Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:427

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-11-2014
Datum publicatie
20-11-2014
Zaaknummer
AWB 12/633
Formele relaties
Tussenuitspraak bestuurlijke lus: ECLI:NL:CBB:2014:310
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

einduitspraak na tussenuitspraak

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet, geldigheid: 2014-11-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/633

16005

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 november 2014 op het hoger beroep van:

Maatschap [naam 1] en [naam 2] en [naam 3]

(hierna: maatschap [naam 4]),

[naam 1],

[naam 2],

[naam 3],

te [plaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 mei 2012 in het geding tussen appellanten

en

de staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de staatssecretaris)

gemachtigde van appellanten: mr. W.P.N. Remie

gemachtigde van verweerder: mr. B. Raven

Procesverloop in hoger beroep

Bij tussenuitspraak van 28 mei 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:310) heeft het College de

staatssecretaris opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak het besluit

van 14 december 2011 te herstellen, voor wat betreft de aan de bestuurlijke boete ten

grondslag liggende berekening, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Bij brief van 8 juli 2014 heeft de staatssecretaris aan het College de uitkomst gestuurd van de

Nieuwe berekening naar aanleiding van de tussenuitspraak.

Bij brief van 15 augustus 2014 hebben appellanten hun zienswijze daarop naar voren

gebracht.

Bij brief van 26 augustus 2014 heeft het College aan partijen meegedeeld dat het College het

onderzoek heeft gesloten.

De beoordeling van het geschil in hoger beroep

1.1

In de tussenuitspraak heeft het College geoordeeld dat de staatsecretaris bij het opleggen

van de bestuurlijke boete wegens overtreding van artikel 7 van de Meststoffenwet (Msw) ten

onrechte geen rekening heeft gehouden met een deel van de percelen waarover appellanten in

2007 de feitelijke beschikkingsmacht hadden. Het College heeft verweerder opgedragen dit

gebrek in het besluit van 14 december 2011 te herstellen.

1.2

Bij brief van 8 juli 2014 heeft de staatssecretaris aan het College medegedeeld dat

uitgaande van een grotere oppervlakte, in lijn met de tussenuitspraak van het

College, uit de berekening volgt dat er geen sprake is van een overschrijding van de

gebruiksnormen in 2007. De bestuurlijke boete komt dan ook te vervallen.

1.3

In hun zienswijze over de brief van 8 juli 2014 hebben appellanten het College bericht

dat zij zich geheel in deze conclusie van de staatssecretaris kunnen vinden.

1.4

Een en ander betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking

komt, met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van het griffierecht en de

proceskosten. Het College zal, doende wat de rechtbank zou behoren te

doen, het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 14 december 2011 gegrond

verklaren, dit besluit vernietigen en het primaire boetebesluit van 7 juli 2009 herroepen.

1.5

De staatssecretaris wordt veroordeeld in de kosten van appellanten in verband met

beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand bij de behandeling van het hoger

beroep. Deze kosten worden vastgesteld op € 974,- op basis van 2 punten - te weten hoger

beroepschrift (1), verschijnen ter zitting (1) - tegen een waarde van € 487,- per punt, waarbij

het gewicht van de zaak op 1 (gemiddeld) is bepaald.

Beslissing

Het College:

- vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van het griffierecht en de proceskosten;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van appellant tegen het besluit van 14 december 2011 gegrond en vernietigt dit besluit;

- herroept het primaire boetebesluit van 7 juli 2009;

- draagt de staatsecretaris op het door appellanten voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 466,- te vergoeden;

- veroordeelt de staatssecretaris in de door appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. E. Dijt en mr. C.J. Waterbolk, in

aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar

uitgesproken op 14 november 2014.

w.g. R.R. Winter w.g. A.G.J. van Ouwerkerk