Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:458

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
AWB 14/763
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

afstandverklaring, verkoop zaak binnen 14 dagen

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 5:31, geldigheid: 2014-12-16
Algemene wet bestuursrecht 5:30, geldigheid: 2014-12-16
Wet dieren, geldigheid: 2014-12-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/763

11201

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 december 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1], te [plaats], verzoekster

(gemachtigde mr. J.K.T. Schoffelen),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. W.L.C. Rijk).

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2014 heeft verweerder ten aanzien van de hond van verzoekster spoedbestuursdwang toegepast. Op die datum is de hond van verzoekster meegevoerd en opgeslagen.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014.

Partijen zijn verschenen bij genoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het besluit van 12 november 2014, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2. Voor de voorzieningenrechter zijn de volgende feiten komen vast te staan.

Verzoekster is op 12 november 2014 om 09.00 uur in haar woning aangehouden. De betrokken verbalisanten hebben zich ook over de hond van verzoekster, een Chihuahua pup, ontfermd en deze tijdelijk op het politiebureau ondergebracht.

Uit het, op afstand met informatie van [naam 2], hoofdagent van politie te [plaats], door [naam 3], districtsinspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming, opgestelde toezichtrapport van 13 november 2014 blijkt dat verweerder om 18.30 uur een overtreding heeft geconstateerd en dat verzoekster om 18.35 uur bestuursdwang is aangezegd. Een aangewezen opslaghouder heeft de pup opgehaald.

Daags daarna is 's-middags een proces-verbaal van meevoeren en opslaan aan verzoekster uitgereikt en heeft verzoekster ten overstaan van verbalisant [naam 4] de volgende in het Nederlands opgestelde verklaring ondertekend:

"Geachte mevrouw [naam 1]

U heeft zojuist verklaard afstand te willen doen van uw hond zijnde een Chihuahua, vrouwelijk.
Met het onderteken van dit formulier tekent u afstand van uw hond zoals hierboven omschreven.

(…)"

Vervolgens is verzoekster rond 18.00 uur heengezonden.

Bij besluit van 17 november 2014 is de beslissing tot toepassing van spoedbestuursdwang op schrift gesteld. Dit besluit luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"(…)

Beslissing

Ik heb op 12 november 2014 bestuursdwang toegepast. Het doel van de bestuursdwang was ervoor te zorgen dat u de gezondheid ven het welzijn van uw hond niet langer benadeelde. De bestuursdwang was van toepassing op uw hond. Omdat er na een mondelinge toezegging van bestuursdwang, geen verzorging was geregeld, is uw hond op 12 november 2014 in bewaring genomen. Ik heb uw hond in een geschikte huisvesting bij een opslaghouder geplaatst. (…)

Ik wil de kosten van inbewaringname niet onnodig laten oplopen en u heeft een afstandsverklaring getekend voor uw hond. Daarom ben ik van plan om uw hond over te dragen aan derden zodra de gezondheidstoestand van de dieren voldoende is. De geplande datum hiervoor is 17 november 2014.

Welke overtredingen hebben we vastgesteld?

Bij de controle was vastgesteld dat de gezondheid en het welzijn van uw hond ernstig waren aangetast. Bij deze brief krijgt u een kopie van het toezichtrapport van de LID. Hierin leest u welke overtredingen tijdens de controle zijn vastgesteld. In de bijlage bij deze brief kunt u zien welke wet- en regelgeving hier geldt.

(…)"

Uit een ontvangstbevestiging gedagtekend 18 november 2014 valt af te leiden dat verweerder de hond aan een derde overdraagt, welke op 20 november 2014 de ontvangst van de hond bevestigt.

3. Verzoekster heeft aangevoerd dat er geen sprake was van verwaarlozing van de hond of aantasting van het welzijn. Verweerder heeft dan ook ten onrechte bestuursdwang toegepast. Verder heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door, zonder (nader) onderzoek te doen of terugkoppeling naar verzoekster, de hond vrij te geven. De afstandsverklaring die verzoekster heeft ondertekend is onder druk door haar getekend. Zij heeft geen enkele uitleg gekregen. Zij wilde juist geen afstand doen van haar hond en meende te moeten tekenen voor de zorg en opvang van haar hond. Bovendien spreekt verzoekster geen Nederlands of Engels. De gemachtigde van verzoekster heeft tussen 14 november en 19 november 2014 tevergeefs getracht van verweerder nadere informatie te verkrijgen over de hond; een belafspraak met verweerder kon pas tien dagen later worden ingepland.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat ten aanzien van de hond van verzoekster op 12 november 2014 om 18.35 uur spoedbestuursdwang, als neergelegd in artikel 5:31, tweede lid, van de Awb is uitgeoefend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de toestand van de hond op
12 november 2014 om 18.35 uur niet dusdanig spoedeisend was dat onmiddellijk ingrijpen door verweerder was vereist. Het toezichtrapport biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Verweerder heeft ter zitting erkend dat geen controle heeft plaatsgevonden waaruit volgt dat, zoals verwoord in het besluit van 17 november 2014, de gezondheid en het welzijn van hond ernstig waren aangetast. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld heeft verweerder evenmin een plausibele verklaring gegeven waarom verzoekster niet de gelegenheid is geboden opvang voor haar hond te regelen. Voor zover verweerder in dit verband heeft betoogd dat uit het toezichtrapport moet worden afgeleid dat verzoekster eerder die dag – om 15.00 uur en om 18.29 uur – te kennen heeft gegeven de hond geen verzorging te kunnen bieden, hetgeen verzoekster uitdrukkelijk betwist, blijkt op geen enkele wijze op grond waarvan en aan wie verzoekster dit te kennen heeft gegeven. Ook ter zitting heeft verweerder daarover geen opheldering kunnen geven.

4.2

Niet in geschil is dat verzoekster op 13 november 2104 in vrijheid is gesteld en vanaf dat moment in staat was om de hond te verzorgen. Ter zitting is op basis van door de gemachtigde van verzoekster getoonde mailberichten voorts komen vast te staan dat verweerder in ieder geval op 17 november 2014 ervan op de hoogte was dat verzoekster afgifte van haar hond vorderde. Desondanks heeft verweerder de hond verkocht.

Voor zover verweerder heeft aangevoerd dat gelet op de door verzoekster getekende verklaring vaststaat dat verweerder de hond niet binnen dertien weken aan verzoekster kon teruggegeven, zodat verweerder bevoegd was de hond te verkopen, geldt het volgende.

Artikel 5:29, derde lid, van de Awb luidt:

"Het bestuursorgaan draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende."

Artikel 5:30 Awb luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. Indien een meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen dertien weken nadat zij is meegevoerd kan worden teruggegeven, kan het bestuursorgaan de zaak verkopen.

2. Het bestuursorgaan kan de zaak eerder verkopen, zodra de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten (…) in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.

3. Verkoop vindt evenwel niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift van het proces-verbaal van meevoeren en opslaan (…)"

Het bepaalde in artikel 5:30 van de Awb strekt tot bescherming van de belangen van de rechthebbende. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan een rechthebbende afstand doen van een zaak. Evenwel is eerst sprake van rechtsgeldig afstand doen wanneer dit op de vrije wil van de rechthebbende berust en de afstand ondubbelzinnig is gedaan. Hiertoe zal de rechthebbende ten minste voldoende en duidelijk geïnformeerd moeten zijn over de keuzemogelijkheden, zal hij geestelijk competent moeten zijn om de consequenties van het besluit te doorgronden en mag hij niet worden gedwongen het besluit te nemen tot het doen van afstand.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit in het geval van verzoekster geenszins komen vast te staan. De enkele afstandsverklaring, die verzoekster betwist, biedt daarvoor onvoldoende grondslag. Uit het toezichtrapport blijkt niet op welke wijze de afstandsverklaring tot stand is gekomen. Evenmin blijkt of verzoekster eenduidig en volledig is geïnformeerd over haar keuzemogelijkheden en de consequenties van deze keuzes. Vaststaat dat verzoekster op moment dat zij de verklaring ondertekende niet de beschikking had over het op schrift gestelde besluit tot spoedbestuursdwang dan wel het toezichtrapport. Dat aan haar volgens verweerder wel het proces-verbaal van meevoeren en opslaan was uitgereikt leidt niet tot de conclusie dat verzoekster volledig was geïnformeerd nu uit dat proces-verbaal niet meer blijkt dan dat haar hond op 12 november 2014 is meegevoerd en opgeslagen. Voorts neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoekster zich op het politiebureau bevond en verweerder haar een in het Nederlands gestelde verklaring heeft laten ondertekenen, zodat verzoekster volledig heeft moeten afgaan op de mondelinge vertaling van een tolk, wiens aanwezigheid door verzoekster wordt betwist. Onder deze omstandigheden had verweerder er niet zonder meer op mogen vertrouwen dat verzoekster eenduidig afstand van haar hond deed. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat ook in het geval verzoekster uit vrije wil, eenduidig afstand van haar hond zou hebben gedaan, verweerder op 18 november 2014 niet bevoegd was om tot verkoop van de hond over te gaan, nu is gesteld noch gebleken dat de kosten voor verzoekster onevenredig hoog zouden oplopen indien verweerder de veertiendagentermijn die het derde lid stelt in acht zou hebben genomen.

4.3

Het vorenstaande in aanmerking nemende, kan verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter slechts op zorgvuldige wijze op het bezwaar van verzoekster beslissen indien hij in zijn besluitvorming mede betrekt de vraag of degene aan wie verweerder onbevoegdelijk verzoeksters hond heeft overgedragen bereid is de hond af te geven tegen vergoeding van kosten. Aangezien verweerder heeft verklaard niet voornemens te zijn om – indien en voor zover het besluit van 17 november 2014 als onrechtmatig moet worden beschouwd – dat te onderzoeken ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb verweerder op te dragen zodanig onderzoek in te stellen.

5. Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe;

- treft de voorlopige voorziening dat verweerder onverwijld onderzoekt of degene aan wie verweerder onbevoegdelijk verzoeksters hond heeft overgedragen bereid is de hond af te geven tegen vergoeding van kosten en de resultaten van dit onderzoek betrekt in de te nemen beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan verzoekster
te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een
bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.M. van den Berk, in aanwezigheid van
mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
16 december 2014

w.g. J.A.M. van den Berk w.g. P.M. Beishuizen