Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:424

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-11-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
AWB 13/516
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag subsidie op grond van de Subsidieregeling innoveren (Regeling) op de grond dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het (ICT) project waarvoor subsidie is aangevraagd een technisch ontwikkelingsproject is als bedoeld in artikel 3.1 van de Regeling.

Wetsverwijzingen
Kaderwet EZ-subsidies
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/516

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 november 2014 in de zaak tussen

Adaptive and Mobile B.V. te Breda, appellante

(gemachtigde: E. de Vries)

en

de Minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. K.H. Klaver).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2012 (primair besluit), gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 6 november 2012 (bestreden besluit), heeft verweerder de aanvraag van appellante om een innovatiekrediet afgewezen.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2014. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Het College gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is in juli 2011 gestart met het project Digitaal georganiseerde gezondheidsketen Breda, afgekort “Digeketen” (project). Appellante heeft met een brief van 29 december 2011 en een op die datum gedateerd, ingevuld en ondertekend aanvraagformulier bij verweerder een innovatiekrediet op grond van de Regeling van de Minister van Economische Zaken van 3 december 2008, nr. WJZ/8187683, houdende vaststelling van subsidie-instrumenten op het terrein van innoveren (Regeling) aangevraagd voor het project. De aanvraag is in maart 2012 door appellante in die zin aangepast dat voor het project wordt uitgegaan van een langere ontwikkelingsperiode en een daaraan aangepaste begroting. Appellante heeft in verband daarmee een nieuw projectplan ingediend en een nieuw aanvraagformulier. Het aangevraagde innovatiekrediet bedraagt € 335.000,- (aanvraag).

2. Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit afgewezen. In de eerste plaats omdat appellante onvoldoende informatie over de technische aspecten en risico’s van het project heeft verstrekt zodat niet kan worden vastgesteld of sprake is van een technisch ontwikkelingsproject als bedoeld in artikel 3.1 van de Regeling. De aanvraag is subsidiair afgewezen omdat, bij gebrek aan door appellante verstrekte informatie, onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het project. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing op dezelfde gronden gehandhaafd.

3. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen. Appellante stelt zich allereerst op het standpunt dat uit de door haar verstrekte informatie genoegzaam blijkt dat het project een technisch ontwikkelingsproject is en haalbaar is. Zij heeft immers in meerdere stappen beschreven welke basistechnieken zij al heeft, zoals de meta-applicatie en het gebruik van technieken zoals die bij het CWI en TNO beschikbaar zijn en wat men kan met de bijzondere softwaremethode-techniek en waarom dit met andere technieken niet lukt. Volgens appellante heeft verweerder de door haar verstrekte informatie niet goed gelezen en heeft hij niet duidelijk aangegeven welke informatie er dan nog ontbreekt. Verder merkt appellante op dat artikel 3.1 van de Regeling algemeen is gesteld. Een objectieve toetsing van het project aan de Regeling is hierdoor volgens appellante niet mogelijk. Ook de subsidiaire afwijzingsgrond heeft appellante bestreden.

4. Het College komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hoofdstuk 3 van de Regeling bevat bepalingen over innovatiekredieten als hier aan de orde. Om voor een dergelijke subsidie in aanmerking te komen dient - voor zover van belang - sprake te zijn van een technisch ontwikkelingsproject als bedoeld in artikel 3.1 van de Regeling: “een planmatig geheel van activiteiten in de fase van experimentele ontwikkeling, gericht op het omzetten van resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema’s of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten, die nieuw zijn voor Nederland, en a. waaraan substantiële technische, maar geen klinische, risico's en daarmee samenhangende financiële risico's zijn verbonden en b. welke producten, processen of diensten door het goede commerciële perspectief kunnen leiden tot substantiële economische activiteiten van de onderneming.” (technisch ontwikkelingsproject)

4.2.

Uit artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat appellante als aanvrager van de subsidie de gegevens en bescheiden moet verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn, voor zover zij daarover redelijkerwijs kan beschikken.

4.3.

In dit geding staat centraal de vraag of verweerder de afwijzing van de aanvraag terecht heeft gehandhaafd op de grond dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het project moet worden aangemerkt als een technisch ontwikkelingsproject. Het College beantwoord deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.4.

Het College stelt voorop dat het op de weg ligt van appellante, als aanvrager van subsidie, om aannemelijk te maken dat het project voldoet aan de in artikel 3.1 vermelde omschrijving van een technisch ontwikkelingsproject. Deze omschrijving acht het College, anders dan appellante stelt, niet te algemeen nu deze concrete elementen en criteria bevat.

4.5.

Vast is komen te staan dat verweerder appellante voldoende mogelijkheden heeft gegeven om aannemelijk te maken dat haar project een technisch ontwikkelingsproject is in de hierbedoelde zin.

4.5.1.

Zo heeft op 13 februari 2012 naar aanleiding van de aanvraag een intakegesprek plaatsgevonden, onder andere om te inventariseren welke specifieke informatie aanvullend nodig was om de aanvraag te kunnen beoordelen. Tijdens dat gesprek heeft, naar verweerder ter zitting heeft verklaard en door de gemachtigde van appellante is beaamd, een ICT-deskundige in dienst van verweerder vragen gesteld aan de gemachtigde van appellante, onder andere over de technische risico’s van het project. De door appellante verstrekte informatie was naar het oordeel van de betrokken ICT-deskundige onvoldoende concreet om te kunnen focussen op de risico’s en om de haalbaarheid van het project te kunnen beoordelen. Tijdens dit gesprek zijn volgens verweerder aan appellante concretiserende vragen gesteld. De aanvraag is vervolgens door een interne commissie met vakkennis in verschillende disciplines beoordeeld en verweerder heeft de aanvraag afgewezen.

4.5.2.

Tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure op 12 september 2012 is aan de gemachtigde van appellante uitgelegd waarom op grond van de door hem tot dan toe verstrekte informatie niet duidelijk is geworden dat sprake is van een technisch ontwikkelingsproject. Uit die informatie blijkt met name niet dat er sprake is van technische risico’s. Ook wordt met die informatie geen antwoord gegeven op de vraag hoe de technische problemen (die niet zijn omschreven) zullen worden opgelost. Aan appellante is verder uitgelegd dat zij daardoor niet inzichtelijk heeft gemaakt wat zij in het kader van het project precies gaat doen. Daardoor kan verweerder de voortgang van het project niet volgen of tijdens de loop van het project beoordelen of het project (nog) kans van slagen heeft.

4.5.3.

Na de hoorzitting is appellante door verweerder in de gelegenheid gesteld om nadere informatie over onder meer de technische risico’s te verstrekken. In een brief van 27 september 2012 met bijlagen heeft appellante de technische risico’s van het project als volgt omschreven:

“Hierdoor ontstaan twee resterende knelpunten. Als er duizenden functionaliteiten in zijn hoe weet je dat die er zijn (door de bomen het bos niet meer zien). Naast de hoeveelheid functionaliteiten speelt het probleem hoe breng je technische functionaliteiten over naar gebruikerstermen. Voor het oplossen bij het laatste probleem denken we aan het verbinden van sleutelwoorden aan de technische termen en het realiseren van een woordenboek of het groeperen via relevante contexten. Maar gezien het snel groeiende aantal functionaliteiten in de softwarewereld loop je snel achter de feiten aan. Mogelijke oplossing waaraan gedacht wordt zijn 3-D technieken (..) Het risico is dat we geen vertaalmiddel vinden van de apps naar het 3-D visuele programma. Een andere oplossing is het zoeken en filteren naar gewenste functionaliteiten volgens een bedrijfsmodel waarin je volgens logische stappen en structuren stapsgewijs filtert en zo een overzichtelijk aantal functionaliteiten overhoudt en kan doen wat je wilt. Een andere optie is het stroomschema waar je via zogenaamde schakelingen toewerkt naar wat je nodig hebt.”

4.5.4.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder deze informatie in redelijkheid onvoldoende kunnen achten om zijn oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van een technisch ontwikkelingsproject, te herzien. Niet gebleken is dat verweerder de door appellante verstrekte informatie niet goed zou hebben gelezen, zoals appellante stelt. Uit de stukken volgt dat verweerder steeds voldoende moeite heeft gedaan om uit de door appellante verstrekte gegevens de benodigde - technische - informatie te halen.

4.6.

Dit leidt tot de conclusie dat verweerder het project in redelijkheid kon aanmerken als niet zijnde een technisch ontwikkelingsproject. Wat partijen hebben aangevoerd met betrekking tot de subsidiaire afwijzingsgronden behoeft derhalve geen bespreking.

4.7.

Uit hetgeen is vastgesteld en overwogen in 4.1 tot en met 4.6. volgt dat het beroep niet slaagt en ongegrond moet worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schukking, mr. M. van Duuren en mr. B. Hessel in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2014.

w.g. mr. J. Schukking w.g. mr. J.W.E. Pinckaers