Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:460

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
AWB 12/604 AWB 12/653
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

accountant, tuchtrecht, beroepsmatig handelen, persoonsgericht onderzoek, hoor en wederhoor, maatregel, berisping

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

12/604 en 12/653 18 december 2014

20150

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [naam 1], te [plaats 1],
gemachtigde: mr. H.D.LM. Schruer,

en

2. [naam 2], te [plaats 2],
gemachtigden: mr. F.C.M. van der Velden en mr A.J. Raat,

appellanten van een uitspraak van de accountantskamer van 14 mei 2012, met nummer 11/1867 Wtra AK.

1 Het procesverloop in hoger beroep

Appellante sub 1 (hierna: [naam 1]) heeft bij brief van 20 juni 2012, bij het College binnengekomen op 21 juni 2012, hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op een klacht, op 5 september 2011 door [naam 1] ingediend tegen appellant sub 2 (hierna: [naam 2]).

[naam 2] heeft bij brief van 25 juni 2012, bij het College binnengekomen op diezelfde datum, ook hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak van de accountantskamer.

[naam 2] heeft een reactie op het hoger beroepschrift van [naam 1] ingediend.


[naam 1] heeft een reactie op het hoger beroepschrift van [naam 2] ingediend.


In de zaken is eerder op 3 december 2013 een zitting gepland geweest, welke zitting op verzoek van [naam 2] is uitgesteld.

Op 10 april 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. [naam 1] is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. [naam 2] is verschenen bij zijn gemachtigden.

2 De uitspraak van de accountantskamer

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard.
Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2012:YH0262), die als hier ingelast wordt beschouwd.

3 De beoordeling van het hoger beroep

3.1

[naam 2] was als directeur verbonden aan het [naam 3] ([naam 3]). Onder zijn leiding heeft [naam 3] in 2011 in opdracht van de gemeenteraad van [plaats 1] een onderzoek uitgevoerd naar mogelijke tekortkomingen in (1) het professioneel handelen van de burgemeester, (2) de integriteit van de ambtelijke organisatie en (3) de effectiviteit van de klokkenluidersregeling. In dat onderzoek zijn zeventien onderwerpen dan wel dossiers betrokken. Op 24 augustus 2011 heeft [naam 3] rapport uitgebracht aan de gemeenteraad. In de aanbiedingsbrief is het rapport aangeduid als “Rapport integriteitsonderzoek”.
[naam 1] was tot 15 juni 2011 burgemeester van [plaats 1].

3.2

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, houdt in dat [naam 2]:
a.1 voorafgaand aan het op 24 augustus 2011 gehouden kort geding informatie heeft gelekt naar de pers, wat een onafhankelijk integriteitsonderzoeker niet past;
a.2 bewust onjuiste informatie heeft gegeven waardoor hij de positie van [naam 1] in het kort geding nadelig heeft beïnvloed en waardoor bij het publiek een verkeerd beeld van de zaak is gewekt, als gevolg waarvan [naam 1] ten onrechte in een kwaad daglicht is gesteld;
b.1 op onzorgvuldige wijze ‘hoor’ heeft toegepast;
b.2 op onzorgvuldige wijze ‘wederhoor’ heeft toegepast;
c. ondeugdelijke onderzoeksmethoden heeft gebruikt en een gebrek aan objectiviteit aan de dag heeft gelegd door:
c.1 gebruik te maken van de computer van [naam 1];
c.2 een onduidelijke selectie van te horen personen;
c.3 een suggestieve vraagstelling;
c.4 het verrichten van onvoldoende (zelfstandig) en onvolledig onderzoek;
c.5 op willekeurige en daardoor misleidende wijze uitspraken te gebruiken;
c.6 een beding te maken inhoudend dat zijn opdrachtgever de kosten draagt indien hij in rechte wordt aangesproken, waardoor zijn onafhankelijkheid wordt aangetast; en
c.7 op oneigenlijke wijze druk uit te oefenen;
d. in het rapport op een wijze die in strijd is met de waarheid, verantwoording heeft afgelegd over het gebruik van de verslagen van de gesprekken met [naam 1];
e. ten onrechte zelf conclusies heeft getrokken en zaken heeft gesuggereerd, terwijl hij het politieke oordeel aan de gemeenteraad had moeten overlaten;
f. [naam 1] ten onrechte (op p. 43 van het rapport) heeft verweten gehandeld te hebben in strijd met de kernbegrippen ‘dienstbaarheid’ en ‘onafhankelijkheid’;
g. ten onrechte heeft toegestaan dat het rapport breed is verspreid en heeft nagelaten maatregelen te treffen om de verspreidingskring van het rapport te beperken;
h. er voor heeft gezorgd dat [naam 1] in de media is neergezet als een despoot waarbij haar integriteit sterk in twijfel is getrokken, als gevolg waarvan zij dermate is beschadigd dat een verdere carrière in het overheidsbestuur uitgesloten lijkt.

Op 8 december 2012 is de registratie van [naam 2] in het register op diens eigen verzoek doorgehaald.

