Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:466

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
05-12-2014
Datum publicatie
19-12-2014
Zaaknummer
AWB 12/321
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2014-12-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/321

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2014 in de zaak tussen

De vennootschap onder firma [naam 1] en [naam 2], te [plaats], appellante

(gemachtigde: mr. B.W.M. Zegers),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) een randvoorwaardenkorting van 20% op de aan appellante voor het jaar 2011 te verlenen rechtstreekse betalingen vastgesteld.

Bij besluit van 2 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante hiertegen ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het College heeft de behandeling van het beroep aangehouden in afwachting van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een andere procedure.

Het Hof heeft op 27 februari 2014 arrest gewezen in die zaak (C-396/12).

Partijen hebben hun standpunten kenbaar gemaakt naar aanleiding van het arrest.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2014. Namens appellante is [naam 1] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Appellante heeft voor 2011 rechtstreekse betalingen op grond van de Regeling aangevraagd. Op 4 april 2011 vond een controle plaats op haar bedrijf door de voormalige Algemene Inspectiedienst (AID). In het van deze controle opgemaakte rapport verklaren de controleurs het volgende:

“Betrokkene wendde 1 tank van ca. 6 m3 runderdrijfmest op grasland op veengrond aan. Hij gebruikte hiervoor een sleepvoetbemester, echter (hij) hield bij het aanwenden permanent de bemester ca. 20 cm boven de grond waardoor de mest vanaf ca. 20 cm hoogte in stroken breder dan 5 cm op het gras stroomde. Opgemerkt wordt wel dat sprake was van een erg hobbelig en smal perceel, de 2e aanwendbaan ging de bemester ook over een uitgefreesde greppel die echter vanwege de droge omstandigheden geen water afvoerde.”

1.2

Blijkens een op 6 april 2011 opgemaakt proces-verbaal heeft [naam 1] desgevraagd (onder meer) de volgende verklaring afgelegd:

“Ik vind het niet eerlijk dat ik een proces-verbaal krijg want ik sproei de mest niet met een ketsplaat over het land, maar gebruik een sleepvoetbemester. Het perceel weiland waarop ik mest uitreed is in gebruik bij ons bedrijf. Ik heb de bemester boven de grond gehouden omdat er weinig gras op het land staat, dat maakt toch niets uit.”

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan appellante op grond van de bevindingen bij de controle een randvoorwaardenkorting van 20% opgelegd wegens de opzettelijke niet-naleving van de randvoorwaarde in artikel 5 van het Besluit gebruik meststoffen (Besluit). In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

3.1

Het College stelt voorop dat op grond van de in de bijlage bij het bestreden besluit genoemde communautaire en nationale bepalingen de volledige betaling van de door de landbouwer aangevraagde rechtstreekse landbouwsteun afhankelijk is gesteld van de naleving van regels op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn en eisen inzake een goede landbouw- en milieuconditie. Bij niet-naleving van deze randvoorwaarden wordt het steunbedrag gekort of ingetrokken.

3.2

De randvoorwaarde in artikel 5, eerste lid, van het Besluit verbiedt dierlijke meststoffen te gebruiken op grasland, tenzij de dierlijke meststoffen emissiearm worden aangewend. Onder “emissiearm aanwenden” moet volgens bijlage 1, behorende bij het Besluit gebruik meststoffen, onder punt 2, voor zover hier van belang, het volgende worden verstaan:

“Bij het emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen of zuiveringsslib op grasland, gelegen op kleigrond of veengrond wordt de mest of het slib onmiddellijk op of in de grond gebracht. Indien de mest of het slib op de grond wordt gebracht, geschiedt dit door middel van apparatuur waarmee de mest of het slib uitsluitend in strookjes tussen het gras wordt gebracht, waarbij het gras tevoren wordt opgelicht of zijdelings wordt weggedrukt. De strookjes hebben geen grotere breedte dan 5 centimeter en de afstand van het midden van een strookje tot het midden van het naastliggende strookje is minimaal 15 centimeter (…).

3.3

Op grond van de bevindingen van de controleurs, die zijn neergelegd in het eerdergenoemde controlerapport, staat naar het oordeel van het College genoegzaam vast dat appellante de mest niet emissiearm heeft aangewend in de hierboven bedoelde zin, doordat de sleepvoetbemester 20 cm boven de grond werd gehouden, hetgeen ertoe leidde dat de mest in stroken van breder dan 5 cm over het gras stroomde.

