Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:475

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
AWB 12/960 AWB 13/18
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Periodieke preventieve toetsing accountantspraktijk. Bijzondere omstandigheden voor in rekening brengen hoger tarief dan dat voor één dagdeel per dossier niet aannemelijk gemaakt. Beroep in zoverre gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op de Accountants-administratieconsulenten, geldigheid: 2014-12-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 12/960 en 13/18

25100

Uitspraak van de meervoudige kamer van 15 december 2014 in de zaak tussen

Belaf Accountants B.V., te Breda, appellante

(gemachtigde: W. Goos AA),

en

het bestuur van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (NBA), verweerder

(gemachtigde: mr. M.L. Batting).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2011 (het primaire besluit 1) heeft de rechtsvoorgangster van verweerder – de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten (NOvAA; hierna eveneens aan te duiden als verweerder) – aan de accountantspraktijk van appellante het in artikel 18, eerste lid, van de Verordening op de Periodieke Preventieve Toetsing bedoelde tarief voor de toetsing in rekening gebracht, te weten vier dagdelen tegen een tarief van € 695 per dagdeel is in totaal € 3.308,20 (inclusief BTW).

Bij besluit van 4 mei 2011 (het primaire besluit 2) heeft de Raad van Toezicht Beroepsuitoefening Accountants-Administratieconsulenten (Raad) in mandaat namens verweerder aan appellante meegedeeld dat het door haar accountantspraktijk gehanteerde interne stelsel van kwaliteitsbeheersing niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Gelet hierop heeft de Raad appellante een termijn gesteld van zes weken voor het indienen van een door de Raad goed te keuren verbeterplan en voorts een termijn gesteld van twee jaar waarbinnen het interne stelsel van kwaliteitsbeheersing in overeenstemming moet worden gebracht met de daaraan gestelde eisen. Tevens heeft de Raad appellante verzocht alsnog een beroepsaansprakelijkheidsverzekering af te sluiten en de geheimhouding met de externe systeembeheerder te regelen alsmede daarvan binnen zes weken de bewijsdocumenten over te leggen.

Bij besluit van 13 september 2012 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit 1, in overeenstemming met het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften (bezwaarcommissie) van 6 juni 2012, ongegrond verklaard.

Bij besluit van 18 december 2012 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het eindoordeel van de Raad, in overeenstemming met van het advies van de bezwaarcommissie van 15 november 2012, gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit 2 gedeeltelijk herroepen.

Appellante heeft tegen zowel het bestreden besluit 1 als het bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Deze beroepen zijn bij het College geregistreerd onder respectievelijk zaaknummer 12/960 en zaaknummer 13/18.

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2014. Voor appellante is niemand verschenen. Verweerder heeft zich door zijn gemachtigde laten vertegenwoordigen. Van de zijde van verweerder is tevens verschenen G.J.A.H. van der Wielen, als vaktechnisch adviseur werkzaam bij de Raad.

Overwegingen

1. Op 9 november 2010 heeft ten kantore van appellante de periodieke preventieve toetsing van de accountantspraktijk plaatsgevonden. Deze toetsing is uitgevoerd door drie toetsers. Er zijn vijf cliëntendossiers getoetst, waarvan twee van appellante – beide betroffen een bijzondere controleopdracht (assurance-opdracht) – en drie van Belaf Belastingadviseurs B.V. (alle samenstellingsopdrachten). Alle dossiers werden als onvoldoende beoordeeld. Tevens zijn de jaarrekeningen en het organisatieschema van Belaf Belastingadviseurs B.V. onder de loep genomen.

Twee toetsers hebben ieder voor zich een declaratie ingediend voor een vergoeding van twee dagdelen. De derde toetser heeft geen declaratie ingediend.

2. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder, samengevat, gehandhaafd het eindoordeel dat appellante de vereisten ten aanzien van de fundamentele beginselen, de acceptatie en continuering van opdrachten, de planning van de werkzaamheden, de uitvoering van de werkzaamheden, de inschakeling van deskundigen, de documentatie van werkzaamheden en de rapportering niet voldoende heeft nageleefd. Verweerder heeft het bezwaar van appellante echter gegrond verklaard voor zover het eindoordeel tevens betrekking had op Belaf Belastingadviseurs. Hoewel verweerder laatstgenoemde als accountantspraktijk in de zin van de Verordening Gedragscode (VGC) beschouwt, is sprake van een afzonderlijke juridische entiteit. Het eindoordeel had volgens verweerder geen betrekking behoren te hebben op Belaf Belastingadviseurs.

Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder het primaire besluit 1 in stand gelaten. Van de tijd die is besteed aan de cliëntendossiers van Belaf Belastingadviseurs is verweerder van oordeel dat de kosten daarvan niet aan appellante kunnen worden doorberekend. Naar de mening van verweerder kan in redelijkheid voor de tijd die is besteed aan de beoordeling van de cliëntendossiers van appellante, het algemene deel van de toetsing van appellante en de organisatiestructuur en de jaarrekeningen van Belaf Belastingadviseurs als geheel een factuur voor vier dagdelen aan appellante worden uitgereikt. Volgens verweerder hebben de toetsers, gezien de verwevenheid van appellante en Belaf Belastingadviseurs, in het kader van de toetsing bijzondere aandacht kunnen besteden aan de verhouding tussen beide entiteiten en de vraag of ondanks hun juridische scheiding in wezen niet sprake is van één organisatorische eenheid als bedoeld in de definitie van een accountantspraktijk in de VGC. Voorts waren er, gelet hierop, in het geval van appellante bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de toetsers elk minder dan één cliëntendossier per dagdeel hebben beoordeeld.

3. Appellante kan zich met de handhaving van zowel het op haar betrekking hebbende eindoordeel als de haar in rekening gebrachte kosten niet verenigen. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Ten aanzien van verweerders betoog dat het beroep van appellante, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 2, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, overweegt het College als volgt.

Volgens verweerder heeft appellante geen procesbelang meer bij een oordeel van het College over dit besluit, omdat met de indiening en goedkeuring van het verbeterplan de rechtsgevolgen van dit negatieve eindoordeel zijn uitgewerkt. Voorts wijst verweerder erop dat de Raad op 19 februari 2014 naar aanleiding van een hertoetsing van de accountantspraktijk van appellante opnieuw tot een negatief eindoordeel is gekomen en hem heeft geadviseerd jegens de betreffende accountants-administratieconsulent – W. Goos AA – een tuchtklacht in te dienen bij de accountantskamer. Als hiertoe wordt overgegaan, dan is het aan de accountantskamer om te beoordelen of sprake is van een stelsel van kwaliteitsbeheersing dat niet aan de eisen voldoet, aldus verweerder.

Het College onderschrijft dit betoog niet. Niet kan worden staande gehouden dat er niet enig procesbelang bestaat bij beoordeling door het College van het beroep tegen de beslissing vervat in het bestreden besluit 2, inhoudende dat het door haar accountantspraktijk gehanteerde interne stelsel van kwaliteitsbeheersing niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Een oordeel van het College daaromtrent kan, zeker indien het verweerders conclusies dienaangaande niet zou delen, in bedoelde tuchtrechtelijke klachtprocedure van betekenis zijn.

5. Ten aanzien van het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 is het College van oordeel dat verweerder terecht heeft geconstateerd dat uit de periodieke preventieve toetsing naar voren is gekomen dat op veel van de gecontroleerde kwaliteitspunten waaraan een dossier inzake de aanvaarding en uitvoering van een assurance-opdracht dient te voldoen nagenoeg niets door appellante werd vastgelegd. Het College acht onder meer een ernstige tekortkoming dat bij de assurance-werkzaamheden (inbreng) uit het dossier geheel niet blijkt waar een en ander op is gebaseerd. De omstandigheid dat appellante, naar zij heeft gesteld, bijzondere controleopdrachten slechts eenmalig uitvoert, waarbij – naar haar zeggen – geen band aanwezig is met de cliënt, ontslaat appellante niet van de verplichting aan de algemeen aanvaarde normen voor de beroepsuitoefening te voldoen. Ook een accountantspraktijk die uitsluitend eenmalige opdrachten uitvoert, dient een intern stelsel van kwaliteitsbeheersing te hanteren dat met de daaraan te stellen eisen in overeenstemming is. Terecht heeft verweerder er in dit verband bijvoorbeeld op gewezen dat bij een eenmalige assurance-opdracht evenzeer sprake kan zijn van bedreigingen van de fundamentele beginselen. Appellante heeft er geen blijk van gegeven dit te beoordelen, hetgeen als een ernstige tekortkoming moet worden aangemerkt. Evenzeer is ernstig dat appellante van mening lijkt bij een eenmalige opdracht niet gehouden te zijn een planning voor een controle op te stellen of een werkprogramma te hanteren. Uit de van toepassing zijnde NVCOS 300 blijkt dat een eenmalige opdracht, waarbij geen kennis omtrent de cliënt aanwezig zal zijn, in dit opzicht juist eerder meer van de accountant vraagt. Dat een opdracht eenmalig is, betekent uiteraard niet dat de afwerking ervan niet zorgvuldig hoeft te worden uitgevoerd. Voor zover appellante het eindoordeel ten aanzien de acceptatie en continuering van de beide assurance-opdrachten heeft weersproken, constateert het College dat zij weliswaar stelt dat de dossiers wel overwegingen ten aanzien van opdrachtaanvaarding bevatten, maar dat zij (ook) die stelling niet heeft onderbouwd.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder het primaire besluit 2, voor zover dit besluit op appellante betrekking heeft, terecht in bezwaar gehandhaafd. Het beroep van appellante daartegen is ongegrond.

6. Ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit 1 overweegt het College dat het in de regel redelijk acht dat de accountantspraktijk per getoetst cliëntendossier één dagdeel in rekening wordt gebracht, tenzij bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat voor de toetsing een hoger tarief in rekening wordt gebracht. In dit geval zijn van appellante twee cliëntendossiers inzake assurance-opdrachten beoordeeld. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de daartoe door de twee reguliere toetsers verrichtte werkzaamheden meer hebben omvat dan bij een dergelijke toetsing gebruikelijk is. Met name is niet gebleken dat, zoals verweerder heeft gesteld, tot de toetsingswerkzaamheden van die twee toetsers tevens het bestuderen en in kaart brengen van de organisatiestructuur en activiteiten van Belaf Accountants B.V. (en Belaf Belastingadviseurs) moet worden gerekend. Duidelijk is dat ten behoeve daarvan nu juist de derde toetser is ingeschakeld. Deze heeft echter geen controlewerkzaamheden verricht en heeft ook geen declaratie ingediend.

Aangezien niet aannemelijk is geworden dat de op 9 november 2010 ten kantore van appellante uitgevoerde periodieke preventieve toetsing geen regulier karakter had, is het College van oordeel dat verweerder daarvoor ten onrechte vier dagdelen in rekening heeft gebracht.

Het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 is derhalve gegrond. Het College zal het bestreden besluit 1 vernietigen, het primaire besluit 1 herroepen en, zelf voorziend, het tarief voor de toetsing vaststellen op een bedrag overeenkomend met het tarief voor twee dagdelen, te weten twee maal € 695 (exclusief BTW).

7. Niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit 1;

  • -

    herroept het primaire besluit 1, bepaalt dat het aan appellante in rekening te brengen tarief op grond van artikel 18, eerste lid, van de Verordening op de Periodieke Preventieve Toetsing twee maal € 695 is in totaal € 1.390 (exclusief BTW) bedraagt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 1;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310 aan appellante te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, mr. E.R. Eggeraat en mr. drs. P. Fortuin, in aanwezigheid van mr. C.G.M. van Ede, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2014.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. C.G.M. van Ede