Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:459

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
18-12-2014
Zaaknummer
AWB 12/610
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel waarschuwing in stand gebleven.

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

12/610 18 december 2014

20150

Uitspraak op het hoger beroep van:

[naam 1], te [plaats 1],
gemachtigden: mr. F.C.M. van der Velden en mr. A.J. Raat,

appellant van een uitspraak van de accountantskamer van 14 mei 2012, met nummer 11/2037 Wtra AK.

1 Het procesverloop in hoger beroep

Appellant (hierna: [naam 1]) heeft bij brief van 21 juni 2012, bij het College binnengekomen op diezelfde datum, hoger beroep ingesteld tegen bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op een klacht, op 27 september 2011 door [naam 2] MPA (hierna: [naam 2]) ingediend tegen [naam 1].

[naam 2] heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

In deze zaak is eerder op 3 december 2013 een zitting gepland geweest, welke zitting op verzoek van [naam 1] is uitgesteld.

Op 10 april 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. [naam 1] heeft zich daar laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. In verband met zijn gezondheidstoestand heeft hij zelf een gedeelte van de zitting bijgewoond. [naam 2] is in persoon verschenen.

2 De uitspraak van de accountantskamer

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en [naam 1] de maatregel van waarschuwing opgelegd.
Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2012:YH0261), die als hier ingelast wordt beschouwd.

3 De beoordeling van het hoger beroep

3.1

[naam 1] was als directeur verbonden aan het [naam 3] ([naam 3]). Onder zijn leiding heeft [naam 3] in 2011 in opdracht van de gemeenteraad van [plaats 2] een onderzoek uitgevoerd naar mogelijke tekortkomingen in (1) het professioneel handelen van de burgemeester, (2) de integriteit van de ambtelijke organisatie en (3) de effectiviteit van de klokkenluidersregeling. In dat onderzoek zijn zeventien onderwerpen dan wel dossiers betrokken. Op 24 augustus 2011 heeft [naam 3] rapport uitgebracht aan de gemeenteraad.
[naam 2] was loco-secretaris, clustermanager dienstverlening en waarnemend clustermanager maatschappelijke ontwikkeling bij de gemeente [plaats 2]. Hij was betrokken bij twee van de onderzochte dossiers, te weten “Bemoeienis aanstelling medewerker Kabinet” en “Aanstelling privérelatie als afdelingshoofd Communicatie”.

3.2

De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, welke weergave door partijen niet wordt bestreden, omvat de volgende verwijten jegens [naam 1]:
a. de onderzoeksopdracht en het onderzoeksbereik wijzigde vrijwel dagelijks;
b. ten onrechte is hoor en wederhoor achterwege gelaten;
c. het rapport is eenzijdig doordat slechts belastende verklaringen zijn opgenomen en er is afgegaan op anonieme verklaringen;
d. het rapport bevat feitelijke onjuistheden en er worden daarin onjuiste conclusies getrokken.

De accountantskamer is van oordeel dat [naam 1] een verwijt treft van:
- het niet tijdig en volledig informeren van [naam 2] omtrent het gegeven dat ook zijn functioneren, handelen en nalaten in de te onderzoeken dossiers voorwerp van aandacht zou (kunnen) zijn en dat daaraan dienaangaande een kwalificatie zou (kunnen) worden gegeven;
- het ontbreken in de uitgebrachte rapportage van een heldere, omlijnde omschrijving van de opdracht;
- het ten onrechte aanmerken van tien nadere, feitelijke vragen aan [naam 2] als het toepassen van wederhoor jegens [naam 2]; en
- het niet blijken van een deugdelijke grondslag voor twee van de vier kritische beoordelingen van het handelen en nalaten van [naam 2].
De accountantskamer is van oordeel dat [naam 1] daarmee in strijd heeft gehandeld met de fundamentele beginselen van objectiviteit en van deskundigheid en zorgvuldigheid.

Op 8 december 2012 is de registratie van [naam 1] in het register op diens eigen verzoek doorgehaald.

