. 3) vermeldt op p. 8 en 9:

" Op basis van de WMG kan de zorgautoriteit voor prestaties tarieven vaststellen (art. 50, eerste lid). Het is verboden een tarief in rekening te brengen voor een zorgprestatie tenzij deze door de zorgautoriteit is vastgesteld (art. 35). De WMG strekt zich uit tot alle zorg die is omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) of wordt geleverd door personen die zijn opgenomen in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (art. 1, onderdeel b). Bij algemene maatregel van bestuur kan de werkingssfeer worden uitgebreid of beperkt (art. 2).

De WMG kent in de praktijk grofweg een systeem van vaste tarieven, maximumtarieven en vrije tarieven. De vaste tarieven worden door de zorgautoriteit vastgesteld en daarvan kan niet worden afgeweken (art. 50, eerste lid, onderdeel b, jo. art. 35, eerste lid). De maximumtarieven worden eveneens door de zorgautoriteit vastgesteld maar zorgaanbieder en ziektekostenverzekeraar of consument kunnen nadere afspraken maken over de daadwerkelijk voor de geleverde zorg in rekening te brengen tarieven zolang die niet meer bedragen dan het maximum (art. 50, eerste lid, onderdeel c, jo. art. 35, eerste lid). Bij vrije tarieven kunnen genoemde partijen zelf afspraken maken over de tariefhoogte voor een zorgprestatie zonder dat de zorgautoriteit zich daarmee bemoeit (art. 50, eerste lid, onderdeel a)."

Met de Aanwijzing van 12 juli 2012 inzake stopzetten experiment vrije tarieven mondzorg, heeft de minister verweerster de opdracht gegeven om met ingang van 1 januari 2013 maximumtarieven als bedoeld in artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, Wmg vast te stellen voor mondzorg, met uitzondering van chirurgische tandheelkundige hulp van specialistische aard (Stcrt. 2012, nr. 14943). Verweerster heeft met de tariefbeschikking TB/CU-7043-01 van 21 november 2012 de maximum orthodontietarieven met ingang van 1 januari 2013 vastgesteld, welke tariefbeschikking is opgevolgd door de tariefbeschikking TB/CU-7057-01 van 11 december 2012. Met de tariefbeschikking TB/CU-7057-02 van 4 april 2013 heeft verweerster de maximum orthodontietarieven met ingang van 1 mei 2013 vastgesteld.

2. Appellant heeft op 17 december 2012 bezwaar gemaakt tegen de tariefbeschikking van 21 november 2012 en daarbij verzocht om voor hem een afwijkende en individuele tariefbeschikking te maken die aansluit op zijn praktijkvoering. Verweerster heeft het bezwaar van appellant opgevat als een verzoek om op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in afwijking van de toepasselijke Beleidsregel Orthodontische zorg (BR/CU-7076)een individuele tariefbeschikking vast te stellen. In verband hiermee heeft verweerster gekeken of er sprake is van bijzondere omstandigheden en of toepassing van de beleidsregel onevenredige gevolgen heeft. Verweerster heeft in de aangevoerde omstandigheden geen aanleiding gezien om af te wijken van voornoemde beleidsregel. De feiten en omstandigheden die door belanghebbende zijn aangedragen, zijn reeds meegewogen bij de beleidsvaststelling. Verweerster heeft daarom het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft appellant beroep ingesteld.

3. Het College zal eerst ingaan op de omvang van het geding. Appellant heeft in zijn bezwaarschrift en in zijn beroepschrift gevraagd om een individuele afwijkende tariefbeschikking. Ter zitting heeft appellant daarnaast nog de tariefbeschikking TB/CU‑7043‑01 als zodanig ter discussie gesteld, onder verwijzing naar de argumenten die door de vereniging Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde (NMT, zaaknummer 13/621), de Vereniging van Orthodontisten (VvO, zaaknummer 13/592) ) en dr. S. Beckmann (zaaknummers 13/431 en 14/142) op de zitting bij het College op 22 september 2014, respectievelijk 1 oktober 2014 naar voren zijn gebracht tegen de tariefbeschikking voor het jaar 2013 als zodanig.