3.3

[naam 2] heeft als enige grief tegen de uitspraak van de accountantskamer aangevoerd dat ten onrechte is geoordeeld dat hij, omdat hij stond ingeschreven in het register, aan het tuchtrecht is onderworpen. [naam 2] is van oordeel dat hij in het onderhavige dossier niet beroepsmatig als registeraccountant is opgetreden. Daartoe voert hij aan dat [naam 3] geen accountantsorganisatie is, dat de aan [naam 3] verbonden onderzoekers geen accountancywerkzaamheden verrichten, dat [naam 3] geen assurance- of aan assurance verwante opdrachten verricht, dat het onderzoek van [naam 3] een integriteitsonderzoek betrof hetgeen fundamenteel verschilt van accountancywerkzaamheden, en dat voor het onderhavige integriteitsonderzoek geen accountantsdeskundigheid of aanverwante kennis was vereist, zoals op het terrein van financiële verslaglegging, controle, belastingen, administratieve organisatie en bedrijfseconomie. [naam 2] stelt dat hij aldus geen professionele dienst in de zin van de Verordening Gedragscode RA’s (VGC) heeft verricht.
[naam 2] voert tevens aan dat zijn rol bij het onderhavige onderzoek zeer beperkt was en hij geen inhoudelijke werkzaamheden heeft verricht op dit dossier. Hij heeft als directeur van [naam 3] de opdracht van de gemeente [plaats 1] aangenomen, de twee interviews met de burgemeester bijgewoond en het rapport ondertekend. Van beroepsmatig handelen in de zin van artikel 33 van de Wet op de Registeraccountants (Wet RA) is volgens hem geen sprake geweest.

3.3.1

Het College overweegt het volgende. In artikel 33 Wet RA, zoals dit luidde na de inwerkingtreding van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) per 1 mei 2009, is bepaald dat de registeraccountant bij het beroepsmatig handelen aan tuchtrechtspraak op de voet van de Wtra is onderworpen ter zake van (a) enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde; en (b) enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. Zoals het College heeft overwogen in de uitspraak van 11 oktober 2012 (ECLI:NL:CBB:2012: BY0646) heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wtra voor wat betreft het bereik van het tuchtrecht aanvankelijk een onderscheid gemaakt tussen “werkzaamheden die tot de kerntaken van accountants gerekend kunnen worden” en “werkzaamheden die niet tot de kerntaken van de accountants behoren” zoals: juridische advisering, samenstelling van de boekhouding, belastingadviezen, forensische accountancy, due diligence en automatiseringsadviezen. Voor klachten over werkzaamheden die niet tot de kerntaken van de accountants behoren voorzag het wetsvoorstel in een klachtenprocedure bij de beroepsorganisatie en de mogelijkheid voor de voorzitters van de beroepsorganisaties om, nadat de klacht behandeld was door de klachtencommissie, een tuchtzaak aanhangig te maken bij de accountantskamer (Kamerstukken II, 2005/2006, 30397, nr. 3, p. 3 e.v.). Met de vierde nota van wijziging (Kamerstukken II, 2006/2007, 30397, nr. 12) is het wetsvoorstel aangepast in de zin dat alle klachten over het beroepsmatig handelen van accountants direct aan de accountantskamer kunnen worden voorgelegd. De regeling van de toegang tot de tuchtprocedure bij de accountantskamer is daarbij veranderd in die zin dat bij de accountantskamer klachten kunnen worden ingediend over ieder handelen of nalaten dat plaatsvindt in de beroepsmatige sfeer.

3.3.2

Het College is van oordeel dat de werkzaamheden die door dan wel onder verantwoordelijkheid van [naam 2] zijn verricht in het kader van het onder 3.1 genoemde onderzoek, behoren tot het beroepsmatig handelen waarbij de registeraccountant op de voet van artikel 33 Wet RA aan tuchtrechtspraak is onderworpen. Het College heeft hiertoe in aanmerking genomen dat blijkens de geschiedenis van totstandkoming van de Wtra onder beroepsmatig handelen niet alleen werkzaamheden vallen die tot de kerntaken van registeraccountants behoren, maar ook werkzaamheden die daartoe niet behoren. Blijkens de opsomming die in de Memorie van toelichting bij de Wtra is gegeven van voorbeelden van werkzaamheden die behoren tot laatstbedoelde categorie, in welk verband onder meer juridische advisering en automatiseringsadviezen zijn genoemd, is het daarbij de bedoeling van de wetgever geweest dat het tuchtrecht zich uitstrekt tot een breed scala van werkzaamheden waarbij registeraccountants worden ingeschakeld. Nadat het wetsvoorstel was gewijzigd in die zin dat (direct) klachten kunnen worden ingediend over ieder handelen van registeraccountants in de beroepsmatige sfeer, welk voorstel uiteindelijk tot de hier van belang zijnde tekst van artikel 33 Wet RA heeft geleid, is de beoogde reikwijdte van het tuchtrecht niet kleiner geworden. De werkzaamheden die [naam 2] – destijds registeraccountant – in het kader van het door hem als integriteitsonderzoek aangemerkte onderzoek heeft verricht passen naar het oordeel van het College in bedoelde, niet uitputtende opsomming en dienen dan ook te worden gerekend tot het beroepsmatig handelen als bedoeld in artikel 33 Wet RA. Overigens wijst het College er op dat appellant de opdrachtbevestiging aan de gemeenteraad van [plaats 1] van 27 april 2011 heeft ondertekend als directeur van [naam 3] met gebruikmaking van zijn titel RA.

