Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:440

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
05-12-2014
Zaaknummer
AWB 12/121
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AAN-laag

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2014-12-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/121

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2014 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1] en [naam 2], te [plaats], appellante


en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2010 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling).

Bij besluit van 19 december 2011 (het bestreden besluit A) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit A beroep ingesteld.

Bij besluit van 17 juli 2012 (het bestreden besluit B) heeft verweerder het bestreden besluit A herzien, waarbij het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond is verklaard.

Bij besluit van 20 november 2012 (het bestreden besluit C) heeft verweerder het bestreden besluit B herzien, waarbij het bezwaar van appellante nogmaals gedeeltelijk gegrond is verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2014. Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


Overwegingen

1. Appellante heeft met haar Gecombineerde Opgave 2010 uitbetaling van haar toeslagrechten aangevraagd. Voor 2010 heeft appellante hiervoor 6 percelen opgegeven met een totale oppervlakte van 47.22 ha. Appellante beschikte voor 2010 over 46,67 toeslagrechten. Op 8 juli 2010 heeft de toenmalige Algemene Inspectiedienst (AID) in het kader van een steekproef een fysieke controle uitgevoerd op het bedrijf van appellante waarbij de oppervlaktes van de opgegeven percelen met GPS zijn gemeten.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de bedrijfstoeslag 2010 van appellante vastgesteld op € 30.750,49 op basis van een geconstateerde oppervlakte van 46.67 ha. Daarbij heeft verweerder een oppervlakte van 0.42 ha afgekeurd. In het bestreden besluit C, dat in de plaats is getreden van bestreden besluiten A en B, heeft verweerder de geconstateerde oppervlakte van perceel 5 vergroot, hetgeen leidt tot een totale geconstateerde oppervlakte van 46.43 ha en de vaststelling van de bedrijfstoeslag van appellante op € 30.868,61.

3. Het College stelt voorop dat het beroep van appellante tegen bestreden besluit A, gelet op het in artikel 6:18 (oud) en 6:19 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalde, geacht wordt mede te zijn gericht tegen de bestreden besluiten B en C. Niet gebleken is dat appellante enig belang heeft behouden bij vernietiging van de bestreden besluiten A en B. Het daartegen gerichte beroep dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4. Appellante voert aan dat verweerder de oppervlaktes van de opgegeven percelen dient vast te stellen overeenkomstig de door de AID op 8 juli 2010 uitgevoerde GPS-metingen hiervan. Dat verweerder voor de vaststelling van deze oppervlaktes uitgaat van een luchtfoto, acht appellante onjuist. De GPS-meting geeft volgens appellante een betere weergave van de situatie ter plaatse, in het bijzonder vanwege de boswallen die overhangen en de afwijkende vorm van sommige percelen.

5.1

Verweerder stelt dat resultaten van een GPS-meting nooit zonder meer worden overgenomen. Een GPS-meting is minder nauwkeurig dan een meting aan de hand van een luchtfoto. Bovendien is een GPS-meting niet bruikbaar om percelen of perceelsgrenzen in te tekenen in het percelenregister. Gelet hierop wordt door het Joint Research Centre van de Europese Commissie het gebruik van luchtfoto’s aanbevolen voor het vaststellen van referentiepercelen. Een GPS-meting kan wel aanleiding zijn om een AAN-perceel nader te bezien. Met de door de AID gemeten oppervlakte heeft verweerder aan de hand van de luchtfoto beoordeeld of de perceelsgrenzen nauwkeuriger kunnen worden gelegd. Dat dit niet per se leidt tot dezelfde oppervlaktes als gemeten door de AID houdt verband met de eerder genoemde meetonnauwkeurigheid.

5.2

Verweerder stelt verder bij de herbeoordeling rekening te hebben gehouden met de aanwezigheid van boswallen en overhangende takken. Dit heeft geleid tot een aantal aanpassingen van de geconstateerde oppervlaktes. Het verschil tussen de GPS-meting en de luchtfoto valt binnen de meettolerantie, hetgeen betekent dat er slechts kleine verschillen zijn tussen de met GPS en luchtfoto gemeten oppervlaktes. Hieruit blijkt volgens verweerder ook dat de GPS-meting de op basis van de luchtfoto bepaalde oppervlaktes bevestigt. Anders dan appellante stelt kan hieruit niet worden afgeleid dat de door verweerder geconstateerde oppervlaktes onjuist zijn. Daarbij merkt verweerder op dat appellante geen op individuele percelen toegespitste argumenten heeft aangedragen die erop zouden kunnen wijzen dat verweerder bepaalde oppervlaktes ten onrechte niet als subsidiabel heeft aangemerkt. Voor een nadere aanpassing van de geconstateerde oppervlaktes ziet verweerder dan ook geen aanleiding.

6. Het College stelt vast dat verweerder in het kader van een steekproef als bedoeld in artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 een fysieke controle in de vorm van een GPS-meting heeft uitgevoerd op het bedrijf van appellante en dat verweerder aan de hand van deze meetgegevens heeft bekeken of deze aanleiding gaven om de perceelsgrenzen van de AAN-percelen nader vast te stellen. Het is het College gebleken dat de verschillen tussen de meetresultaten die zijn verkregen op basis van de luchtfoto en die op basis van de GPS-meting binnen de meettolerantie liggen. Het gaat hierbij daarom om minimale verschillen. Mede gelet op de hogere nauwkeurigheid van de bepaling van oppervlaktes op basis van de luchtfoto, heeft verweerder hiervan naar het oordeel van het College kunnen uitgaan. Verder heeft verweerder bij de herziening van de bestreden besluiten oppervlaktes gewijzigd vastgesteld in verband met de op appellantes percelen aanwezige boswallen en overhangende takken. Nu appellante geen concrete argumenten heeft aangedragen die erop duiden dat de vaststelling van de referentiepercelen tot onjuiste of in ieder geval onbetrouwbare resultaten heeft geleid, ziet het College geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door verweerder vastgestelde oppervlaktes. Deze grond slaagt daarom niet.

7. Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond is voor zover dit is gericht tegen het bestreden besluit C. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College tot slot geen aanleiding.

Beslissing

Het College:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de bestreden besluiten A en B niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit C ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schukking, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.

w.g. J. Schukking w.g. C.M. Leliveld