Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:451

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
08-12-2014
Zaaknummer
AWB 13/392
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfstoeslag 2010, GPS-meting, slotenmarge

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/392

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2014 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1], te [plaats], appellante

(gemachtigde: ir. S. Boonstra)

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. E.L.G.M. Boumans).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder appellantes bedrijfstoeslag voor het jaar 2010 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling).

Bij besluit van 8 maart 2012 (besluit 1) heeft verweerder het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen besluit 1 beroep ingesteld.

Bij besluit van 15 november 2012 (besluit 2) heeft verweerder besluit 1 herzien

Appellante heeft de gronden van het beroep aangevuld naar aanleiding van besluit 2.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2013. Appellante was vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [naam 1]. Verweerder was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Appellante heeft bij brief van 10 december 2013 een aanvullend stuk ingezonden.

Bij brief van 25 maart 2014 heeft verweerder het College geïnformeerd over de uitkomst van een nadere beoordeling van de zaak op basis van de beschikbare stukken.

Bij brief van 2 juli 2014 heeft appellante hierop gereageerd.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting, heeft het College het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zoals deze bepaling luidde tot 1 januari 2013, wordt het beroep van appellante tegen besluit 1 geacht mede te zijn gericht tegen de besluit 2. Niet gebleken is dat appellante nog belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen besluit 1. Het beroep tegen dit besluit zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat alleen het beroep tegen besluit 2 door het College inhoudelijk zal worden beoordeeld.

2.1

Appellante heeft met de Gecombineerde opgave 2010 om uitbetaling van haar bedrijfstoeslag voor het jaar 2010 verzocht. Hiervoor heeft zij 22 percelen opgegeven met volgens haar opgave een totale oppervlakte van 40.08 ha, inclusief 0.55 ha slotenmarge voor de percelen 4 en 15. Appellante beschikt in 2010 over 40,00 toeslagrechten.

2.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder appellantes bedrijfstoeslag voor 2010 vastgesteld op een bedrag van netto € 13.396,59, na aftrek van de modulatiekorting en een aanvullende korting van € 3.961,27 in verband met de afgekeurde oppervlakte van 2.92 ha. De door verweerder geconstateerde oppervlakte bedraagt in totaal 37.08 ha, waaronder een slotenmarge van in totaal 0.13 ha voor de percelen 4 en 15.

3. Bij besluit 2 heeft verweerder de bedrijfstoeslag vastgesteld op netto € 14.557,30. Hierbij is de afgekeurde oppervlakte nader bepaald op 1.99 ha en de daarmee verband houdende aanvullende korting verlaagd naar € 2.699,63. De geconstateerde oppervlakte is gewijzigd in 38.01 ha. Verweerder heeft hierbij alsnog een slotenmarge vastgesteld van in totaal 0.53 ha voor de percelen 1 tot en met 6, 8 tot en met 11, 15, 18 en 20.

4.1

In het naar aanleiding van besluit 2 ingediende aanvullende beroepschrift heeft appellante opgemerkt dat verweerder bij dit besluit de geconstateerde oppervlakte gelijk heeft getrokken met de geconstateerde oppervlakte in het besluit op bezwaar van
14 november 2012 tot vaststelling van de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2011 (besluit BTR 2011) en dat zij eveneens beroep (12/1096) heeft ingesteld tegen het besluit BTR 2011. Appellante verwijst naar de in die beroepsprocedure ingediende, hierna weer te geven, beroepsgronden.

4.2

Appelante voert allereerst aan dat de AAN-laag van bijna alle aangevraagde percelen op onjuiste wijze is gepositioneerd binnen de Basis Registratie Percelen. In waterrijke gebieden is de AAN-laag veelal te ver naar binnen gelegd, uitgaande van een aanzienlijk talud aan de waterkant. Dit is ook het geval met betrekking tot de percelen van appellante, waardoor ten onrechte beteelbare oppervlakte buiten beschouwing is gelaten. Ter ondersteuning van dit standpunt wijst appellante op de in haar opdracht door Boon-landmeten uitgevoerde GPS-metingen. Appellante is van mening dat verweerder de resultaten van deze metingen moet overnemen. Ook indien er sprake zou zijn van taluds aan de waterkant, is dit subsidiabele oppervlakte omdat ze zijn begroeid met gras en worden begraasd door de koeien.

4.3

In de resultaten van de GPS-metingen van Boon-landmeten ziet het College geen grond voor het oordeel dat verweerder de oppervlakten van de percelen van appellante onjuist heeft vastgesteld. Met de daartoe als bijlage 10 bij het verweerschrift overgelegde luchtfoto’s, waarop de projectie van deze meetresultaten op de AAN-laag zichtbaar is gemaakt, heeft verweerder naar het oordeel van het College aannemelijk gemaakt dat bij deze metingen de perceelsgrenzen op veel plaatsen buiten de grenzen van de referentiepercelen in de AAN-laag (op het wateroppervlakte van sloten, ruim landinwaarts) terecht zijn gekomen. Appellante heeft dit ook niet betwist.