Het College is van oordeel dat appellant, nu hij in zijn bezwaarschrift en in zijn beroepschrift heeft verzocht om een individuele tariefbeschikking en daarbij geen andere gronden tegen de tariefbeschikking als zodanig heeft aangevoerd dan dat daarbij niet in een dergelijke individuele beschikking voorzien werd, niet de omvang van het geding zo kan wijzigen dat de tariefbeschikking ook overigens moet worden beoordeeld. Gelet hierop zal het College zich beperken tot de beoordeling van het bestreden besluit waarbij verweerster het bezwaar van appellant ongegrond heeft verklaard op grond van het oordeel dat er geen aanleiding is voor hem een uitzondering te maken.

4. Dienaangaande overweegt het College als volgt. Met de tariefbeschikkingen van 21 november 2012, 11 december 2012 en 4 april 2013 heeft verweerster op grond van artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, Wmg de maximum orthodontietarieven voor 2013 vastgesteld. De maximumtarieven uit deze tariefbeschikkingen gelden voor alle orthodontisten. Op grond van artikel 50, eerste lid, onder c, in samenhang met artikel 35 Wmg is het orthodontisten verboden een hoger tarief in rekening te brengen. Het verzoek van appellant is erop gericht een individuele tariefbeschikking te krijgen op grond waarvan door hem hogere tarieven dan in de tariefbeschikking vastgestelde tarieven in rekening mogen worden gebracht. Het College is gelet op de artikelen 50 en 35 Wmg van oordeel dat in een situatie waarin verweerster maximumtarieven vaststelt, die gelden voor alle orthodontisten zij niet de bevoegdheid heeft om tegelijkertijd voor individuele orthodontisten een hoger tarief vast te stellen. Derhalve diende verweerster bij haar besluit op bezwaar te beoordelen of appellant zodanige bijzondere omstandigheden had aangewezen, dat van tariefvaststelling overeenkomstig Beleidsregel BR/CU-7076 en de daaropvolgende beleidsregels wegens de daaruit voortvloeiende onevenredige gevolgen alsnog geheel of gedeeltelijk zou moeten worden afgezien. Verweerster heeft er in het bestreden besluit terecht op gewezen, dat het voor de toepassing van artikel 4:84 Awb moet gaan om omstandigheden, die niet in de beleidsregel zijn verdisconteerd, of waarvan in de beleidsregel niet bewust is geabstraheerd. Aan de hand van dit criterium heeft verweerster in het bestreden besluit de door appellant in zijn bezwaarschrift aangevoerde argumenten beoordeeld en geconcludeerd dat zij geen bijzondere omstandigheden in de zin artikel 4:84 Awb opleverden.


Appellant heeft in beroep aangevoerd, dat hij bij de start van zijn bewust kleinschalig gehouden en op persoonlijke aandacht gebaseerde praktijk ervan is uitgegaan dat hij bij vrije prijzen daarmee een gezonde financiële toekomst tegemoet ging en dat het besluit met de vrije prijzen te stoppen op een ondeugdelijke rapportage gebaseerd is. Het College stelt vast, dat het een noch het ander een bijzondere omstandigheid oplevert die in voor appellant onevenredige nadelen resulteert. Het bezwaar is derhalve terecht, zij het op niet geheel juiste grond, ongegrond verklaard.

5. Appellant heeft bij schrijven van 16 oktober 2014 aan het College een besluit van verweerster van 21 december 2007 overgelegd, waarbij verweerster voor een orthodontist in afwijking van de destijds geldende tariefbeschikking een individuele tariefregulering had vastgesteld. Naar ter zitting toegelicht deed appellant aldus een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Van de zijde van verweerster is ter zitting verklaard, dat de betrokken orthodontist, wier omstandigheden overigens niet gelijk zijn aan die van appellant, ook ten aanzien van de tariefbeschikking TB/CU-7043-01 en haar op 2013 betrekking hebbende opvolgsters een aanvraag om individuele tariefregulering had ingediend, maar dat deze aanvraag was afgewezen. Ook de derde in 2013 ingediende aanvraag was afgewezen. Reeds daarom kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet tot het door appellant gewenste gevolg leiden.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten vindt het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. M. Munsterman en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. F.E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2014.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.E. Mulder