Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:444

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
AWB 11/94
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Bedrijfstoeslag 2009; oppervlakte percelen; op grond van vaste rechtspraak is procesbelang aangenomen; een beroepsgrond ingetrokken; overige beroesgronden onvoldoende onderbouwd; beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 11/94

5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2014 in de zaak tussen

Firma [naam 1], te [plaats], appellante

(gemachtigden: [naam 2] en [naam 3])

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2010 (primaire besluit) heeft verweerder appellantes bedrijfstoeslag voor het jaar 2009 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling).

Bij besluit van 20 december 2010 (bestreden besluit) heeft verweerder het door appellante gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.

Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 7 oktober 2011 (nader besluit) heeft verweerder het besluit van
20 december 2010 herzien.

Het College heeft partijen bericht dat de behandeling van het beroep is aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die bij uitspraak van 24 oktober 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BY2054) in een vergelijkbare andere zaak door het College aan het Hof van Justitie (Hof) zijn gesteld. Deze vragen zijn met een arrest van het Hof van 10 april 2014 (C-485/12; ECLI:EU:C:2014:250) (www.curia.com) beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2014. Partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten.

1.1.

Appellante heeft met een Gecombineerde Opgave 2009 uitbetaling van haar toeslagrechten aangevraagd en hiervoor 48 percelen met een totale oppervlakte van 68.92 hectare grond opgegeven.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de netto bedrijfstoeslag van appellante voor 2009, na aftrek van de modulatiekorting, vastgesteld op € 27.127,93. Verweerder heeft de definitieve oppervlakte aan subsidiabele landbouwgrond hierbij overeenkomstig de beschikbare toeslagrechten van appellante vastgesteld op 47.83 hectare. De toeslagrechten zijn hiermee derhalve volledig benut. De bijlage bij het primaire besluit bevat een overzicht van de oppervlaktes van alle percelen zoals deze door appellante zijn opgegeven en door verweerder zijn vastgesteld. In het overzicht is bij alle percelen, met uitzondering van perceel 26, door verweerder vermeld: “Bij een controle is gebleken dat de oppervlakte die u heeft opgegeven niet klopt. Daarom is de oppervlakte aangepast.” Uit het overzicht kan worden afgeleid dat verweerder een oppervlakte van in totaal 63.17 hectare landbouwgrond heeft geconstateerd.

1.3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en de oppervlaktes van een aantal percelen opnieuw vastgesteld. De bij het primaire besluit toegekende bedrijfstoeslag is niet gewijzigd.

2.1.

Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Zij is het niet eens met de door verweerder geconstateerde oppervlaktes van een aantal percelen. Appellante heeft ter ondersteuning van dit standpunt gewezen op de resultaten van in haar opdracht uitgevoerde GPS-metingen van haar percelen, die zij in juni 2011 aan verweerder heeft gestuurd. Volgens deze metingen bedraagt de totale oppervlakte van de landbouwgrond 66.67 hectare.

2.2.

Naar aanleiding van deze GPS-metingen heeft verweerder het bestreden besluit bij het nader besluit herzien en de geconstateerde oppervlaktes van alle percelen, met uitzondering van perceel 32, gewijzigd vastgesteld. Uit het nader besluit kan worden afgeleid dat verweerder hierbij een oppervlakte van in totaal 66.66 hectare landbouwgrond heeft geconstateerd. De bij het primaire besluit toegekende bedrijfstoeslag is niet gewijzigd.

3. Het College komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ingevolge artikel 6:18, eerste lid (oud), en artikel 6:19, eerste lid (oud), van de Algemene wet bestuursrecht geacht mede te zijn gericht tegen het nader besluit.

3.2.

Als gevolg van het nader besluit heeft appellante geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Het beroep zal daarom in zoverre wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.3.

Appellante heeft procesbelang bij een beoordeling van het beroep tegen het nader besluit. Dit volgt uit vaste rechtspraak van het College waarin is geoordeeld dat met betrekking tot een besluit over de bedrijfstoeslag voor 2009 procesbelang wordt aangenomen bij de beoordeling van een geschil over de oppervlakte van landbouwgrond, ook als deze beoordeling geen gevolgen heeft voor de hoogte van de bedrijfstoeslag omdat het totale beschikbare bedrag aan toeslagrechten is toegekend. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van
26 september 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BY0527.

3.4.

Anders dan appellante meent, geldt de in het nader besluit geconstateerde oppervlakte van de landbouwgrond niet ook voor de berekening van de bedrijfstoeslag in latere jaren of voor de uitvoering van de meststoffenwetgeving. De bedrijfstoeslag wordt per jaar vastgesteld aan de hand van jaarlijks geactualiseerde gegevens. Zoals het College eerder heeft overwogen heeft een besluit over de bedrijfstoeslag geen rechtsgevolgen voor de toepassing van de Meststoffenwet. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 februari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:219.

3.5.

Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat perceel 2 door verweerder te groot is vastgesteld. Verweerder heeft daarop ter zitting aangevoerd en met luchtfoto’s onderbouwd, dat de subsidiabele oppervlakte van perceel 2 in 2009 groter was dan in 2010 en de jaren daarna, omdat er in 2009 op dat perceel nog geen paardenbak aanwezig was. Appellante heeft ter zitting erkend dat zij zich niet heeft gerealiseerd dat in 2010 op perceel 2 een paardenbak is aangelegd en verklaard dat zij zich alsnog kan vinden in de voor 2009 door verweerder vastgestelde oppervlakte van perceel 2.

3.6.

Appellante heeft in haar beroepschrift vermeld en ter zitting verklaard dat zij het ook niet eens is met de door verweerder geconstateerde oppervlakte van een aantal andere percelen. Appellante heeft echter, na daartoe ter zitting in de gelegenheid te zijn gesteld, geen concrete percelen genoemd waarvan zij de oppervlakte door het College beoordeeld wil zien. Nu appellante deze beroepsgrond niet heeft onderbouwd, slaagt deze beroepsgrond niet.

3.7.

Uit 3.5 en 3.6 volgt dat het beroep tegen het nader besluit ongegrond moet worden verklaard.

4. Het College ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht vergoedt, omdat de procedure is ontstaan naar aanleiding van het bestreden besluit dat door verweerder niet is gehandhaafd.

5. Het College ziet om dezelfde reden aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die appellante in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden vastgesteld op € 28,- aan reiskosten en op € 150,- aan verletkosten, in totaal € 178,-. Met betrekking tot de verletkosten heeft het College, in afwijking van het verzoek van appellante om vergoeding van acht uur verlet à € 37,50 per uur voor het gemis van één werkdag, vergoeding van vier uur verlet ten behoeve van het bijwonen van de zitting aangemerkt als redelijkerwijs gemaakte kosten als hiervoor bedoeld.

Beslissing

Het College

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 december 2010 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 oktober 2011 ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 298,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 178,- te betalen aan appellante.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2014.

mr. S.C. Stuldreher mr. J.W.E. Pinckaers