Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:430

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
20-11-2014
Zaaknummer
AWB 14/700 AWB 14/701
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

last onder bestuursdwang - schorsing - voorziening getroffen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/700 en 14/701

11201

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 november 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam 1] en [naam 2],

te [plaats], verzoekster,

(gemachtigde: mr. A.H. van der Wal),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. P. Kooiman).

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2014 heeft verweerder verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van artikel 2.1, eerste lid en artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren en overtreding van artikel 1.7, aanhef en onder e van het Besluit houders van dieren. Daarbij heeft verweerder verzoekster een viertal maatregelen opgelegd. Deze maatregelen moeten voor 31 oktober 2014 worden uitgevoerd.

Bij besluit van 27 oktober 2014 heeft verweerder verzoeksters een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Wet dieren. Daarbij heeft verweerder verzoekster één maatregel opgelegd, welke verzoekster voor 31 oktober 2014 moet hebben uitgevoerd.

Verzoekster heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2014, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunt nader hebben uiteengezet.

Namens verzoekster zijn verder verschenen [naam 3], [naam 2] en [naam 4] (dierenarts).
Namens verweerder zijn verschenen [naam 5] (dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), [naam 6] en [naam 7] (toezichthouders bij de NVWA).

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het aangevochten besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2. In artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren (hierna ook: de Wet) is bepaald dat het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.

Ingevolge artikel 2.1, achtste lid, van de Wet is het houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden.

In artikel 1.7, aanhef en onder e, van het Besluit houders van dieren (hierna ook: het Besluit) is bepaald dat degene die een dier houdt, er zorg voor draagt dat een dier een voor dat dier toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer krijgt toegediend op een wijze die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier.

3. Op 15 oktober 2014 hebben toezichthouders van de NVWA een controle verricht naar de gezondheid en het welzijn van de New Forest pony’s die verzoekster houdt op twee afgerasterde gedeeltes van de [naam 8], een particulier natuurterrein dat eigendom is van de familie [naam 2]en beheerd wordt door verzoekster. Van deze controle is een rapport opgemaakt, gedateerd 23 oktober 2014. De toezichthoudend dierenarts [naam 5] heeft eveneens op 23 oktober 2014 een veterinaire verklaring opgemaakt. In deze verklaring staan onder meer de volgende passages:

"Ik zag dat de lichamelijke conditie van de dieren verschilde van pony tot pony. Ik zag dat ten minste 11 van de dieren in een slechte tot zeer slechte voedingsconditie waren. Ik zag drie dieren met een conditiescore 1 (…). Bij deze dieren nam ik onder andere het volgende waar: duidelijk zichtbare ribben en heupbeenderen, afwezigheid van vet in de nek en slechte bespiering (spieratrofie) van de rug en achterhand. Deze dieren stonden afgezonderd van de andere dieren en maakten een slome algemene indruk. Ook zag ik een zeer mager veulen proberen te drinken bij een magere merrie, beide dieren waren in een zeer slechte conditie (conditiescore 1). Bij een van de andere pony’s die op dat moment stond te eten hoorde ik een smakkend geluid en zag ik dat dier een afwijkende kauwbeweging maken. Mogelijk werd dit veroorzaakt door een afwijkend of slecht verzorgd gebit. De overige acht te magere dieren vielen in de klasse 1,5 tot 2 qua voedingstoestand. Aangezien het niet mogelijk was dichtbij de dieren te komen was het voor mij niet mogelijk ze individueel te onderzoeken (…)
Naar de vermagering van de verschillende dieren te oordelen is het waarschijnlijk dat de aangetroffen toestand al enkele weken bestaat.
De dierhouder heeft nagelaten de pony’s naar behoren te verzorgen. Sommige dieren hebben extra voer nodig en behoeven nader onderzoek van een deskundige onder andere op het gebied van mogelijke besmetting met parasieten en gebitsproblemen (…)."

4. Volgens verweerder is sprake van overtreding van de genoemde artikelen van de Wet dieren en van het Besluit houders van dieren. Daarom heeft verweerder verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd. Daarbij heeft verweerder bepaald dat verzoekster de volgende vier maatregelen voor 31 oktober 2014 moet hebben uitgevoerd.