3.3

[naam 1] heeft als eerste grief tegen de uitspraak van de accountantskamer aangevoerd dat ten onrechte is geoordeeld dat hij, omdat hij stond ingeschreven in het register, aan het tuchtrecht is onderworpen. Hij is van oordeel dat hij in het onderhavige dossier niet beroepsmatig als registeraccountant is opgetreden. Daartoe voert hij aan dat [naam 3] geen accountantsorganisatie is, dat de aan [naam 3] verbonden onderzoekers geen accountancywerkzaamheden verrichten, dat [naam 3] geen assurance- of aan assurance verwante opdrachten verricht, dat het onderzoek van [naam 3] een integriteitsonderzoek betrof hetgeen fundamenteel verschilt van accountancywerkzaamheden, en dat voor het onderhavige integriteitsonderzoek geen accountantsdeskundigheid of aanverwante kennis was vereist, zoals op het terrein van financiële verslaglegging, controle, belastingen, administratieve organisatie en bedrijfseconomie. [naam 1] stelt dat hij aldus geen professionele dienst in de zin van de Verordening Gedragscode RA’s (VGC) heeft verricht.
[naam 1] voert tevens aan dat zijn rol bij het onderhavige onderzoek zeer beperkt was en hij geen inhoudelijke werkzaamheden heeft verricht op dit dossier. Hij heeft als directeur van [naam 3] de opdracht van de gemeente [plaats 2] aangenomen, de twee interviews met de burgemeester bijgewoond en het rapport ondertekend. Van beroepsmatig handelen in de zin van artikel 33 van de Wet op de Registeraccountants (Wet RA) is volgens hem geen sprake geweest.

3.3.1

Het College overweegt het volgende. In artikel 33 Wet RA, zoals dit luidde na de inwerkingtreding van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) per 1 mei 2009, is bepaald dat de registeraccountant bij het beroepsmatig handelen aan tuchtrechtspraak op de voet van de Wtra is onderworpen ter zake van (a) enig handelen of nalaten in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde; en (b) enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep. Zoals het College heeft overwogen in de uitspraak van 11 oktober 2012 (ECLI:NL:CBB:2012: BY0646) heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wtra voor wat betreft het bereik van het tuchtrecht aanvankelijk een onderscheid gemaakt tussen “werkzaamheden die tot de kerntaken van accountants gerekend kunnen worden” en “werkzaamheden die niet tot de kerntaken van de accountants behoren” zoals: juridische advisering, samenstelling van de boekhouding, belastingadviezen, forensische accountancy, due diligence en automatiseringsadviezen. Voor klachten over werkzaamheden die niet tot de kerntaken van de accountants behoren voorzag het wetsvoorstel in een klachtenprocedure bij de beroepsorganisatie en de mogelijkheid voor de voorzitters van de beroepsorganisaties om, nadat de klacht behandeld was door de klachtencommissie, een tuchtzaak aanhangig te maken bij de accountantskamer (Kamerstukken II, 2005/2006, 30397, nr. 3, p. 3 e.v.). Met de vierde nota van wijziging (Kamerstukken II, 2006/2007, 30397, nr. 12) is het wetsvoorstel aangepast in de zin dat alle klachten over het beroepsmatig handelen van accountants direct aan de accountantskamer kunnen worden voorgelegd. De regeling van de toegang tot de tuchtprocedure bij de accountantskamer is daarbij veranderd in die zin dat bij de accountantskamer klachten kunnen worden ingediend over ieder handelen of nalaten dat plaatsvindt in de beroepsmatige sfeer.

3.3.2

Het College is van oordeel dat de werkzaamheden die door dan wel onder verantwoordelijkheid van [naam 1] zijn verricht in het kader van het onder 3.1 genoemde onderzoek, behoren tot het beroepsmatig handelen waarbij de registeraccountant op voet van artikel 33 Wet RA aan tuchtrechtspraak is onderworpen. Het College heeft hiertoe in aanmerking genomen dat blijkens de geschiedenis van totstandkoming van de Wtra onder beroepsmatig handelen niet alleen werkzaamheden vallen die tot de kerntaken van registeraccountants behoren, maar ook werkzaamheden die daartoe niet behoren. Blijkens de opsomming die in de Memorie van toelichting bij de Wtra is gegeven van voorbeelden van werkzaamheden die behoren tot laatstbedoelde categorie, in welk verband onder meer juridische advisering en automatiseringsadviezen zijn genoemd, is het daarbij de bedoeling van de wetgever geweest dat het tuchtrecht zich uitstrekt tot een breed scala van werkzaamheden waarbij registeraccountants worden ingeschakeld. Nadat het wetsvoorstel was gewijzigd in die zin dat (direct) klachten kunnen worden ingediend over ieder handelen van registeraccountants in de beroepsmatige sfeer, welk voorstel uiteindelijk tot de hier van belang zijnde tekst van artikel 33 Wet RA heeft geleid, is de beoogde reikwijdte van het tuchtrecht niet kleiner geworden. De werkzaamheden die [naam 1] – destijds registeraccountant – in het kader van het door hem als integriteitsonderzoek aangemerkte onderzoek heeft verricht passen naar het oordeel van het College in bedoelde, niet uitputtend bedoelde opsomming en dienen dan ook te worden gerekend tot het beroepsmatig handelen als bedoeld in artikel 33 Wet RA. Overigens wijst het College er op dat appellant de opdrachtbevestiging aan de gemeenteraad van [plaats 2] van 27 april 2011 heeft ondertekend als directeur van [naam 3] met gebruikmaking van zijn titel RA.

