Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:442

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
AWB 10/965
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AAN-laag, niet-subsidiabele elementen

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 10/965

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2014 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats], appellante,


en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2009 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling).

Bij besluit van 3 augustus 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 10 december 2010 heeft verweerder het bestreden besluit herzien, waarbij het bezwaar van appellante alsnog gedeeltelijk gegrond is verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 6 juli 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarna het College het onderzoek heeft heropend in afwachting van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) naar aanleiding van prejudiciële vragen in de zaak ECLI:NL:CBB:2012:BY2054. Het Hof heeft op 10 april 2014 arrest gewezen in die zaak (C-485/12).

Het onderzoek ter zitting is vervolgens voortgezet op 15 oktober 2014. Namens appellante is verschenen [naam 2], enig aandeelhouder van appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellante heeft met haar Gecombineerde Opgave 2009 uitbetaling van haar toeslagrechten aangevraagd. Zij heeft hiervoor zeven percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 25.25 ha. Appellante beschikte in 2009 over 27,49 toeslagrechten.

2. Een steunaanvraag als hier aan de orde wordt administratief getoetst aan referentiepercelen; het kaartmateriaal ten behoeve van de referentiepercelen moet voldoende nauwkeurig en actueel zijn. Dit volgt uit de van toepassing zijnde Verordening (EG) nr. 796/2004 die voor 2009, voor zover en ten tijde van belang, luidde:

"Artikel 24 - Kruiscontroles

1. De in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde administratieve controles maken de opsporing van onregelmatigheden, in het bijzonder de automatische opsporing daarvan met behulp van computermiddelen, mogelijk en omvatten kruiscontroles:

(…)

c) door de in de verzamelaanvraag aangegeven percelen landbouwgrond te vergelijken met de in het systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond opgenomen referentiepercelen om na te gaan of de oppervlakten als zodanig voor steun in aanmerking komen;

d) door de toeslagrechten te vergelijken met de geconstateerde oppervlakte om na te gaan of de toeslagrechten gepaard gaan met een gelijk aantal subsidiabele hectaren als omschreven in artikel 34, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009; (…)"

3. Verweerder heeft in het voorschotbesluit van 26 november 2009 appellantes bedrijfstoeslag 2009 voorlopig vastgesteld op € 11.085,26 op basis van een geconstateerde oppervlakte van 25.25 ha. Bij het primaire besluit heeft verweerder appellantes bedrijfstoeslag 2009 definitief vastgesteld op € 10.281,53 op basis van een geconstateerde oppervlakte van 24.33 ha. Daarbij heeft verweerder een oppervlakte van 2.76 ha afgekeurd.
In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. In het herziene bestreden besluit heeft verweerder de geconstateerde oppervlakte van de percelen 8 en 9 vergroot met 0.07 ha, hetgeen leidt tot een totale geconstateerde oppervlakte van 24.4 ha. Dit herziene bestreden besluit is op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede onderdeel van de beroepsprocedure.

4.1

Appellante voert aan dat de vastgestelde grenzen van vóór 2009 topografische grenzen waren die jarenlang bepalend zijn geweest voor de vaststelling van haar landbouwsteun. Zij verzoekt om deze grenzen ook voor het jaar 2009 te hanteren.

4.2

Het College stelt vast dat verweerder in 2009 een nieuwe kaartlaag – de zogenaamde AAN-laag (Agrarisch Areaal Nederland) – in gebruik heeft genomen ten behoeve van de controles van percelen en subsidiabele oppervlaktes. Deze kaartlaag, die op luchtfoto’s is gebaseerd, is nauwkeuriger dan de eerder gehanteerde PIPO-kaart, omdat – anders dan op de PIPO-kaart – in de AAN-laag niet subsidiabele elementen, zoals paden en dergelijke zijn uitgezonderd. Blijkens het voormelde artikel 24, eerste lid, aanhef en onder c, van Verordening (EG) nr. 796/2004 dient verweerder bij wijze van administratieve kruiscontrole de opgegeven percelen landbouwgrond met (de oppervlakte van) de referentiepercelen te vergelijken om na te gaan of de percelen landbouwgrond als zodanig voor steun in aanmerking komen. Dat verweerder de AAN-laag heeft gebruikt om te controleren of, en zo ja in hoeverre, de door appellante opgegeven percelen de maximale subsidiabele oppervlakte overschrijden, is dus in overeenstemming met deze regelgeving. Deze beroepsgrond van appellante slaagt niet.

5.1

Appellante acht het verder onjuist dat verweerder de grond onder de bomenrijen en tot aan de rivier de Aa als niet subsidiabel heeft aangemerkt. De grond aan de Aa heeft appellante in gebruik van het waterschap.

5.2

Verweerder stelt dat appellante een zandpad langs de Aa met talud heeft opgegeven bij de percelen 1, 2, 4 en 9, terwijl de oppervlaktes hiervan niet subsidiabel zijn. Ook zijn de perceelsgrenzen in het water getekend, hetgeen is te zien op de overgelegde luchtfoto’s. Op de percelen 3, 6 en 8 bevinden zich eveneens niet subsidiabele elementen in de vorm van bomenrijen en een zandpad. Deze oppervlaktes heeft verweerder daarom niet in aanmerking gebracht voor de uitbetaling van appellantes toeslagrechten.

5.3

Het College is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder de oppervlakte van de grond onder de bomenrijen en tot aan de Aa ten onrechte als niet subsidiabel heeft aangemerkt. Hierbij is bovendien van belang dat appellante – zoals zij ter zitting heeft erkend - deze gronden pas vanaf 2012 in gebruik heeft op basis van een overeenkomst met het waterschap. Ter zitting is verder gebleken dat de PIPO-grenzen in het water zijn getrokken, en verweerder de AAN-grenzen preciezer heeft getrokken. Het College ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door verweerder vastgestelde oppervlaktes. Ook deze beroepsgrond van appellante slaagt daarom niet.

6. De conclusie is dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenvergoeding ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.

w.g. J. Schukking w.g. C.M. Leliveld