  1. Zorg dat de magere tot zeer magere pony’s individueel extra worden bij gevoerd zodat zij kunnen aansterken.

  2. Zorg dat de pony’s over een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en leeftijd geschikt (ruw)voer kunnen beschikken, zodat de dieren in goede gezondheid blijven en aan hun voedingsbehoefte wordt voldaan. Dit voer moet goed toegankelijk zijn voor de dieren.

  3. Consulteer een dierenarts over de voedingsconditie van de pony’s. Zorg dat hierbij tenminste een mestonderzoek en een gebitscontrole worden uitgevoerd. Voer het (eventuele) behandelplan, opgesteld door de dierenarts, uit.

  4. Verwijder de los in de dierverblijven en op het erf liggende materialen, zodat de materialen geen verwondingen of beschadigingen kunnen veroorzaken bij de aanwezige dieren.

Daarnaast heeft verweerder verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. Deze last strekt ertoe dat verzoekster een register van alle medische zorg (onder meer verstrekking van medicijnen) dient bij te houden.

Verweerder stelt dat verzoekster de pony’s teveel aan hun lot heeft overgelaten.
Ook al leven de dieren in een min of meer natuurlijke omgeving en worden zij ingezet met het oog op natuurbeheer: dit neemt niet weg dat verzoekster deze dieren houdt in de zin van de Wet dieren en dat zij aan de bepalingen van die wet en van het Besluit dient te voldoen. Dat betekent onder meer dat pony’s waar nodig individueel moeten worden bijgevoerd.

5. Verzoekster kan zich niet met de last onder bestuursdwang verenigen. Zij houdt sinds 1991 een aantal New Forest pony’s op de [naam 8] met het oog op de gewenste verbetering van de heidevegetatie. Het gaat hier om een maatregel van natuurbeheer die zeer effectief is gebleken. De dieren leven onder natuurlijke omstandigheden. Verzoekster betwist dat enkele pony’s in een (zeer) slechte conditie verkeren en dat er in het algemeen onvoldoende voedsel zou zijn. Voor bijvoederen in de door verweerder bedoelde zin is dan ook geen plaats. Dit zou bovendien een averechtse werking hebben op de wijze van beheer. Verzoekster wijst er verder op dat de pony’s eind oktober zoals te doen gebruikelijk zijn verplaatst naar de [naam 9], een gebied waar veel gras staat en voedsel voor de dieren dus in ruime mate voorhanden is.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

6. Ter zitting gebleken dat het verzoek zich beperkt tot de last onder bestuursdwang. De last onder dwangsom behoeft dan ook geen bespreking.

7. Verzoekster is houdster van de pony’s in de zin van de Wet. De omstandigheid dat zij deze dieren in een natuurlijk ecosysteem laat leven en dat daarmee een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan het herstel van de heidevegetatie, maakt dit niet anders. Dit betekent dat verzoekster de bepalingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren in acht moet nemen. Het begrip “de nodige verzorging” in artikel 2, achtste lid, van de Wet laat voldoende ruimte om rekening te houden met de omstandigheid dat deze dieren (min of meer) in de vrije natuur leven. Echter, verzoekster is in elk geval gehouden om maatregelen te nemen om te voorkomen dat deze dieren onnodig lijden. Verzoekster mag deze dieren niet aan hun lot overlaten.

8. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het vorenstaande tevens dat verzoekster gehouden is om pony’s die in een (zeer) slechte conditie verkeren individueel bij te voederen. Waar nodig zal verzoekster deze dieren (tijdelijk) moeten afzonderen van de kudde om te voorkomen dat alleen de sterkere dieren van het extra voedsel profiteren. Niet aannemelijk is geworden dat een dergelijk ingrijpen onmogelijk is of een verstoring van het natuurlijk evenwicht in het heidegebied zou betekenen. De situatie laat zich nu eenmaal niet vergelijken met dieren die volstrekt in het wild leven.