De uitspraak van het College van 10 juli 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BX1256), waar [naam 1] naar heeft verwezen, is voor deze zaak niet relevant. Die zaak betrof de afbakening van handelen als (openbaar) accountant ten opzichte van – gesteld – handelen als privé-persoon, hetgeen hier niet aan de orde is.

De eerste grief van [naam 1] slaagt niet.

3.4

De tweede grief van [naam 1] houdt in dat de accountantskamer met haar oordeel dat hij de Praktijkhandreiking persoonsgerichte onderzoeken van 6 oktober 2010 (hierna: de Praktijkhandreiking) en/of de relevante jurisprudentie niet bij zijn onderzoek zou hebben betrokken, buiten de klacht is getreden. [naam 1] stelt dat [naam 2] hier niet over heeft geklaagd en de accountantskamer hem ter zitting daar ook niet over heeft bevraagd. Hij betoogt dat de accountantskamer op grond van artikel 22, vijfde lid, Wtra uitsluitend bevoegd is tot het aanvullen van de rechtsgronden en niet bevoegd is de feitelijke gronden aan te vullen, en dat dit zeker niet eerst op zitting mag geschieden.

3.4.1

Deze grief is gericht tegen overweging 4.5.1 van de bestreden uitspraak van de accountantskamer. De accountantskamer overweegt daar dat uit niets blijkt dat [naam 1] voorafgaande aan dan wel bij de onder zijn leiding uitgevoerde werkzaamheden heeft onderzocht of, en zo ja in hoeverre, de Praktijkhandreiking en/of omtrent het onderzoek met persoonsgerichte aspecten gevormde jurisprudentie van belang zouden kunnen zijn bij het door hem voldoen aan de basisprincipes, verplichtingen en essentiële werkzaamheden uit wet- en regelgeving, en dat daardoor niet kan worden vastgesteld of [naam 1] het conceptueel raamwerk als bedoeld in de artikelen A-100.5 e.v. van de Verordening gedragscode (hierna: VGC) heeft toegepast.
In overweging 4.5.2 van de bestreden uitspraak, waartegen deze grief eveneens is gericht, overweegt de accountantskamer vervolgens dat een eventueel niet of niet correct toepassen van (één of meer bepalingen van) de Praktijkhandreiking een tuchtrechtelijk verwijt kan opleveren, indien en voor zover daarmee schending van het bij de - destijds geldende - Wet RA of krachtens die wet bepaalde (zoals de VGC) aan de orde is dan wel hieruit volgt dat sprake is van handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van het accountantsberoep, een en ander als bedoeld in artikel 33 Wet RA.

3.4.2

Naar het oordeel van het College heeft de accountantskamer met de beide hiervoor aangehaalde overwegingen slechts het kader weergegeven waarbinnen de werkzaamheden van [naam 1] dienen te worden beoordeeld. Gelet op de aanleiding van het onderzoek heeft de accountantskamer daarbij terecht de Praktijkhandreiking betrokken. Er is geen sprake van een uitbreiding van de klacht, zoals door [naam 1] is gesteld.
Deze grief slaagt niet.

3.5

De derde grief van [naam 1] richt zich tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel a. Hij stelt dat noch uit het klaagschrift noch uit de pleitnota van [naam 2] volgt dat die erover heeft geklaagd dat niet duidelijk was dat ook zijn handelen in specifieke dossiers zou worden beoordeeld en dat hij daardoor is verrast door het rapport. Evenmin blijkt daaruit dat [naam 2] erover heeft geklaagd dat hij niet door of namens [naam 1] noch door of namens de opdrachtgever schriftelijk over het (mede) op hem gerichte onderzoek was geïnformeerd. [naam 1] meent dat de accountantskamer de klacht ten onrechte heeft uitgebreid.

