Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:448

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
AWB 13/967
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gecombineerde opgave 2013, te late aanvraag, uitzonderlijke omstandigheden

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2014-12-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/967

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2014 in de zaak tussen

[naam 1], te [plaats 1], appellant

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2013 heeft verweerder de namens [naam 2] te [plaats 2] ([naam 2]) voor het jaar 2013 aangevraagde bedrijfstoeslag op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling) vastgesteld.

Bij besluit van 8 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2014. Appellant is verschenen, vergezeld van drs. J. Lauret RA (Lauret). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen


Op respectievelijk 1 en 7 maart 2013 zijn [naam 2] en zijn echtgenote overleden. Hun huwelijk was kinderloos gebleven. Appellant is benoemd tot executeur-testamentair. Bij brief van 22 maart 2013, gericht aan [naam 2], heeft verweerder medegedeeld dat het tijd is voor het indienen van de Gecombineerde opgave. In de brief is toegelicht deze opgave ook digitaal kan worden gedaan en uiterlijk 15 mei 2013 moet zijn ontvangen. Appellant heeft op 27 maart 2013 telefonisch nagevraagd hoe hij na het overlijden van [naam 2] moet handelen bij het indienen van de Gecombineerde opgave 2013 (GO 2013). Verweerder heeft hem toen te kennen gegeven dat hij op het relatienummer van [naam 2] een aanvraag kan indienen. Bij brief van 3 mei 2013, gericht aan [naam 2], heeft verweerder eraan herinnerd dat de GO 2013 tot en met 15 mei 2013 kan worden ingediend. Op 21 mei 2013 heeft appellant een formulier ‘Melding machtiging met verklaring van erfrecht’ aan verweerder gezonden. Bij brief van

3 juni 2013 heeft verweerder aan appellant bericht dat hij toegang heeft gekregen tot ‘Mijn dossier’ van [naam 2]. Bij brief van 2 augustus 2013, eveneens gericht aan [naam 2], heeft verweerder te kennen gegeven dat de GO 2013 niet is ontvangen. Nadat appellant op
2 augustus 2013 nogmaals met verweerder heeft gebeld heeft hij op 3 augustus 2013 de GO 2013 ingediend. Verweerder heeft de opgave afgewezen wegens te late indiening.


Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden, hoewel hij daarvan volledig op de hoogte was. In verband met het overlijden heeft Lauret geprobeerd om langs elektronische weg de aanvraag in te dienen. Het elektronisch systeem was in verband met het overlijden echter geblokkeerd. Verweerder heeft de erfgenamen daarover niet bericht en geen melding gemaakt dat de aanvraag door middel van een machtiging moest worden overgedragen aan de erfgenamen. Hierdoor is veel kostbare tijd verspild. Pas bij brief van 3 juni 2013 heeft verweerder appellant geïnformeerd dat hij toegang had tot ‘Mijn dossier’ van [naam 2] zonder te vermelden dat de aanvraag vóór
9 juni 2013 moest worden ingediend. De toegang bleek vervolgens niet te werken en digitale indiening was pas mogelijk na tussenkomst van de servicedienst van verweerder.

3.1

Het College stelt, net als in zijn uitspraak van 16 september 2005 (ECLI:NL:CBB:2005: AU3647) voorop dat het de verantwoordelijkheid is van appellante, als aanvrager van de subsidie, om tijdig haar aanvraag in te dienen. Het risico dat de aanvraag verweerder niet tijdig bereikt ligt bij appellante. Volgens het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 november 2004 (ECLI:EU:C:2004:714) is een aanvraag slechts tijdig ingediend indien zij voor de afloop van de termijn door de bevoegde instantie is ontvangen. De termijn voor de indiening van de GO 2013 eindigde op 15 mei 2013. Wordt de aanvraag meer dan 25 kalenderdagen te laat ingediend, dan wordt deze behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden afgewezen. Verweerder heeft de aanvraag van appellante op 3 augustus 2013 ontvangen. Dit is meer dan 25 kalenderdagen na sluiting van de aanvraagperiode.

3.2

Het College is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in de Europese landbouwverordeningen. Het College heeft er begrip voor dat de benoeming van appellant tot executeur-testamentair voor hem veel extra werk met zich bracht en hem confronteerde met de indiening van een aanvraag om bedrijfstoeslag waarmee hij geen eerdere ervaring had opgedaan. Niettemin heeft appellant de indiening van de GO 2013 zelf op zich genomen zonder de bijstand van een deskundige. Het College overweegt hierbij dat niet is gebleken dat verweerder in het kader van het overleg dat plaatsvond tussen appellant en verweerder op 27 maart 2013 een inadequaat of een onjuist antwoord heeft gegeven op de door appellant gestelde, concrete vraag. Nu appellant toen niet heeft geïnformeerd naar de diverse aanvraagmodaliteiten, hoefde verweerder dit niet spontaan toe te lichten. Bovendien kon appellant uit de brief van 22 maart 2013 opmaken dat er ook een mogelijkheid bestond om de aanvraag op papier in te dienen en vermeldt deze brief uitdrukkelijk als uiterste indieningsdatum 15 mei 2013. Appellant heeft pas na die datum aan verweerder toegang tot het digitale dossier van [naam 2] gevraagd. De ontstane vertraging in de toegang tot dat digitale dossier komt naar het oordeel van het College voor zijn risico.

3.3

Tijdens een telefoongesprek op 5 november 2011 heeft appellant aan verweerder te kennen gegeven dat hij afziet van een hoorzitting. Onder die omstandigheden heeft verweerder terecht met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen van appellant afgezien.


4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing


Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.

w.g. R.C. Stam w.g. E. van Kerkhoven