De uitspraak van het College van 10 juli 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BX1256), waar [naam 2] naar heeft verwezen, is voor deze zaak niet relevant. Die zaak betrof de afbakening van handelen als (openbaar) accountant ten opzichte van – gesteld – handelen als privé-persoon, hetgeen hier niet aan de orde is.

Gelet op het vorenstaande slaagt de grief van [naam 2] niet, zodat zijn hoger beroep ongegrond is.

3.4

De eerste grief van [naam 1] is gericht tegen de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen a.1 en a.2 door de accountantskamer. [naam 1] heeft aangevoerd dat de accountantskamer uitingen van [naam 2] in de media ten onrechte niet heeft beoordeeld als verwijtbaar handelen, terwijl hier sprake was van vóór de afronding van het onderzoek en vóór het uitbrengen van het rapport publiekelijk verspreide informatie, hetgeen op zichzelf reeds klachtwaardig gedrag oplevert.
[naam 1] stelt dat [naam 2] voorafgaand aan het door haar tegen de gemeente [plaats 1] aangespannen kort geding op 23 augustus 2011 – waarin zij heeft verzocht om voorafgaand aan openbaarmaking van het uit te brengen rapport inzage te verkrijgen in het complete conceptrapport van [naam 3] – informatie over het onderzoek naar buiten heeft gebracht, terwijl zij op dat moment de volledige inhoud van het rapport niet kende, en dat dit haar heeft geschaad. Zij stelt voorts dat [naam 2] door het niet toepassen van wederhoor inzake hoofdstuk 8 van het rapport het fundamentele beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid heeft geschonden.

3.4.1

[naam 2] heeft in reactie op deze grief aangevoerd dat [naam 1] meerdere malen in de media heeft gezegd dat zij de feitelijke bevindingen van het uit te brengen rapport niet kende en [naam 3] wederhoor achterwege had gelaten, terwijl zij de bevindingen reeds op 12 augustus 2011 voor commentaar van [naam 3] had ontvangen en op 16 augustus 2011 haar commentaar aan [naam 3] heeft doen toekomen. [naam 2] stelt dat hij om dit onjuiste beeld te corrigeren op RTV Rijnmond heeft verklaard dat appellante 90% van het rapport al had gelezen en zij alleen de conclusies nog niet kende. Hij heeft daarmee willen aangeven dat [naam 1] in zeer belangrijke mate het rapport kende en dat hij overigens jegens de pers geen inhoudelijke mededelingen heeft gedaan over het onderzoek.
Hoofdstuk 8 bevat volgens [naam 2] geen nieuwe informatie of bevindingen waaromtrent wederhoor diende te worden toegepast.

3.4.2

Het College wijst erop dat [naam 1] niet heeft bestreden dat zij vóór de afronding van het onderzoek en vóór het uitbrengen van het rapport uitlatingen in de media heeft gedaan omtrent het onderzoek en de werkzaamheden van [naam 3]. Het College is van oordeel dat een accountant in beginsel de mogelijkheid toekomt op dergelijke uitlatingen te reageren. Niet valt in te zien dat [naam 2] met zijn uitlatingen, die een reactie waren op de uitlatingen van [naam 1], tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In zoverre slaagt de eerste grief niet.
Voor zover [naam 1] met haar eerste grief tevens heeft aangevoerd dat de accountantskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake was van het niet of op een onjuiste wijze toepassen van wederhoor inzake hoofdstuk 8 van het rapport (klachtonderdeel b.2), zal het College deze grief tegelijk met de tweede grief van [naam 1] bespreken.

3.5

De tweede grief van [naam 1] is gericht tegen de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen b.1 en b.2 door de accountantskamer. De grief houdt in dat de accountantskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat [naam 2] op juiste wijze hoor en wederhoor heeft toegepast. [naam 1] voert in dit verband aan dat zij niet, althans onvolledig en niet tijdig is geïnformeerd over de inhoud van de onderzoeksopdracht. Zij stelt dat de accountantskamer er ten onrechte vanuit is gegaan dat zij niet heeft weersproken dat aan haar door de gemeenteraad op 27 april 2011 een kopie van de opdracht zou zijn overhandigd. Eerst op 3 mei 2011 is zij door de voormalig waarnemend raadsvoorzitter van de gemeente [plaats 1] op de hoogte gebracht van een niet getekende conceptopdrachtbevestiging.
[naam 1] voert voorts aan dat zij voorafgaand aan de verhoren op 3 mei 2011 en 16 juni 2011 niet op de hoogte is gebracht van de inhoud en de doelstelling van de definitieve onderzoeksopdracht dan wel de uitbreiding daarvan omstreeks 23 mei 2011. Volgens [naam 1] is zij pas ten tijde van het interview op 16 juni 2011 door [naam 2] op de hoogte gebracht van de uitbreiding van de opdracht.
[naam 1] verwijst in het kader van haar tweede grief ook naar hetgeen zij heeft aangevoerd omtrent het niet bieden van wederhoor over hoofdstuk 8 van het rapport. Het is volgens haar niet juist dat in hoofdstuk 8 alleen feiten zouden staan die al in eerdere hoofdstukken zijn genoemd. Voorts voert zij aan dat [naam 2] ten onrechte en zonder noodzaak het conceptrapport tegelijk ter becommentariëring aan meerdere personen heeft toegezonden.