3.5.1

De accountantskamer heeft met betrekking tot klachtonderdeel a geoordeeld dat het betoog van [naam 2] dat het onderzoek en het bereik daarvan zich vrijwel dagelijks uitbreidde, feitelijke grondslag mist. De accountantskamer is echter wel van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [naam 2] vóór het interview van 23 mei 2011 schriftelijk op de hoogte is gesteld dat óók zijn functioneren, handelen of nalaten in de te onderzoeken dossiers voorwerp van aandacht zou (kunnen) zijn en dat daaraan een kwalificatie zou (kunnen) worden gegeven. Ook stelt de accountantskamer vast dat in de uitgebrachte rapportage een heldere, omlijnde omschrijving van de opdracht ontbreekt. [naam 1] heeft volgens de accountantskamer onvoldoende de belangen van [naam 2] meegewogen in zijn handelen en zich in zoverre niet gehouden aan de voor hem geldende fundamentele beginselen van integriteit, objectiviteit en deskundigheid en zorgvuldigheid als bedoeld in artikel A-100.4 sub a., b. en c. VGC. In zoverre heeft de accountantskamer klachtonderdeel a gegrond verklaard.

3.5.2

Het College is van oordeel dat ook hier geen sprake is van een uitbreiding van de klacht door de accountantskamer. [naam 2] heeft in de aanvulling van zijn klacht bij brief van 11 oktober 2011 erover geklaagd dat voor hem tijdens het onderzoek onduidelijk was welke scope het onderzoek had, omdat deze vrijwel dagelijks wijzigde. Vervolgens heeft [naam 2] – zo blijkt uit de uitspraak van de accountantskamer – ter zitting een toelichting op klachtonderdeel a gegeven inhoudende dat het voor hem niet duidelijk was dat ook zijn handelen zou worden beoordeeld. Aangezien klachtonderdeel a in de kern inhoudt dat de onderzoeksopdracht en het onderzoeksbereik onduidelijk waren heeft de accountantskamer deze toelichting terecht in haar beoordeling van dit klachtonderdeel betrokken. Aan het feit dat niet uit het proces-verbaal blijkt dat [naam 2] dit naar voren heeft gebracht, komt geen doorslaggevende betekenis toe, aangezien – zoals gebruikelijk – een beknopt proces-verbaal is opgesteld en geen sprake is van een woordelijk verslag van hetgeen ter zitting bij de accountantskamer is besproken. [naam 1] heeft bovendien niet weersproken dat [naam 2] dit ter zitting naar voren heeft gebracht.
Deze grief slaagt niet.

3.6

Als vierde grief heeft [naam 1] aangevoerd dat [naam 2] wel degelijk was geïnformeerd over de aard en de reikwijdte van het onderzoek.
[naam 1] verwijst daarbij naar een door de interim gemeentesecretaris in overleg met [naam 3] gegeven briefing aan het managementteam van de gemeente, waarvan [naam 2] deel uitmaakte. Tijdens die briefing is volgens [naam 1] besproken welke dossiers onderwerp zouden zijn bij aanvang van het onderzoek, dat het onderzoek zich onder meer richtte op het handelen van de ambtenaren en dat een oproep werd gedaan aan de ambtenaren om informatie die van belang zou kunnen zijn voor het onderzoek (vertrouwelijk) te melden aan [naam 3]. Hij stelt dat het [naam 2] bekend was dat ook zijn handelen onderwerp van onderzoek zou (kunnen) zijn, omdat het onderzoek zich ook richtte op het handelen van de ambtelijke organisatie en [naam 2] een rol had gespeeld in de aanstelling van de medewerker Kabinet.
[naam 1] voert tevens aan dat [naam 2] zelf een informatiebijeenkomst voor ambtenaren heeft geleid over het onderzoek. Voorts wijst hij op een e-mail aan [naam 2] van 8 augustus 2011 waarin [naam 2] nogmaals is gewezen op de reikwijdte van het onderzoek.