9. Gelet op de ingediende stukken en het verhandelde ter zitting, waarbij ook diverse foto’s zijn getoond, heeft verweerder zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat de in de rapportage bedoelde pony’s (ernstig) vermagerd zijn, dat wil zeggen een conditiescore 1 of 2 hebben. Hieruit heeft verweerder kunnen afleiden dat sprake is van overtreding van de aangehaalde wettelijke bepalingen. Dit betekent dat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden.

10. Ten aanzien van de door verweerder aan verzoekster opgelegde specifieke maatregelen wordt het volgende overwogen.
Nu vooralsnog voldoende aannemelijk is dat het overgrote deel van de pony’s in een goede conditie verkeert, en alle pony’s bovendien inmiddels zijn verplaatst naar de [naam 9], bestaat er naar dezerzijds voorlopig oordeel onvoldoende grond om een algemene maatregel op te leggen die inhoudt dat verzoekster ervoor moet zorgen dat de pony’s steeds over een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en leeftijd geschikt (ruw)voer kunnen beschikken, opdat de dieren in goede gezondheid blijven en aan hun voedingsbehoefte wordt voldaan (maatregel 2 van de last). Verder is vast komen te staan dat verzoekster geen bezwaar heeft tegen maatregel 4 en dat in zoverre al aan de last is voldaan. De resterende maatregelen zijn evenwel naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht opgelegd, met dien verstande dat verweerder redelijkerwijs alleen van verzoekster mag verlangen dat zij pony’s individueel bijvoedert indien er geen twijfel over bestaat dat deze pony’s thans, bijna een maand na de uitgevoerde controle en enkele weken na verplaatsing naar de [naam 9], nog steeds (ernstig) vermagerd zijn, ondanks het feit dat de dieren thans mogelijk over (ruim) voldoende voedsel beschikken.

Verder bestaat er naar dezerzijds voorlopig oordeel alleen voldoende aanleiding om een dierenarts te consulteren over de conditie van (ernstig) vermagerde pony’s. Deze beperking volgt evenwel niet uit maatregel 3.

11. Gelet op de betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om hangende de bezwaarprocedure tegen de last onder bestuursdwang een voorlopige voorziening te treffen die erop neerkomt dat de last met maatregelen zoals die door verweerder is opgelegd wordt geschorst, en dat deze last wordt vervangen door de volgende maatregelen:

- verzoekster dient onverwijld over te gaan tot het individueel bijvoederen van (ernstig) vermagerde pony’s, dat wil zeggen alle pony’s die nog steeds een conditiescore 1 of 2 hebben; zie voor een toelichting het scoreformulier op www.paardenkenniscentrum.nl;

- verzoekster dient binnen één week een dierenarts te consulteren over de voedingsconditie van (ernstig) vermagerde pony’s. Daarbij moet ten minste een mestonderzoek en een gebitscontrole worden uitgevoerd. Aanwijzingen van de dierenarts over de behandeling van de onderzochte pony’s moeten worden uitgevoerd.

12. Nu de last niet ongewijzigd in stand blijft is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst de last onder bestuursdwang van 27 oktober 2014 tot zes weken na

de beslissing van verweerder op bezwaar;

- en treft de volgende voorlopige voorziening, die in plaats komt van de

maatregelen die in de last onder bestuursdwang zijn vervat:

- verzoekster dient onverwijld over te gaan tot het individueel bijvoederen van (ernstig) vermagerde pony’s, dat wil zeggen alle pony’s die nog steeds een conditiescore 1 of 2 hebben (zie voor een toelichting het scoreformulier op www.paardenkenniscentrum.nl );

- verzoekster dient binnen één week een dierenarts te consulteren over de voedingsconditie van (ernstig) vermagerde pony’s. Daarbij moet ten minste een mestonderzoek en een gebitscontrole worden uitgevoerd. Aanwijzingen van de dierenarts over de behandeling van de onderzochte pony’s moeten worden uitgevoerd;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328,- aan verzoekster
    te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een
    bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, in aanwezigheid van
mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 november 2014.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. P.M. Beishuizen