3.5.1

[naam 2] heeft in reactie hierop aangevoerd dat [naam 1] tijdens het interview op 3 mei 2011 desgevraagd heeft bevestigd dat zij door de gemeente [plaats 1] is geïnformeerd over de conceptopdrachtbevestiging. Daarin is expliciet opgenomen dat het onderzoek zou kunnen worden uitgebreid. Volgens [naam 2] heeft de gemeente [plaats 1] [naam 1] op 8 juni 2011 geïnformeerd dat de onderzoeksopdracht van [naam 3] was uitgebreid en is zij daarover bij aanvang van het interview op 16 juni 2011 (nogmaals) geïnformeerd door [naam 3].
[naam 2] meent dat de stelling van [naam 1] dat zij niet tijdig en volledig is geïnformeerd over de aard en inhoud van de opdracht en de uitbreiding van het onderwerp zonder feitelijke grond is.
Ten aanzien van hoofdstuk 8 van het rapport heeft [naam 2] aangevoerd dat dit hoofdstuk informatie bevat die ontleend is aan de overige hoofdstukken dan wel informatie bevat waarvoor wederhoor niet noodzakelijk was voor het verkrijgen van een deugdelijke grondslag, en dat de door de onderzoekers gegeven beoordelingen niet in wederhoor hoeven te worden voorgelegd.
Voorts heeft hij aangevoerd dat het onderzoek van [naam 3] zich niet uitsluitend richtte op het handelen van de burgemeester en dat vanwege de samenhang van de bevindingen uit zorgvuldigheidsoogpunt de betrokkenen in de gelegenheid zijn gesteld om in het kader van wederhoor op het gehele feitencomplex te reageren.

3.5.2

Het College stelt voorop dat het onderzoek van [naam 3] in belangrijke mate het handelen van [naam 1] als burgemeester van [plaats 1] als onderwerp had en dat voor de uitvoering van het onderzoek werkzaamheden met een verifiërend karakter zijn verricht. Gelet hierop moet het onderzoek worden aangemerkt als een persoonsgericht onderzoek in de zin van de Praktijkhandreiking persoonsgerichte onderzoeken van 6 oktober 2010 (hierna: Praktijkhandreiking). Het College wijst erop dat het niet of niet correct toepassen van een bepaling uit de Praktijkhandreiking slechts een tuchtrechtelijk verwijt kan opleveren indien en voor zover daarmee schending van het bij of krachtens de Wet RA bepaalde aan de orde is, waarbij in het bijzonder het bepaalde in de VGC van belang is.

In paragraaf 5.1 van de Praktijkhandreiking staat als algemeen uitgangspunt vermeld dat degene die onderwerp is van een persoonsgericht onderzoek schriftelijk wordt geïnformeerd over het op hem gerichte onderzoek, tenzij de omstandigheden zich hiertegen verzetten. Voorts staat daarin vermeld dat het in belang is van zowel de kwaliteit van het uit te voeren onderzoek als de omgangsvormen tussen de accountant en de betrokkene dat deze de gelegenheid krijgt in de vorm van hoor en wederhoor een bijdrage te leveren aan het onderzoek.

3.5.3

[naam 2] heeft op 3 mei 2011 en 16 juni 2011 een interview gehouden met [naam 1].
Blijkens haar verklaring is [naam 1] op 3 mei 2011 – de dag van het eerste interview – door de voormalig waarnemend raadsvoorzitter van de gemeente [plaats 1] op de hoogte gebracht van de (niet getekende) conceptopdrachtbevestiging. Volgens het verslag van het interview met [naam 1] op 3 mei 2011 heeft [naam 2] bij aanvang van dat gesprek een toelichting gegeven op de opdracht en heeft [naam 1] in dat gesprek desgevraagd verklaard dat zij inzage heeft gehad in de conceptversie van de opdracht. Hieruit volgt dat [naam 1] weliswaar min of meer op de hoogte was van de inhoud van het onderzoek, doch voorafgaand aan het interview op 3 mei 2011 niet door [naam 2], [naam 3] of de gemeente [plaats 1] schriftelijk is geïnformeerd over de – definitieve – opdracht voor het onderzoek.
[naam 2] heeft zijn stelling dat [naam 1] op 8 juni 2011 door de gemeente [plaats 1] schriftelijk is geïnformeerd dat de onderzoeksopdracht van [naam 3] was uitgebreid niet nader onderbouwd. [naam 1] heeft nadrukkelijk gesteld dat zij pas bij het tweede interview op 16 juni 2011 door [naam 2] hiervan op de hoogte is gebracht. Derhalve moet het er voor worden gehouden dat [naam 1] voorafgaand aan het interview op 16 juni 2011 niet door [naam 2], [naam 3] of de gemeente [plaats 1] schriftelijk is geïnformeerd over de uitbreiding van de onderzoeksopdracht.