3.6.1

Het College is van oordeel dat, zoals ook in paragraaf 5.1 van de Praktijkhandreiking als algemeen uitgangspunt is vermeld, degene die onderwerp is van een persoonsgericht onderzoek schriftelijk wordt geïnformeerd over het op hem gerichte onderzoek, tenzij de omstandigheden zich hiertegen verzetten. [naam 1] bestrijdt niet dat [naam 2] niet door of namens hem of de opdrachtgever schriftelijk is geïnformeerd over het feit dat het onderzoek mede op hem zou kunnen zijn gericht.
Zoals ook de accountantskamer heeft vastgesteld ontbrak ten tijde van het onderzoek een duidelijke omschrijving van de opdracht die aan [naam 3] was verleend. Voorts blijkt uit de uitspraak van de accountantskamer dat de twee door de gemeente gehouden algemene voorlichtingsbijeenkomsten qua inhoud niet hetzelfde waren en dat [naam 3] niet heeft vastgesteld dat [naam 2] één van die bijeenkomsten heeft bijgewoond.
Voor zover [naam 1] heeft verwezen naar de e-mail aan [naam 2] van – zo blijkt uit de stukken – 9 augustus 2011, geldt dat deze is verzonden nadat het interview met [naam 2] had plaatsgevonden. [naam 1] was toen al bezig met de afronding van het onderzoek, zoals ook aan [naam 2] is medegedeeld. Bovendien wordt in dit e-mailbericht weliswaar aan [naam 2] medegedeeld dat ‘de scope vanaf aanvang hetzelfde is geweest, namelijk ambtelijk en bestuurlijk handelen (en in het bijzonder dat van mevrouw [naam 4])’ maar wordt aan [naam 2] niet duidelijk gemaakt dat het onderzoek ook op hem is gericht.
Het College is gelet op het vorenstaande van oordeel dat niet staande gehouden kan worden dat [naam 2] was geïnformeerd over de aard en de reikwijdte van het onderzoek, zoals [naam 1] stelt, in die mate dat voor [naam 2] duidelijk was dat het onderzoek zich ook zou richten op zijn functioneren, handelen en nalaten in specifieke dossiers. Omstandigheden die zich tegen het (tijdig) informeren hebben verzet, zijn niet gesteld.
Deze grief slaagt niet.

3.7

De vijfde grief van [naam 1] houdt in dat de accountantskamer hem ten onrechte verwijt dat hij geen, althans niet correct, wederhoor heeft toegepast. Volgens hem is op alle relevante op [naam 2] betrekking hebbende bevindingen in het rapport hoor en wederhoor toegepast.
[naam 1] merkt op dat, zoals ook de accountantskamer heeft geoordeeld, uit het rapport in voldoende mate het standpunt van [naam 2] blijkt ter zake van (de bevindingen omtrent) het dossier ‘aanstelling afdelingshoofd Communicatie’ en het dossier ‘aanstelling medewerker Kabinet’. Voorts heeft [naam 3] [naam 2] op diverse momenten tijdens het onderzoek in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van en te reageren op de bevindingen ten aanzien van deze dossiers. Het toesturen van de tien bevindingen met vragen op 5 augustus 2011 en de reacties van [naam 2] hierop vormden volgens [naam 1] het sluitstuk van het hoor en wederhoor traject. Het bieden van wederhoor was dus niet beperkt tot de tien bevindingen en vragen alleen.
[naam 1] voert voorts aan dat de accountantskamer ten onrechte niet is nagegaan of de bevindingen waarover [naam 2] klaagt niet aan hem zouden zijn voorgelegd en of deze bevindingen als gevolg daarvan een deugdelijke grondslag zouden ontberen.

3.7.1

Blijkens het gespreksverslag is [naam 2] op 23 mei 2011 door medewerkers van [naam 3] gehoord, is op 29 mei 2011 een conceptverslag van dit gesprek aan hem voorgelegd en heeft hij op 30 mei 2011 daarop gereageerd. Uit het verslag blijkt dat onder meer is gesproken over de onderwerpen ‘benoeming medewerker kabinetszaken’ en ‘benoeming afdelingsmanager Communicatie’. Bij e-mailbericht van 5 augustus 2011 zijn aan [naam 2] door middel van het zogenoemde ‘wederhoordocument voor de heer [naam 2]’ nog vier vragen over de aanstelling van de heer [naam 5] (onderwerp benoeming medewerker kabinetszaken) en zes vragen over de aanstelling van de heer [naam 6] (onderwerp benoeming afdelingsmanager Communicatie) voorgelegd.
De accountantskamer is van oordeel dat het aan [naam 1] gemaakte verwijt dat [naam 2] niet is gehoord, geen doel treft, maar dat met het voorleggen van de vragen met het e-mailbericht van 5 augustus 2011 geen toepassing is gegeven aan het beginsel van wederhoor, omdat hierbij om nadere informatie is gevraagd en niet om een reactie op bevindingen. De accountantskamer is tevens van oordeel dat nu als vaststaand heeft te gelden dat [naam 1] het noodzakelijk heeft geacht om jegens [naam 2] wederhoor toe te passen om te bewerkstelligen dat zijn rapportage deugdelijke grondslag zou hebben, maar hij feitelijk geen wederhoor heeft toegepast, klachtonderdeel b in zoverre gegrond is.

3.7.2

In paragraaf 5.2 van de Praktijkhandreiking wordt onder wederhoor verstaan ‘het in de gelegenheid stellen van een betrokkene kennis te nemen van en te reageren op de bevindingen uit een op hem betrekking hebbend persoonsgericht onderzoek’. Wederhoor houdt derhalve in dat degene op wie het persoonsgerichte onderzoek betrekking heeft wordt geconfronteerd met de bevindingen van dat onderzoek voordat die bevindingen aan de opdrachtgever worden medegedeeld.

Het College is met de accountantskamer van oordeel dat met de vragen in het e-mailbericht van 5 augustus 2011 om nadere informatie is gevraagd en niet om een reactie op de bevindingen van het onderzoek. De accountantskamer heeft derhalve terecht geoordeeld dat [naam 1] in het geval van [naam 2] geen wederhoor heeft toegepast.

3.7.3

Zoals [naam 1] terecht stelt en ook door de accountantskamer is overwogen, is het toepassen van wederhoor ten aanzien van bevindingen in het algemeen geen doel op zich maar een middel ter verkrijging van een deugdelijke grondslag voor de bevindingen. Anders echter dan [naam 1] stelt is de accountantskamer met de bespreking van de klachtonderdelen c en d – in het bijzonder in overweging 4.11.2, onder B en C van de bestreden tuchtuitspraak – wel degelijk nagegaan of door het niet correct toepassen van het beginsel van wederhoor een deugdelijke grondslag aan de bevindingen is komen te ontvallen.
Ook deze grief slaagt niet.

3.8

Met zijn zesde grief stelt [naam 1] dat de accountantskamer door te oordelen dat voor twee beoordelingen in het rapport geen, althans in onvoldoende mate een deugdelijke grondslag zou zijn gebleken, de beginselen van behoorlijk procesrecht, zoals deze ook in het accountantstuchtrecht gelden, heeft geschonden. Volgens [naam 1] heeft de accountantskamer dit oordeel gegeven terwijl zij geen kennis heeft genomen van de feitelijke bevindingen die ten grondslag zijn gelegd aan bedoelde twee beoordelingen in het rapport.

3.8.1

[naam 1] heeft de feitelijke bevindingen in de vorm van de zogenoemde “Notitie vertrouwelijke bevindingen” niet ingebracht in de procedure bij de accountantskamer. Blijkens het proces-verbaal heeft de accountantskamer de behandeling ter zitting geschorst en zich beraden over de noodzaak deze vertrouwelijke notitie op te vragen, en heeft zij besloten dit niet te doen. De accountantskamer heeft in de uitspraak overwogen dat [naam 1] heeft te aanvaarden dat zij zonder kennis te kunnen nemen van de feitelijke bevindingen die hij aan zijn beoordeling ten grondslag heeft gelegd, een oordeel vormt over de deugdelijkheid van de door hem gemaakte beoordeling, zulks aan de hand van de wel overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting.
[naam 1] meent dat de beslissing van de accountantskamer om de notitie niet op te vragen niet tegen hem mag worden gebruikt door hem ter zake een verwijt te maken.

3.8.2

Zoals in de bestreden uitspraak door de accountantskamer is overwogen is het in een tuchtprocedure in beginsel aan de klager om feiten en omstandigheden te stellen en – in geval van (gemotiveerde) betwisting – aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat de betrokken accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Vaststaat dat de notitie niet in het bezit was van [naam 2] en alleen [naam 1] de mogelijkheid had deze notitie over te leggen aan de accountantskamer. Gezien de betekenis van deze notitie voor de door hem gegeven beoordelingen had [naam 1] er rekening mee kunnen en moeten houden dat door het niet overleggen van de notitie het voor de accountantskamer niet of niet goed mogelijk was om vast te stellen of voor de door hem gedane mededelingen een deugdelijke grondslag bestond. Niet valt in te zien dat de accountantskamer, door zonder in het bezit te zijn van de notitie een oordeel te geven over de door [naam 1] gegeven beoordelingen, heeft gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk procesrecht. Het College is voorts van oordeel dat de beslissing van de accountantskamer om hem in een zó laat stadium van de procedure niet meer de gelegenheid te bieden alsnog de notitie te overleggen, verdedigbaar is met het oog op de positie van [naam 2] en de beginselen van behoorlijk procesrecht.
Deze grief slaagt niet.

3.9

Met zijn zevende grief bestrijdt [naam 1] het oordeel van de accountantskamer dat geen deugdelijke grondslag is gebleken voor de beoordeling van [naam 3] dat de verklaring van [naam 2] dat de burgemeester geen rol heeft gespeeld bij de aanstelling van de medewerker kabinetszaken, in strijd is met de feiten en dat in onvoldoende mate een deugdelijke grondslag is gebleken voor de beoordeling van [naam 3] van dat de bejegening door [naam 2] van het hoofd van de afdeling kabinetszaken laakbaar en onzorgvuldig was. [naam 1] voert aan dat deze verwijten niet blijken uit het klaagschrift en dat hierover op de zitting van de accountantskamer niet of nauwelijks is gesproken en geen vragen zijn gesteld. De accountantskamer is volgens hem daarmee buiten de klacht getreden.
De verwijten stranden volgens hem ook op inhoudelijke gronden. Hij stelt dat, gezien de verklaringen van andere ambtenaren en ook de verklaring van [naam 2] tijdens het interview op 23 mei 2011, in het rapport terecht voorbij is gegaan aan het tijdelijk door [naam 2] ingenomen standpunt dat de burgemeester geen enkele rol zou hebben gespeeld bij de aanstelling van de medewerker Kabinet, omdat deze afwijkende verklaring in strijd is met de feiten.
Ook is het handelen van [naam 2] jegens de chef Kabinet volgens [naam 1] terecht als laakbaar en onzorgvuldig beoordeeld. Daartoe voert hij aan dat [naam 2] had verzuimd de chef Kabinet ten opzichte van de burgemeester te steunen inzake een conflict over de aansturing van de medewerker Kabinet en dat hij zich meermaals laatdunkend over de chef Kabinet had uitgelaten nadat zij ziek was geworden. Deze opstelling van [naam 2] paste volgens [naam 1] in de binnen de gemeente heersende cultuur waarbij ten koste van medewerkers geen weerstand werd geboden aan de burgemeester, en dit handelen is terecht als laakbaar en onzorgvuldig beoordeeld.

3.9.1

Het College stelt vast dat de klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, onder meer inhoudt dat het rapport feitelijke onjuistheden bevat en dat daarin onjuiste conclusies worden getrokken. [naam 2] heeft dit zowel in het klaagschrift van 27 september 2011 (en de daarbij behorende bijlage) als in de aanvulling op het klaagschrift van 3 oktober 2011 naar voren gebracht. Daarbij heeft [naam 2] zijn stellingen onderbouwd door in concreto in te gaan op de onjuistheden en discrepanties in het rapport ten aanzien van de twee dossiers waarin zijn handelen is beoordeeld. Het College ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat de accountantskamer met de hiervoor weergegeven beoordelingen buiten de klacht is getreden.

3.9.2

Over de verklaring van [naam 2] dat de burgemeester geen rol heeft gespeeld bij de aanstelling van de medewerker kabinetszaken staat in het rapport vermeld dat dit in strijd is met de feiten en dat uit e-mailverkeer blijkt dat de burgemeester wel een rol heeft gespeeld. Met
e-mailverkeer wordt blijkens het hogerberoepschrift bedoeld een e-mail van 3 oktober 2009 van mevrouw [naam 7], een medewerkster van de gemeente, aan [naam 2]. Deze e-mail van 3 oktober 2009 is volgens [naam 2] door hem aan [naam 1] ter hand gesteld.
In de Notitie vertrouwelijke bevindingen, die [naam 1] in hoger beroep alsnog heeft overgelegd, worden de volgende passages van deze e-mail weergegeven.

“ (…) Daarna heb ik nog een gesprek gehad met de burgemeester, die mij
heeft aangegeven dat zij verwacht dat de betreffende medewerker Kabinet
voor 6 maanden tijdelijk wordt aangesteld (“soort van stage”) en dat
Kabinet niet valt onder Communicatie, dus het afdelingshoofd
Communicatie er niets van hoeft te vinden (…) Hij komt fysiek dan op de
bestuursvleugel. Kan ervaring opdoen (waar het allemaal om te doen is)
(…)”

3.9.3

Uit de volledige tekst van het e-mailbericht kan worden afgeleid dat mevrouw [naam 7] vóór haar gesprek met de burgemeester een gesprek heeft gehad met het afdelingshoofd Communicatie, die heeft aangegeven [naam 5] slechts te willen aannemen indien hij ‘accordeert’ met communicatie/kabinetszaken en dat, indien positief, een proeftijd gewenst is van twee maanden.
Tevens blijkt uit het e-mailbericht dat mevrouw [naam 7] reeds op vrijdag 27 februari 2009, vóór het gesprek met het afdelingshoofd Communicatie en dus ook vóór het gesprek met de burgemeester, aan [naam 5] heeft medegedeeld dat hij de gelegenheid krijgt ervaring op te doen door een contract van 6 maanden.

3.9.4

Het College is gelet op het vorenstaande van oordeel dat uit het e-mailbericht van 3 oktober 2009 niet kan worden afgeleid dat de burgemeester zich daadwerkelijk met de aanstelling van [naam 5] zou hebben bemoeid. Uit de overige door [naam 1] in zijn beroepschrift aangehaalde passages uit de verklaringen van andere ambtenaren in de notitie Vertrouwelijke bevindingen, kan dit ook niet worden afgeleid. Uit deze passages, die in zeer algemene bewoordingen zijn gesteld, blijkt dat de betreffende ambtenaren zelf verklaren dat zij over de aanstelling van [naam 5] weinig weten. Derhalve is er geen deugdelijke grondslag voor de in het rapport getrokken conclusie dat de verklaring van [naam 2] hierover in strijd is met de feiten.

3.9.5

Ten aanzien van de handelwijze van [naam 2] jegens de chef Kabinet wordt in het rapport opgemerkt dat de chef Kabinet mede als taak kreeg om structureel leiding en sturing te bieden aan de medewerker Kabinet maar [naam 2] haar niet steunde toen door de medewerker Kabinet werd geklaagd over de strakke aansturing. In het rapport wordt tevens opgemerkt dat [naam 2] de chef Kabinet niet heeft gesteund toen de burgemeester een correctieve interventie jegens haar pleegde en dat hij, nadat de chef Kabinet ziek is geworden, zich laatdunkend heeft uitgelaten over haar door onder meer haar ziek zijn in een e-mail aan haar advocaat in twijfel te trekken.
Uit eerdergenoemd gespreksverslag van 23 mei 2011 en de e-mail van [naam 2] aan [naam 3] van 8 augustus 2011, in antwoord op een vraag in het e-mailbericht van 5 augustus 2011, blijkt dat [naam 2] herhaaldelijk en gemotiveerd zijn standpunt hierover uiteen heeft gezet, waarbij hij onder meer is ingegaan op het functioneren van de betreffende medewerkster in haar functie als chef Kabinet en daaraan voorafgaand. In het rapport en in de notitie Vertrouwelijke bevindingen staat daarover nauwelijks iets vermeld. Zonder nader onderzoek van [naam 3] op dit punt bestaat er naar het oordeel van het College onvoldoende deugdelijke grondslag voor het in het rapport gegeven oordeel dat het handelen van [naam 2] jegens de chef Kabinet onzorgvuldig was en in strijd met de vereisten van goed ambtenaarschap.

3.9.6

Gelet op het vorenstaande is het College van oordeel dat de accountantskamer terecht tot het oordeel is gekomen dat er geen althans onvoldoende deugdelijke grondslag bestaat voor de beoordeling van [naam 3] dat de verklaring van [naam 2] dat de burgemeester geen rol heeft gespeeld bij de aanstelling van de medewerker kabinetszaken in strijd was met de feiten, en voor de beoordeling van [naam 3] dat de bejegening door [naam 2] van het hoofd van de afdeling kabinetszaken laakbaar en onzorgvuldig was.
De zevende grief slaagt niet.

3.10

Ten aanzien van de opgelegde tuchtrechtelijke maatregel wijst het College erop dat, aangezien de grieven van [naam 1] niet slagen, de door de accountantskamer aan [naam 1] gemaakte verwijten in stand blijven. Deze verwijten behelzen op verschillende onderdelen gedragingen van [naam 1] die een schending opleveren van de fundamentele beginselen van deskundigheid en zorgvuldigheid en van objectiviteit. De accountantskamer heeft vervolgens op basis van een door haar gemaakte afweging geoordeeld dat in dit geval met oplegging van de maatregel van waarschuwing kon worden volstaan.

Naar het oordeel van het College is de door de accountantskamer op grond deze verwijten opgelegde maatregel van waarschuwing passend en geboden te achten. Het betoog van [naam 1] dat de accountantskamer had moeten afzien van het opleggen van een maatregel, wordt dan ook niet onderschreven.

3.11

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

3.12

Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants, en artikel 40 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

4 De beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond;

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M.M. Smorenburg en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op
18 december 2014.

w.g. J.L.W. Aerts de griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen