Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:492

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
21-01-2015
Zaaknummer
AWB 14/87
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Maximumtarieven orthodontie, artikel 50, eerste lid, onder c, Wmg. Geen bevoegdheid voor verweerster om op basis van 4:84 Awb hogere tarieven dan de maximumtarieven vast te stellen.

Wetsverwijzingen
Wet marktordening gezondheidszorg
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2015/36
GZR-Updates.nl 2015-0099
RZA 2015/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/87

13950

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 december 2014 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], appellante

en

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster

(gemachtigde: mr. A. Zelle en mr. drs. M. van Eckeveld).

Procesverloop

Met de tariefbeschikking TB/CU-7043-01 van 21 november 2012 heeft verweerster de orthodontietarieven met ingang van 1 januari 2013 vastgesteld.

Bij brief van 7 januari 2013 heeft appellante verweerster verzocht voor haar een uitzondering te maken op de vastgestelde tarieven. Bij besluit van 18 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerster het verzoek van appellante afgewezen.

Appellante heeft op 1 juli 2013 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2014.

Appellante is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) legt verweerster in een beschikking ten behoeve van het rechtsgeldig in rekening kunnen brengen van een tarief vast of er sprake is van een bedrag dat ten minste of ten hoogste als tarief in rekening kan worden gebracht. Op grond van artikel 7 Wmg kan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister) verweerster een algemene aanwijzing geven en daarbij bepalen dat verweerster ambtshalve een tarief als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel c, vaststelt. Op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, Wmg is het een zorgaanbieder verboden een tarief in rekening te brengen dat niet ligt binnen de tariefruimte die op grond van artikel 50, eerste lid, onderdeel c, voor de betrokken prestatie is vastgesteld.

De Memorie van Toelichting bij de Wet aanvulling instrumenten bekostiging Wmg (TK 2009-2010, 32393, nr. 3) vermeldt op p. 8 en 9:

" Op basis van de WMG kan de zorgautoriteit voor prestaties tarieven vaststellen (art. 50, eerste lid). Het is verboden een tarief in rekening te brengen voor een zorgprestatie tenzij deze door de zorgautoriteit is vastgesteld (art. 35). De WMG strekt zich uit tot alle zorg die is omschreven bij of krachtens de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) of wordt geleverd door personen die zijn opgenomen in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (art. 1, onderdeel b). Bij algemene maatregel van bestuur kan de werkingssfeer worden uitgebreid of beperkt (art. 2).

De WMG kent in de praktijk grofweg een systeem van vaste tarieven, maximumtarieven en vrije tarieven. De vaste tarieven worden door de zorgautoriteit vastgesteld en daarvan kan niet worden afgeweken (art. 50, eerste lid, onderdeel b, jo. art. 35, eerste lid). De maximumtarieven worden eveneens door de zorgautoriteit vastgesteld maar zorgaanbieder en ziektekostenverzekeraar of consument kunnen nadere afspraken maken over de daadwerkelijk voor de geleverde zorg in rekening te brengen tarieven zolang die niet meer bedragen dan het maximum (art. 50, eerste lid, onderdeel c, jo. art. 35, eerste lid). Bij vrije tarieven kunnen genoemde partijen zelf afspraken maken over de tariefhoogte voor een zorgprestatie zonder dat de zorgautoriteit zich daarmee bemoeit (art. 50, eerste lid, onderdeel a)."

Met de Aanwijzing van 12 juli 2012 inzake stopzetten experiment vrije tarieven mondzorg, heeft de minister verweerster de opdracht gegeven om met ingang van 1 januari 2013 maximumtarieven als bedoeld in artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, Wmg vast te stellen voor mondzorg, met uitzondering van chirurgische tandheelkundige hulp van specialistische aard (Stcrt. 2012, nr. 14943). Verweerster heeft met de tariefbeschikking TB/CU 7043 01 van 21 november 2012 de maximum orthodontietarieven met ingang van 1 januari 2013 vastgesteld, welke tariefbeschikking is opgevolgd door de tariefbeschikking TB/CU 7057 01 van 11 december 2012. Met de tariefbeschikking TB/CU 7057 02 van 4 april 2013 heeft verweerster de maximum orthodontietarieven met ingang van 1 mei 2013 vastgesteld.

2. Appellante heeft op 7 januari 2013 verzocht om voor haar praktijk een uitzondering op de tariefverlagingen te maken. Blijkens de brieven van verweerster van 6 februari 2013, 21 maart 2013 en het primaire besluit van 18 juni 2013 heeft verweerster het verzoek van appellante opgevat als een verzoek om voor haar op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in afwijking van de toepasselijke Beleidsregel Orthodontische zorg een op haar situatie toegespitste tariefbeschikking vast te stellen. In verband hiermee heeft verweerster gekeken of er sprake is van bijzondere omstandigheden en of toepassing van de beleidsregel onevenredige gevolgen heeft. Verweerster heeft in de aangevoerde omstandigheden geen aanleiding gezien om af te wijken van voornoemde beleidsregel. De feiten en omstandigheden die door belanghebbende zijn aangedragen, zijn reeds meegewogen bij de beleidsvaststelling. Verweerster heeft in het bestreden besluit de afwijzing gehandhaafd en het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft appellante beroep ingesteld.

3. Het College zal eerst ingaan op de omvang van het geding. Appellante heeft in haar verzoekschrift, bezwaarschrift en beroepschrift gevraagd om een individuele tariefbeschikking. Ter zitting heeft appellante daarnaast nog de tariefbeschikking TB/CU‑7043-01 als zodanig ter discussie gesteld.

Het College is van oordeel dat appellante, nu zij in haar verzoekschrift, bezwaarschrift en beroepschrift heeft verzocht om een individuele tariefbeschikking en daarbij geen gronden tegen de tariefbeschikking als zodanig heeft aangevoerd, niet de omvang van het geding zo kan wijzigen dat ook de tariefbeschikking als zodanig moet worden beoordeeld. Gelet hierop zal het College zich beperken tot de beoordeling van het bestreden besluit waarbij verweerster het verzoek van appellante heeft opgevat als een verzoek om op grond van artikel 4:84 Awb een individuele tariefbeschikking vast te stellen.

4. Dienaangaande overweegt het College als volgt. Met de tariefbeschikkingen van 21 november 2012, 11 december 2012 en 4 april 2013 heeft verweerster op grond van artikel 50, eerste lid, aanhef en onder c, Wmg de maximum orthodontietarieven voor 2013 vastgesteld. De maximumtarieven uit deze tariefbeschikkingen gelden voor alle orthodontisten. Op grond van artikel 50, eerste lid, onder c, in samenhang met artikel 35 Wmg is het orthodontisten verboden een hoger tarief in rekening te brengen. Het verzoek van appellante is er op gericht een individuele tariefbeschikking te krijgen op grond waarvan door haar hogere tarieven dan de in de tariefbeschikking vastgestelde tarieven in rekening mogen worden gebracht. Het College is gelet op de artikelen 50 en 35 van de Wmg van oordeel dat in een situatie waarin maximumtarieven zijn vastgesteld die gelden voor alle orthodontisten verweerster niet bevoegd is om voor individuele orthodontisten een hoger tarief vast te stellen. Verweerster had dan ook niet de ruimte te beoordelen of het verzoek van appellante voor inwilliging in aanmerking kwam. Ook aan artikel 4:84 Awb kon verweerster deze bevoegdheid niet ontlenen.

5. Het beroep is gegrond en het College vernietigt het bestreden besluit. Het College ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, omdat verweerster terecht geen individuele tariefbeschikking heeft vastgesteld.

6. Er is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 160,- aan appellante te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E. Doolaard, mr. M. Munsterman en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. F.E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2014.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.E. Mulder