5.1

Appellante heeft verder aangevoerd dat verweerder niet heeft onderbouwd waarom de aangevraagde slotenmarge deels is afgewezen. De slotenmarge is, aldus appellante, direct afhankelijk van de subsidiabele oppervlakte landbouwgrond: hoe kleiner de geconstateerde oppervlakte van het perceel, hoe groter de aangrenzende sloot waardoor de slotenmarge eerder zal worden afgewezen.

5.2

In de Gecombineerde opgave 2010 heeft appellante voor twee percelen slotenmarge aangevraagd. Bij besluit 2 heeft verweerder voor in totaal twaalf percelen, waaronder de aangevraagde percelen 4 en 15, slotenmarges toegekend. Verweerder heeft dit gedaan op grond van een uitsluitend voor het jaar 2010 geldende vaste werkwijze die stoelde op de gedachte dat de regelgeving wat betreft het aanvragen van slotenmarge voor dat jaar nieuw was. In het licht van de ingevolge artikel 66 van de Regeling geldende eisen met betrekking tot de slotenmarge, ziet het College, gelet op luchtfoto’s, geen grond voor het oordeel dat verweerder de slotenmarges voor deze percelen onjuist heeft vastgesteld. Appellante heeft ook geen concrete argumenten aangedragen waarom deze slotenmarges onjuist zouden zijn.

6.1

Appellante is van mening dat verweerder haar, gelet op artikel 73, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1222/2009 ten onrechte een korting heeft opgelegd, nu haar geen schuld treft. De door appellante in voorgaande jaren aangevraagde oppervlakten zijn door verweerder immers goedgekeurd. Bovendien zijn de oppervlakten bevestigd door de GPS-metingen van Boon-landmeten en een door de Algemene Inspectiedienst (AID) uitgevoerde meting voor het jaar 2010. Appellante stelt dat zij is gebaat bij een eenduidige vaststelling van de geconstateerde oppervlakte. Dit blijkt uit de brief van de Dienst Regelingen (DR) van 15 mei 2012 waarin haar is meegedeeld dat zij bij de opgave voor 2011 opzettelijk een onjuiste opgave van de oppervlakte van een aantal percelen heeft gedaan en zij is gewaarschuwd bij het indienen van de Gecombineerde opgave 2012 rekening te houden met de door de DR geconstateerde afwijkingen.

6.2

Het College stelt vast dat appellante voor de bedrijfstoeslag 2010 een te grote oppervlakte heeft opgegeven, die de goedgekeurde oppervlakte met meer dan 3 % overschrijdt. Hiermee is in beginsel gegeven dat aan appellante een (extra) korting op de voet van artikel 58 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 moet worden opgelegd.

6.3

Op grond van artikel 73, eerste lid, van verordening(EG) nr. 1122/2009 zijn kortingen als hier bedoeld niet van toepassing indien de landbouwer feitelijk juiste gegevens heeft verstrekt of indien hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft.

6.4

Niet in geschil is dat appellante bij het invullen van de aanvraag bedrijfstoeslag 2010 bij een aantal percelen een grotere oppervlakte heeft opgegeven dat de oppervlakte die op dat moment op basis van de toen geldende AAN-laag was geregistreerd. In zoverre heeft appellante geen juiste gegevens verstrekt.
Het College onderschrijft de conclusie van verweerder dat appellante niet heeft bewezen dat haar geen schuld treft. Naar het oordeel van het College kan het appellante niet zijn ontgaan dat zij de in verweerders systeem geregistreerde oppervlaktes overschreed, toen zij haar aanvraag voor 2010 invulde; appellante heeft in haar aanvraag immers steeds de reden daarvoor moeten aangeven. Nu het appellante bekend was of kon zijn dat verweerder jaarlijks zelfstandig de subsidiabele oppervlaktes vaststelt aan de hand van de referentiepercelen, mocht zij er bij het invullen van de oppervlaktes van haar percelen in de aanvraag niet van uitgaan dat de resultaten van de GPS-metingen van Boon-landmeten juist waren. De resultaten van de door de AID op 2 augustus 2010 uitgevoerde GPS-metingen van de percelen van appellante in het kader van een controle voor het subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer waren ten tijde van het invullen van de aanvraag voor de bedrijfstoeslag 2010 nog niet bekend. Deze resultaten kunnen reeds daarom niet leiden tot de conclusie dat appellante geen schuld treft. Van belang is verder dat appellante bij brief van 30 september 2010 in de gelegenheid is gesteld haar perceelsgegevens te controleren en zo nodig naar beneden bij te stellen om korting te voorkomen (de zogeheten e-bopprocedure). Daarbij kon appellante de nieuwe referentiepercelen en de door haar aangevraagde percelen raadplegen in het systeem en daarbij zien dat de aangevraagde oppervlakten afweken van de nieuwe referentiepercelen. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat appellante geen nadere stappen heeft gezet naar aanleiding van de “ebopbrief”.

6.5

Gelet op het vorenstaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder op basis van artikel 73, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van een korting had moeten afzien.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen besluit besluit 1 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. L.C. Bannink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2014.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. L.C. Bannink