4.1

Verweerder stelt dat appellante opzet verweten kan worden. Verweerder merkt hierbij op dat juist indien mest wordt uitgereden op een hobbelig en (in de herfst door koeien) vertrapt perceel, appellante extra alert dient te zijn of de mest volgens de normen uitgereden wordt. Indien blijkt dat het uitrijden van de mest niet op de juiste wijze plaatsvindt, hetgeen direct zichtbaar is, dient appellante te stoppen met uitrijden van de mest en niet – zoals zij heeft gedaan – de bemester boven de grond te houden en verder te gaan met de bemesting. Appellante is bewust doorgegaan met het onjuist uitrijden van mest, zodat sprake was van opzettelijk handelen. In het bestreden besluit heeft verweerder de handelwijze van appellante beoordeeld aan de hand van de Beleidsregels Regeling GLB-inkomenssteun 2006, waarin criteria zijn neergelegd om te beoordelen of sprake is van opzet. In het bestreden besluit is onder meer benadrukt dat er sprake is van langdurig bestendig beleid, in die zin dat de regelgeving over emissiearm aanwenden al jaren van toepassing is.

4.2

Appellante betwist dat de niet-naleving opzettelijk heeft plaatsgevonden.

4.3

Gelet op het arrest van 27 februari 2014 van het Hof van Justitie in de zaak C-396/12 (www.curia.europa.eu) is sprake van een opzettelijke niet-naleving van randvoorwaarden indien de steunontvanger zich op een bepaalde wijze gedraagt waardoor hij ofwel een toestand van niet-naleving van de voorschriften inzake randvoorwaarden tracht te bewerkstellingen, ofwel, zonder dat hij dit doel voor ogen heeft, de mogelijkheid dat die niet-overeenstemming zich voordoet, aanvaardt. Het Unierecht staat er niet aan in de weg dat verweerder bij de beoordeling van het begrip “opzettelijke niet-naleving” een hoge bewijswaarde toekent aan het criterium van het bestaan van een langdurig bestendig beleid, voor zover de subsidieontvanger gelegenheid wordt geboden tegenbewijs te leveren dat niet opzettelijk is gehandeld.


4.4 Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat sprake was van een opzettelijke niet-naleving. Niet alleen heeft verweerder benadrukt dat de regelgeving met betrekking tot het emissiearm aanwenden van mest al jaren onveranderd is, hetgeen door appellante niet is weersproken, daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat sprake was van een actieve, bewuste handeling. De bemester werd immers bewust 20 cm boven de grond gehouden. Appellante moet hebben kunnen zien dat het resultaat onvoldoende was, reeds omdat de mest in te brede stroken op het grasland stroomde. Dit levert opzet op.

5.1

Appellante stelt verder dat sprake was van overmacht, waardoor verweerder diende af te zien van de vaststelling van een randvoorwaardenkorting. Het betreffende perceel is smal en hobbelig en bevindt zich in veenweidegebied. De grond was ongelijk als gevolg van langdurige droogte. Appellante was hierdoor gedwongen om de uitvoering van de norm aan te passen om schade aan de grond en machines te voorkomen. Appellante verwijst op dit punt naar het rapport “Mest in Waterland” van het Centrum voor Landbouw en Milieu van oktober 2001.

5.2

Verweerder stelt dat appellantes beroep op overmacht te laat - want niet binnen tien werkdagen na de dag vanaf welke dit voor de landbouwer mogelijk is - is gedaan en reeds hierom niet kan slagen. Ook overigens voldoet het beroep op overmacht echter niet aan de hieraan op grond van vaste jurisprudentie gestelde voorwaarden.

5.3

Het College oordeelt dat het beroep op overmacht niet slaagt. Appellante heeft zich pas bij het maken van bezwaar en daarmee niet binnen de hiervoor op grond van artikel 31 van Verordening (EG) nr. 73/2009 geldende termijn op overmacht beroepen. Daarnaast moet volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie onder meer het arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister GmbH & Co. KG, C-210/00, Jur. I-6453, punt 79) het begrip overmacht inzake landbouwverordeningen aldus worden uitgelegd, dat zich abnormale en onvoorzienbare omstandigheden hebben voorgedaan, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden. Van een dergelijk geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden is hier geen sprake. Het College is van oordeel dat appellante de niet-naleving had kunnen voorkomen door ervoor te kiezen de te hobbelige delen niet te bemesten.

6.1

Ten slotte stelt appellante dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat appellante first offender is. Verweerder had volgens appellante in dit geval moeten volstaan met een waarschuwing.

6.2

Op grond van artikel 71 en 72 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 dient verweerder in het geval van een opzettelijke niet-naleving van een randvoorwaarde een korting vast te stellen van in beginsel 20%. Voor zover appellante zich beroept op het evenredigheidsbeginsel slaagt dit beroep niet. Op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht weegt het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift een beperking voortvloeit. In dit geval vloeit die beperking voort uit artikel 72, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009. Daar komt bij dat het controleverslag in dit geval geen aanwijzingen voor verweerder bevat dat een uitzondering zou moeten worden gemaakt op het kortingspercentage.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College tot slot geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2014.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. C.M. Leliveld