Het College is van oordeel dat, zoals ook uit de Praktijkhandreiking volgt, bij een persoonsgericht onderzoek als uitgangspunt dient te gelden dat degene die onderwerp is van zo’n onderzoek tijdig, in ieder geval voorafgaand aan het horen van die persoon, schriftelijk over het onderzoek en de inhoud daarvan wordt geïnformeerd. [naam 2] heeft niet gesteld en heeft ook niets aangevoerd waaruit zou kunnen blijken van omstandigheden die zich daartegen hebben verzet.
Door na te laten [naam 1] voorafgaand aan het horen tijdig schriftelijk te (doen) informeren over de onderzoeksopdracht en de uitbreiding daarvan heeft [naam 2] gehandeld in strijd met het fundamenteel beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid.
De tweede grief, voor zover deze betrekking heeft op de ongegrondverklaring van klachtonderdeel b.1, slaagt.

3.5.4

Niet in geschil is dat aan [naam 1] in het kader van wederhoor in de zin van de Praktijkhandreiking een concept van het rapport is voorgelegd waarin hoofdstuk 8 van het definitieve rapport ontbreekt. Dit hoofdstuk, dat als titel heeft “Vertrouwenspersoon en klokkenluidersregeling: een (on)veilig werkklimaat”, bevat een bespreking van observaties van melders en van de vertrouwenspersoon en bevindingen uit interviews en uit onderzoek van 16 dossiers. Het hoofdstuk eindigt met een beoordeling van onder andere het handelen van [naam 1].

Het College stelt vast dat in hoofdstuk 8 zowel bevindingen worden weergegeven als conclusies worden getrokken die zien op het handelen van [naam 1]. Uit het rapport blijkt niet, en door of namens [naam 2] is niet – ook desgevraagd ter zitting niet – duidelijk gemaakt, dat al deze bevindingen al eerder in het rapport zijn besproken en derhalve bij [naam 1] bekend konden zijn, zoals door hem is gesteld. Nu vaststaat dat [naam 1] niet in de gelegenheid is gesteld vooraf kennis te nemen van deze bevindingen en hierop te reageren, moet worden vastgesteld dat haar in dit verband niet op een juiste wijze wederhoor is geboden. Naar het oordeel van het College is dat in dit geval, gelet op de strekking van de in bedoeld hoofdstuk neergelegde bevindingen in strijd met het fundamenteel beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid.
De tweede grief, voor zover deze betrekking heeft op de ongegrondverklaring van klachtonderdeel b.2, slaagt eveneens.

3.5.5

Ten aanzien van het verwijt dat de bevindingen ten onrechte tegelijk aan meerdere personen voor commentaar zijn voorgelegd heeft [naam 2] aangevoerd dat het onderzoek zich niet alleen richtte op de burgemeester maar ook op het college van burgemeester en wethouders, de gemeentesecretaris en de leden van de ambtelijke top, en dat vanwege de samenhang in de bevindingen de betrokkenen uit zorgvuldigheidsoogpunt in de gelegenheid zijn gesteld om in het kader van wederhoor op het gehele feitencomplex te reageren. Het College is met de accountantskamer van oordeel dat er geen algemene regel is aan te wijzen op grond waarvan [naam 2] zich hiervan had moeten onthouden.
In zoverre slaagt de tweede grief niet.

3.6

De derde grief van [naam 1] is gericht tegen de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen c.1, c.2 en c.3. en houdt in dat de accountantskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat [naam 2] geen ondeugdelijke onderzoeksmethoden heeft gebruikt en een objectief onderzoek heeft verricht.
[naam 1] stelt dat de gang van zaken met betrekking tot de inzage in haar computer als disproportioneel onderzoekswerk moet worden betiteld. Zij voert aan dat onduidelijk is tot welke bevindingen het computeronderzoek heeft geleid, dat hieruit kennelijk geen voor haar negatieve feiten en omstandigheden zijn gebleken, maar dat [naam 2] heeft nagelaten die conclusie in het rapport te vermelden. [naam 1] voert tevens aan dat uit het rapport niet blijkt welke toelichting [naam 2] over de proportionaliteit van het onderzoek heeft gegeven aan het college van burgemeester en wethouders, op grond waarvan haar computerbestanden zijn vrijgegeven. Daarentegen zijn in het rapport wel haar argumenten opgenomen op grond waarvan zijzelf medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd. [naam 2] geeft hiermee volgens [naam 1] een negatieve strekking aan haar standpunt en creëert een eenzijdige, niet objectieve, weergave van de feiten.
[naam 1] voert verder aan dat tijdens het onderzoek 22 personen zijn gehoord, terwijl [naam 2] 41 verzoeken heeft ontvangen van personen die een verklaring wilden afleggen. [naam 2] heeft niet aangegeven waarom personen dan wel hun meldingen buiten het kader van het onderzoek vielen.
[naam 1] voert voorts aan dat [naam 2] tijdens het onderzoek veelvuldig suggestieve vragen heeft gesteld en de gehoorde personen woorden in de mond heeft gelegd over haar handelen.

3.6.1

[naam 2] heeft ten aanzien van het deel van de derde grief dat ziet op de inzage in de computer van [naam 1] aangevoerd dat de gemeente [plaats 1] hiervoor vooraf toestemming heeft gegeven en de toestemming van [naam 1] zelf niet was vereist. Hij voert aan dat aanvankelijk minder vergaande onderzoeksmethoden zoals interviews, dossieronderzoek en open bronnenonderzoek zijn ingezet, maar dat het proportioneel werd geacht ook onderzoek in digitale bestanden te verrichten. Volgens [naam 2] heeft het onderzoek naar de computer bijgedragen aan het vaststellen van de feiten en de rol van [naam 1] in de diverse dossiers.

Het College is van oordeel dat, hoewel voorstelbaar is dat [naam 2] deze toelichting in het rapport had vermeld, niet gezegd kan worden dat door het achterwege laten daarvan sprake is van een niet objectieve weergave van de feiten waarvoor hem een tuchtrechtelijk verwijt dient te worden gemaakt. Dit geldt evenzeer voor het in het rapport achterwege laten van de conclusie dat het onderzoek naar de computer van [naam 1] niet heeft geleid tot het vaststellen van voor haar belastende feiten.
In zoverre slaagt de derde grief niet.

3.6.2

Met betrekking tot het deel van de derde grief dat betrekking heeft op het horen van personen blijkt uit het rapport dat [naam 3] 41 verzoeken heeft ontvangen om een verklaring af te leggen en is - op een enkele uitzondering na - met alle verzoekers contact geweest. Volgens het rapport zijn 25 melders geïnterviewd en is daarnaast met 21 betrokkenen, waaronder [naam 1], een interview gehouden.
[naam 2] heeft in zijn verweerschrift bij de accountantskamer verklaard dat de selectie door [naam 3] geschiedt aan de hand van de vraag of iemand mogelijk informatie, zowel belastend als ontlastend, kan verschaffen over een dossier, en dat het vermelden van dit evidente selectiecriterium [naam 3] niet zinvol voorkomt. In zijn reactie op het beroepschrift heeft [naam 2] verder verklaard dat de te interviewen personen zijn geselecteerd op basis van de aard en omvang van de voor de onderzoeksonderwerpen relevante informatie die zij konden verstrekken. Indien [naam 3] reeds over voldoende informatie beschikte of de personen niet relevant waren voor de te onderzoeken onderwerpen vond geen interview plaats. Positieve verklaringen over de inzet en rol van [naam 1] en de betekenis van haar fungeren voor de stad [plaats 1] zijn niet in het rapport verwerkt, omdat die geen betrekking hadden op de handelingen die onderwerp van onderzoek zijn geweest.

Het College acht de door [naam 2] toegepaste handelwijze in dit geval verdedigbaar en ziet geen aanleiding hem ter zake daarvan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.
Het College stelt vast dat uit het door [naam 1], ter onderbouwing van deze grief, overgelegde e-mailbericht van 14 juni 2011 van [naam 4] aan [naam 2] niet blijkt dat [naam 4] penningmeester is van de [naam 5] en kennelijk in die hoedanigheid een bijdrage wilde leveren aan het onderzoek. De verklaring van [naam 2] dat [naam 4] niet in de te onderzoeken dossiers voorkwam en er derhalve geen vragen aan hem waren acht het College, rekening houdend met de omvang van het onderzoek, niet onbegrijpelijk.
Ook in zoverre slaagt de derde grief niet.

3.6.3

Voor zover de derde grief ziet op het volgens [naam 1] stellen van suggestieve vragen verwijst [naam 2] naar het verweerschrift bij de accountantskamer en de daar gegeven toelichting over de wijze van vraagstelling bij de interviews. Hij stelt dat [naam 1] heeft nagelaten haar stellingen nader te onderbouwen.

Het College is van oordeel dat de door [naam 1] genoemde voorbeelden op sommige onderdelen weliswaar blijk geven van een vraagstelling die mede is ingegeven door bij de vraagsteller aanwezige vermoedens, maar het College ziet, mede gelet op hetgeen [naam 2] in zijn verweerschrift bij de accountantskamer heeft uiteengezet, onvoldoende grond voor het oordeel dat sprake is geweest van vooringenomenheid bij [naam 2]. Ook in zoverre slaagt de derde grief niet.

3.7

De vierde grief van [naam 1] is gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel d. Zij voert aan dat de accountantskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat [naam 2] niet verwijtbaar heeft gehandeld ten aanzien van de onjuiste weergave van gespreksverslagen en haar reactie daarop. Zij meent dat de accountskamer via een niet te volgen redenering tot het oordeel komt dat [naam 2] niet klachtwaardig heeft gehandeld, terwijl is vastgesteld dat betrokkene haar reacties niet juist heeft verwerkt. [naam 1] benadrukt dat zij heeft aangegeven niet akkoord te gaan met de vastleggingen en dat zij een veelheid van opmerkingen heeft geplaatst. Zij stelt dat [naam 2] in het rapport duidelijk had moeten maken dat zij vond dat de verslagen een onjuiste en onvolledige weergave van de interviews bevatten.

3.7.1

Deze grief slaagt. In het rapport staat ten onrechte vermeld dat [naam 1] niet heeft gereageerd op de twee interviewverslagen terwijl dat wel het geval is.
[naam 1] heeft bij e-mailbericht van 24 mei 2011 aan [naam 3] gereageerd op het haar ter becommentariëring toegezonden conceptverslag van het interview op 3 mei 2011 en heeft daarbij een aanzienlijk aantal opmerkingen gemaakt bij dit verslag.
Bij brief van 28 juni 2011, gericht aan [naam 2], heeft [naam 1] nogmaals gereageerd op het verslag van het interview van 3 mei 2011 en tevens op het verslag van het interview op 16 juni 2011. [naam 1] heeft daarin expliciet medegedeeld dat zij het onderzoek, de vraagstellingen en de verslagen zeer onvolledig vindt en daarom niet akkoord gaat met de verslaglegging van de beide gesprekken. [naam 2] heeft deze brief beantwoord met een e-mail van 25 juli 2011.
[naam 2] erkent in het verweerschrift dat [naam 1] niet heeft ingestemd met de gespreksverslagen van 3 mei en 16 juni 2011, doch voegt daaraan toe dat zij kennelijk geen beroep wilde doen op de bandopnames van de gesprekken en bezwaar heeft gemaakt tegen de onderzoeksaanpak. Volgens [naam 2] was echter met hetgeen in het rapport staat vermeld voor de gebruiker van het rapport voldoende duidelijk dat [naam 1] de gelegenheid heeft gehad om kenbaar te maken dat de gespreksverslagen geen juiste weergave zouden vormen van de interviews. Het College is van oordeel, gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken, dat in het rapport ten onrechte staat vermeld dat [naam 1] niet heeft gereageerd op de haar toegezonden interviewverslagen, terwijl zij niet alleen bezwaren heeft gemaakt tegen de onderzoeksaanpak maar ook tegen de vraagstelling en de inhoud van de verslagen. [naam 2] heeft door deze wijze van rapporteren gehandeld in strijd met het fundamenteel beginsel van deskundigheid en zorgvuldigheid. De accountantskamer is hier ten onrechte aan voorbijgegaan en heeft klachtonderdeel d ten onrechte ongegrond verklaard.

3.8

De vijfde grief van [naam 1] houdt in dat de accountantskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat betrokkene niet verwijtbaar heeft gehandeld door (onjuiste) conclusies te trekken over haar handelen. Deze grief betreft de ongegrondverklaring van klachtonderdeel e.
[naam 1] stelt dat de conclusies van [naam 2] niet worden gedragen door de feiten en de accountantskamer heeft nagelaten zelf tot een beoordeling te komen van de grondslag voor die conclusies. Zij voert in dat verband aan dat de accountantskamer op geen enkele wijze is ingegaan op hetgeen tijdens de zitting is aangevoerd over de kwesties [naam 6] en subsidie jazzclub.

3.8.1

[naam 2] heeft aangevoerd dat de tuchtrechter in eerste aanleg niet gehouden is alle hem gebleken feiten in de tuchtbeslissing op te nemen, maar zich mag beperken tot de volgens hem relevante feiten. Hij stelt dat de accountantskamer gemotiveerd heeft beslist op de essentie van dit klachtonderdeel en daarom niet nader hoefde in te gaan op de door [naam 1] genoemde voorbeelden. Hij wijst erop dat de accountantskamer overigens wel inhoudelijk is ingegaan op de verwijten van [naam 1] ter zake van de kwestie van aannemer [naam 6].
[naam 2] bestrijdt dat hij niet had mogen concluderen dat de uitlatingen van [naam 1] over haar geschil met de aannemer ambtenaren ertoe hebben gebracht de aannemer substantieel minder opdrachten te geven. [naam 1] miskent volgens hem de in het rapport genoemde feiten. Voor wat betreft de kwestie van de subsidie aan de jazzclub merkt [naam 2] op dat de accountantskamer blijkens de weergave van de klacht (impliciet) heeft geoordeeld dat dit een ontoelaatbare uitbreiding van de klacht inhield, zodat die kwestie ook in hoger beroep buiten beschouwing dient te worden gelaten.

3.8.2

Het College stelt vast dat [naam 2] blijkens de opdrachtbevestiging van 27 april 2011 de opdracht had een feitenonderzoek te verrichten en de gemeenteraad te adviseren door deze feiten te beoordelen tegen de achtergrond van het geldende toetsingskader. [naam 2] had derhalve ook de opdracht een beoordeling van de onderzochte feiten te geven.

[naam 1] heeft in het aanvullend klaagschrift voorbeelden voor het trekken van conclusies door [naam 2] genoemd die betrekking hebben op de kwestie met aannemer [naam 6]. Eerst ter zitting bij de accountantskamer is door [naam 1] in dit verband ook de kwestie van de subsidieverlening aan de jazzclub naar voren gebracht. Het College is van oordeel dat de accountantskamer die kwestie terecht heeft aangemerkt als een uitbreiding van de klacht. Aangezien het volgens vaste jurisprudentie van het College uit een oogpunt van een behoorlijke tuchtprocedure in beginsel niet is toegestaan een klacht nog ter zitting bij de accountantskamer uit te breiden – en niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan van dit beginsel moet worden afgeweken – heeft de accountantskamer deze kwestie terecht buiten beschouwing heeft gelaten.

3.8.3

Ten aanzien van de opdrachtverstrekking aan aannemingsbedrijf [naam 6] is op pagina 42 van het rapport geconcludeerd dat uit het onderzoek is gebleken dat sinds 2008 ambtelijk de boodschap is verspreid dat ‘voorzichtigheid moet worden betracht in contacten met [naam 6]’, dat dit ambtelijk is opgevolgd en dat dit (onder meer) heeft geleid tot een substantiële afname in de opdrachtverstrekkingen aan het bedrijf. Vervolgens wordt geconcludeerd dat uit het onderzoek weliswaar niet is gebleken dat de burgemeester zelf expliciet opdracht heeft gegeven het aannemingsbedrijf uit te sluiten van opdrachten voor de gemeente, maar zij door haar optreden hetzelfde effect heeft bereikt.
Volgens het rapport blijkt uit de feiten dat de burgemeester op verschillende momenten ten overstaan van verschillende personen - zowel individuele collegeleden als het college en ambtenaren - de slechte kwaliteit van het werk van de aannemer en haar slechte relatie met de aannemer duidelijk kenbaar heeft gemaakt, en dat zij zich had moeten realiseren dat deze opmerkingen het gedrag van haar toehoorders en hun ondergeschikten zouden beïnvloeden, juist ook gezien haar “directieve stijl van leidinggeven”.

3.8.4

Het College is van oordeel dat op basis van in het rapport weergegeven verklaringen over het optreden van [naam 1] de indruk kan ontstaan dat haar optreden van invloed kan zijn geweest op de afname in de opdrachtverstrekkingen aan [naam 6]. Anderzijds zijn in het rapport ook verklaringen opgenomen – onder andere van de directeur van de gemeente – waaruit kan worden afgeleid dat die afname ook of juist het gevolg is van een aanscherping van de uitvoering van de aanbestedingsregels en een sterkere controle door de gemeente op de opdrachtverstrekking aan aannemers. Het College is van oordeel dat [naam 2] in de beoordeling in het rapport hiervan onvoldoende rekenschap heeft gegeven en ten onrechte heeft volstaan met slechts één opmerking aan het slot van de betreffende pagina waarin hij stelt dat de verklaring “dat men scherper is gaan kijken naar [naam 6] vanwege kostenaspecten” op basis van de bevindingen geen stand houden. Voorts blijkt uit het door [naam 1] overgelegde overzicht van door [naam 6] bij de gemeente ingediende facturen dat de aannemer ook na 2008 voor aanzienlijke bedragen opdrachten heeft uitgevoerd voor de gemeente. Naar het oordeel van het College zijn de conclusies van [naam 2] over deze kwestie te ongenuanceerd en zijn ten onrechte relevante zaken weggelaten. [naam 2] heeft hiermee gehandeld in strijd met de beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en objectiviteit. Klachtonderdeel e is derhalve in zoverre gegrond, hetgeen de accountantskamer ten onrechte niet heeft onderkend.
Dit betekent dat ook de vijfde grief slaagt.

3.9

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van [naam 1] gegrond is. Het College verwijst hiervoor naar de overwegingen 3.5.3, 3.5.4, 3.7.1 en 3.8.4. De uitspraak van de accountantskamer, voor zover daarbij de klachtonderdelen b.1, b.2, d en e ongegrond zijn verklaard, dient te worden vernietigd.
Het College zal zelf in de zaak voorzien en de klachtonderdelen b.1, b.2, d en e alsnog gegrond verklaren in de hiervoor omschreven zin

3.10

Ten aanzien van de op te leggen tuchtrechtelijke maatregel overweegt het College als volgt.

Het College is van oordeel dat [naam 2] op belangrijke onderdelen van het onderzoek heeft gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van objectiviteit. De aard en ernst van deze onzorgvuldigheden zijn naar het oordeel van het College zodanig dat daarmee het accountantsberoep in diskrediet is gebracht, waarmee [naam 2] ook het fundamenteel beginsel van professioneel gedrag heeft geschonden. Naar het oordeel van het College is, gelet hierop, oplegging van de maatregel van berisping passend en geboden.

3.11

Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants, en artikel 40 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.


4.De beslissing

Het College

- verklaart het hoger beroep van [naam 2] ongegrond;

- verklaart het hoger beroep van [naam 1] gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak voor zover het betreft de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen b.1, b.2, d en e;

- verklaart de klachtonderdelen b.1, b.2, d en e alsnog gegrond in de hiervoor omschreven zin;

- legt [naam 2] de maatregel op van berisping.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M.M. Smorenburg en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
18 december 2014.

w.g. J.L.W. Aerts de griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen