Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:417

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-10-2014
Datum publicatie
10-11-2014
Zaaknummer
AWB 12/1108
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoering honorariumomzetplafond

Keuze voor basisjaar

Wetsverwijzingen
Wet marktordening gezondheidszorg
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2014-0470
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/1108

13950

Uitspraak van de meervoudige kamer van 30 oktober 2014 in de zaak tussen

Stichting Lucas Andreas Ziekenhuis (hierna: de instelling) en het Collectief Sint Lucas Andreas Ziekenhuis (hierna: het collectief), appellanten,

(gemachtigde: mr. J.G. Sijmons)

en

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster,

(gemachtigden: mr. J.J. Rijken en mr. M.A.M. Verduijn).

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerster de tegen de volgende beschikkingen gerichte bezwaren van appellanten ongegrond verklaard:

  • -

    beschikking van 2 januari 2012 waarbij het honorariumomzetplafond voor de instelling voor ‘aan declareren’ is vastgesteld op € 15.967.236;

  • -

    beschikking van 3 januari 2012 waarbij het honorariumomzetplafond voor het collectief voor ‘via declareren’ is vastgesteld op € 15.967.236 (hiermee is het honorariumomzetplafond van de instelling overgeheveld naar het collectief);

  • -

    beschikking van 3 januari 2012 waarbij, onder intrekking van de beschikking van 2 januari 2012, is vastgesteld dat voor de instelling een honorariumomzetplafond resteert van € 0.

Appellanten hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 22 oktober 2013 ter zitting behandeld. Het College in de huidige samenstelling heeft de zaak behandeld ter zitting van 4 juli 2014. Appellanten en verweerster zijn verschenen bij hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De zaak betreft de toepassing van de met ingang van 1 januari 2012 in werking getreden Wet aanvulling instrumenten bekostiging WMG (Stb. 2011, 596), met name het daarbij ingevoerde nieuwe artikel 50, tweede lid, van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg). Op grond van dit artikellid, aanhef en onder c, heeft verweerster de bevoegdheid om ambtshalve voor een daarbij aangegeven periode een bovengrens vast te stellen voor de som van de door de desbetreffende zorgaanbieder in rekening te brengen tarieven voor de betrokken prestaties (honorariumomzetplafond). Doel van deze nieuwe bevoegdheid is om overschrijdingen van het beschikbare budgettaire macrokader, zoals die in het verleden herhaaldelijk hebben plaatsgevonden en vervolgens hebben geleid tot maatregelen om dergelijke overschrijdingen voor de toekomst te redresseren, te voorkomen. Op grond van artikel 59, aanhef en onder c, Wmg is verweerster bevoegd tot het vaststellen van een dergelijke grens nadat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) (hierna: minister) haar een daartoe strekkende aanwijzing heeft gegeven. De minister geeft een dergelijke aanwijzing pas nadat de zakelijke inhoud van de aanwijzing aan de Eerste en Tweede Kamer is meegedeeld en nadien 30 dagen zijn verstreken.

Bij brieven van onderscheidenlijk 26 april 2010 en 16 maart 2011 (Kamerstukken II, 29 248, nrs. 117 en 170) heeft de minister aan beide Kamers van de Staten-Generaal het voornemen aangekondigd om verweerster een aanwijzing te geven inzake het invoeren van een beheersmodel voor vrijgevestigd medisch specialisten. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de hiervoor genoemde wetswijziging en naar aanleiding van een met de Orde van Medisch Specialisten en de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen gesloten Convenant heeft de minister op 25 juli 2011 aan verweerster de ‘Aanwijzing beheersmodel medisch specialisten’ gegeven (Stcrt. 14067), die vervolgens is gewijzigd bij Aanwijzing van 15 september 2011 (Stcrt. 17158; beide Aanwijzingen gezamenlijk worden hierna aangeduid als: de Aanwijzing). In de Aanwijzing heeft de minister voor 2012 een macrobudget voor de honoraria van de vrijgevestigd specialisten beschikbaar gesteld van € 2029,7 miljoen. Dit macrobudget vormt de basis van het door verweerster in 2012 per instelling vast te stellen omzetplafond voor alle bij die instelling werkzame vrijgevestigd medisch specialisten gezamenlijk, waarbij zij op grond van artikel 4, vijfde lid, van de Aanwijzing de nader door haar te bepalen historische omzet van de vrijgevestigde medisch specialisten in die instelling in 2009 betrekt. Tevens heeft de minister verweerster de opdracht gegeven om 3,2 % van het macrobudget te reserveren voor verschuiving van productie tussen instellingen (mutatieruimte).

Ter uitvoering van de Aanwijzing heeft verweerster de Beleidsregel Beheersmodel honoraria vrijgevestigd medisch specialisten (BR/CU-2100) (hierna: Beleidsregel) vastgesteld. Deze beleidsregel luidt voor zover van belang:

"3. Begripsbepalingen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

a. vrijgevestigd medisch specialist: medisch specialist die, anders dan in loondienst van een instelling voor medisch specialistische zorg, voor eigen rekening en risico werkzaam is in of ten behoeve van een instelling voor medisch specialistische zorg;

b. collectief: samenwerkingsverband van vrijgevestigd medisch specialisten dat optreedt als vertegenwoordiger van deze medisch specialisten ten opzichte van de instelling en dat is belast met de uitvoering van de verdeelafspraken bedoeld in artikel 6, onder c, van het convenant;

(…)

d. honorariumomzetplafond: bovengrens als bedoeld in artikel 50, tweede lid, onder c, Wmg, die geldt voor de door of via een instelling gedeclareerde honoraria voor zorgprestaties van ten behoeve van die instelling werkzame vrijgevestigd medisch specialisten;

e. mutatiekader: de in artikel 5.1.2 en artikel 6.1.2 bedoelde bedragen die beschikbaar zijn voor mutaties ten opzichte van het ambtshalve vastgestelde honorariumomzetplafond;

f. convenant: schriftelijk vastgelegde afspraken tussen de Orde van Medisch specialisten, de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen en de minister van VWS, ondertekend op 31 mei 2011;

(…)

i. instelling: instelling voor medisch specialistische zorg als bedoeld in artikel 1.2 aanhef, en onder 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi;

j. aan-declareren: de situatie waarin de medisch specialist een honorariumbedrag in rekening brengt aan de instelling en de instelling de DBC, het DBC-zorgproduct of het overige zorgproduct (inclusief het door de medisch specialist aan hem in rekening gebrachte honorariumbedrag) in rekening brengt aan de consument of diens zorgverzekeraar.

k. via-declareren: de situatie waarin de medisch specialist een honorariumbedrag in rekening brengt bij de consument of diens zorgverzekeraar, via de instelling.

4 Honorariumomzetplafonds

4.1

De NZa stelt bij beschikking per toegelaten instelling voor medisch specialistische zorg die voor 26 oktober 2011 daadwerkelijk zorgprestaties heeft geleverd voor elk van de kalenderjaren 2012, 2013 en 2014 ambtshalve een honorariumomzetplafond vast voor de gezamenlijke honorariumomzet van alle ten behoeve van die instelling werkzame vrijgevestigd medisch specialisten.

(…)

5 Honorariumomzetplafonds 2012

5.1

Macrokader 2012

5.1.1

Het macrokader dat voor 2012 beschikbaar is voor de honoraria van vrijgevestigd medisch specialisten is met de aanwijzingen vastgesteld op € 2029,7 miljoen (prijspeil en volume 2012).

5.1.2

Het macrokader is voor 2012 op grond van de aanwijzingen onderverdeeld in een bedrag voor ambtshalve toekenning van honorariumomzetplafonds als beschreven in artikel 4.1, te weten € 1.964.749.600, waarvan voor ziekenhuizen € 1.876.564.800 en (…) een mutatiekader van € 65 miljoen.

5.2

Grondslag 2012

5.2.1

De NZa berekent het honorariumomzetplafond van een instelling voor het jaar 2012 aan de hand van de honorariumomzet in een basisjaar.

5.2.2

Voor ziekenhuizen is het basisjaar 2009.

(…)

5.3

Berekening 2012

5.3.1

De NZa berekent het honorariumomzetplafond van een instelling voor het jaar 2012 door de in aanmerking te nemen honorariumomzet van de instelling in het basisjaar te delen door het totaal van de in aanmerking te nemen honorariumomzet binnen de categorie "ziekenhuizen" (…) en de uitkomst van deze deling te vermenigvuldigen met het in artikel 5.1.2 genoemde deel van het macrokader voor de desbetreffende categorie.

(…)

7 Splitsing honorariumomzetplafond, aan en via declareren

7.1

Op gezamenlijk verzoek van een instelling en een collectief zal de NZa het voor de instelling geldende honorariumomzetplafond splitsen in een honorariumomzetplafond voor de instelling en een honorariumomzetplafond ten behoeve van in een collectief verenigde medisch specialisten.

7.2

Indien het verzoek wordt toegewezen trekt de NZa de in artikel 4.1 van deze beleidsregel bedoelde beschikking in, en stelt zij in plaats daarvan in een aan de instelling gerichte beschikking een honorariumomzetplafond voor "aan-declaraties" vast en in een aan de in het collectief verbonden medisch specialisten gerichte beschikking een plafond voor "via-declaraties".

(…)

8 Mutatiekader

8.1

Verdeling mutatiekader

De NZa verdeelt het mutatiekader jaarlijks voor 1 mei op basis van door instellingen, collectieven en zorgverzekeraars voor 1 april van dat jaar ingediende aanvragen.

8.2

Indien de som van de aanvragen groter is dan het beschikbare mutatiekader vindt toewijzing plaats naar rato van het aandeel van het in de aanvraag opgenomen bedrag in het totaal van de in alle aanvragen opgenomen bedragen. Alle aanvragen die voldoen aan de voorwaarden genoemd in dit artikel komen daarbij in gelijke mate voor toewijzing in aanmerking.

(…)"

Naar aanleiding van een door appellanten en de zorgverzekeraar op 30 maart 2012 ingediende aanvraag in het kader van het mutatiekader, is het honorariumomzetplafond 2012 voor het collectief uiteindelijk bepaald op € 16.597.881.

2. Tussen partijen is niet in geschil dat het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende primaire besluiten in overeenstemming met de Aanwijzing en de Beleidsregel zijn vastgesteld. Het geschil spitst zich met name toe op de vraag of verweerster voor de bepaling van de honorariumomzetplafonds zich heeft mogen baseren op het basisjaar 2009 en of het beheersmodel, zoals dat in de Aanwijzing en de daarop gebaseerde Beleidsregel is neergelegd, op zich zelf onrechtmatig is te achten. Daarnaast beroepen appellanten zich op bijzondere omstandigheden.

3.1

Appellanten voeren aan dat verweerster bij de vaststelling van het honorariumplafond 2012 ten onrechte het jaar 2009 als basisjaar heeft genomen en eveneens ten onrechte ten opzichte van dat basisjaar een gemiddelde korting van 20% heeft gehanteerd. Appellanten wijzen erop dat de specialismen na 2009 gedifferentieerd zijn gekort, waarbij de korting voor de ondersteunende specialismen hoger was als gevolg van de aanvankelijk te hoog vastgestelde ondersteunerscompensatiefactor. Door die gedifferentieerde korting zijn de verhoudingen in de omzetten van poortspecialisten en ondersteunende specialisten gewijzigd en kan het basisjaar 2009 niet representatief worden geacht voor de latere jaren. In het ziekenhuis van appellanten zijn aanmerkelijk meer ondersteunende specialisten in loondienst dan in het gemiddelde ziekenhuis. Volgens het verweerschrift zou het bij appellanten gaan om een percentage van 71, terwijl het gemiddeld bij andere dan academische ziekenhuizen (waar alle medisch specialisten in loondienst zijn) gaat om 32%. Dit is een substantieel verschil. Ter zitting hebben appellanten in dit verband nog aangevoerd dat verweerster eind 2010 informatie bij de ziekenhuizen heeft opgevraagd, waaronder gegevens met betrekking tot de verhouding tussen specialisten in loondienst en vrije vestiging. Verweerster had deze informatie dan ook tot haar beschikking en had die bij haar besluitvorming ten aanzien van appellanten moeten betrekken.

De bij de onderhavige maatregel toegepaste korting op de honorariumomzet 2009 gaat uit van een landelijk gemiddelde van 68% vrijgevestigde ondersteuners. Aangezien dat percentage bij het ziekenhuis van appellanten 29 bedraagt, is de korting per saldo een factor 2,4 te hoog. Aan de hand van een berekening waarbij ervan is uitgegaan dat in het basisjaar 2009 alle ondersteunende specialisten van de instelling in vrije vestiging zouden zijn geweest, komen appellanten tot de conclusie dat zij in 2011 aanspraak zouden hebben kunnen maken op een extra honorarium van € 1.167.437. Gelet op deze omstandigheden zien appellanten zich, naar zij stellen, geconfronteerd met onevenredige nadelen. In dit kader betogen zij dat uit de realisatiegegevens van de honorariumomzet over de eerste 10 maanden van 2012 volgt dat de feitelijke honorariumproductie ruim € 2 miljoen boven het plafond is uitgekomen. Dit is ruim 16%, waarvan de helft zou zijn opgevangen door een correct vastgesteld honorariumplafond. Het voor appellanten te lage honorariumplafond remt uiteindelijk de hele productie van de instelling en verstoort het level playing field met ziekenhuizen waarin dit niet speelt.

3.2

Verweerster heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. In verband met de gegevensuitvraag in het kader van de onderhavige maatregel, is 2009 voor ziekenhuizen het meest recente jaar waarover verweerster gegevens beschikbaar had. De keuze voor het basisjaar 2009 is in overeenstemming met de Aanwijzing en is tot stand gekomen na uitvoerig overleg met veldpartijen. Met veldpartijen is een variant besproken waarbij meer recente gegevens zouden worden uitgevraagd, maar gebleken is dat het uitvragen en verwerken van deze gegevens zoveel tijd zou hebben gekost dat invoering van het honorariumomzetplafond per 2012 niet meer haalbaar zou zijn geweest. Wijzigingen in honorariumomzet van na 2009 zijn evenmin meegenomen omdat dit een te grote administratieve belasting zou betekenen. Verweerster kan het immers niet aan de ziekenhuizen overlaten wijzigingen door te geven, omdat dan het risico bestaat dat alleen die wijzigingen worden gemeld die voor hen gunstig zijn. Verweerster zou dan met betrekking tot ieder (later) jaar door een accountant gecontroleerde gegevens moeten uitvragen. Om ervoor te zorgen dat dergelijke wijzigingen toch tot een aanpassing van het omzetplafond kunnen leiden, is het mutatiekader beschikbaar. De berekening in dat kader is wel grofmazig, maar door deze mogelijkheid kan rekening worden gehouden met wijzigingen van na het basisjaar. Verweerster erkent dat 2009 als basisjaar voor een ziekenhuis met overwegend vrijgevestigde ondersteunende specialisten, kan leiden tot een ruimer honorariumomzetplafond dan het plafond voor een ziekenhuis, zoals bij appellanten, waar de ondersteunende specialisten overwegend in loondienst zijn. Voor een juiste beoordeling van de gevolgen van de onderhavige beheersingsmaatregel moet volgens verweerster echter rekening worden gehouden met alle ontwikkelingen in de tarieven die zich sedert 2009 hebben voorgedaan. Met name de invoering van de DOT-systematiek, waardoor de tarieven voor de poortspecialismen gemiddeld genomen zijn gedaald, brengt voor appellante mee dat zij juist meer ruimte kreeg in haar honorariumomzetplafond 2012.

Bij de totstandkoming van het beheersmodel is onderkend dat een model dat met individuele omstandigheden rekening zou houden onuitvoerbaar zou zijn. Een zekere mate van abstractie van verschillen tussen instellingen is dan ook als onvermijdelijk geaccepteerd. Verweerster heeft voorts, zo heeft zij gesteld, voldoende zorgvuldig onderzocht hoe de situatie van appellanten is ten opzichte van de andere ziekenhuizen. Volgens de door haar gemaakte impactanalyse naar aanleiding van de invoering van de DOT-systematiek, zou het ziekenhuis van appellanten met het onderhavige honorariumomzetplafond moeten kunnen uitkomen aangezien dat plafond ruimer is dan de verwachte omzet van dit ziekenhuis. Mocht het collectief niet uitkomen met het haar toegekende plafond, dan kan zij nog altijd een beroep doen op het mutatiekader. Dat heeft zij al gedaan voor 2012 en het staat haar vrij om ook in de jaren daarna van die mogelijkheid gebruik te maken.

3.3

Het College overweegt dat de keuze voor het basisjaar 2009 tot stand is genomen na uitvoerig overleg met onder andere de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen en de Orde van Medisch Specialisten. Verweerster heeft er voorts terecht op gewezen dat 2009 het meest recente jaar was waarover op basis van de gegevensuitvraag gecontroleerde omzetcijfers van de ziekenhuizen beschikbaar waren, alsmede dat een uitvraag over meer recente jaren ertoe zou hebben geleid dat het beheersmodel zoals dat de minister voor ogen stond, niet – zoals wenselijk werd geacht – met ingang van 2012 zou kunnen worden ingevoerd. Verweerster heeft naar het oordeel van het College eveneens terecht gesteld dat een correctie op de honorariumomzetgegevens 2009 in verband met latere ingrepen in de honoraria zou leiden tot fictieve omzetbedragen die, anders dan de omzetgegevens over 2009, niet door een accountant zouden zijn gecontroleerd, en derhalve niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Het College neemt hierbij mede in aanmerking dat, zoals verweerster heeft betoogd, een nadere gegevensuitvraag voor de ziekenhuizen een grote administratieve belasting zou hebben meegebracht en dat het onderhavige beheersmodel is bedoeld als overgangsmaatregel naar de voorgenomen invoering van volledig integrale tarieven voor medisch specialistische zorg per 2015.

Verder overweegt het College dat bij de invoering van een nieuw beheersmodel een zekere mate van abstractie van verschillen tussen instellingen onvermijdelijk is en dat de enkele omstandigheid dat zich bij een bepaalde instelling nadelige gevolgen voordoen, niet de conclusie kan rechtvaardigen dat het beheersmodel in zijn algemeenheid onrechtmatig is. Hierbij komt dat in het beheersmodel is voorzien in de mogelijkheid rekening te houden met wijzigingen in de honorariumomzet en dat daarvoor in het hier aan de orde zijnde jaar 2012 een bedrag van € 65 miljoen als mutatiekader beschikbaar was. Het argument van appellanten dat hierdoor ten onrechte geen rekening wordt gehouden met specifieke wijzigingen in de honoraria sinds 2009, meer in het bijzonder de voor vrijgevestigde ondersteunende specialisten doorgevoerde verlaging in verband met de aanvankelijk te hoge ondersteuningscompensatiefactor, maakt dit niet anders. Verweerster heeft er naar het oordeel van het College terecht op gewezen dat deze verlaging voor ziekenhuizen waarin (nagenoeg) alle ondersteunende specialisten vrijgevestigd zijn, weliswaar tot gevolg heeft dat zij meer ruimte in het voor hen vastgestelde plafond hebben, maar dat deze ruimte voor die zelfde ziekenhuizen als gevolg van de invoering de DOT-systematiek per 2012 – met een gemiddelde verlaging van de tarieven voor de poortspecialisten en een gemiddelde verhoging van de tarieven voor de vrijgevestigde ondersteuners – per saldo min of meer gelijk is gebleven. Hier staat voor ziekenhuizen als dat van appellanten, waarin de poortspecialisten en slechts een kleiner deel van de ondersteunende specialisten vrijgevestigd zijn, tegenover dat de gemiddelde verlaging van de tarieven voor deze specialisten in de DOT-systematiek meer ruimte in hun honorariumomzetplafond met zich heeft gebracht.

Het College is van oordeel dat, gelet op de aan verweerster toekomende beleidsruimte, het beheersmodel op zichzelf niet onrechtmatig is te achten. Deze grond van appellante slaagt niet.

4. Subsidiair stellen appellanten dat, indien verweerster bij de vaststelling van het voor appellanten geldende honorariumplafond al zou hebben mogen uitgaan van de ongecorrigeerde gegevens van 2009, er in hun geval sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat verweerster met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten aanzien van appellanten had moeten uitgaan van meer realistische gegevens uit (o.a.) 2011 en om die reden dat plafond met € 1.167.437 had moeten verhogen. Naar de opvatting van appellanten heeft verweerster in het bestreden besluit ten onrechte aan hen tegengeworpen dat geen andere – recentere – gegevens voorhanden zijn dan die uit het jaar 2009, aangezien zij het in haar macht heeft meer recente gegevens te verzamelen. In het bestreden besluit is voorts miskend dat de door appellanten aangevoerde bezwaren zijn gericht tegen de voor het onderhavige geval onjuiste veronderstellingen die aan de maatregel ten grondslag liggen. Aangezien voor de vaststelling van het onderhavige honorariumomzetplafond een fors percentage van de bij de instelling werkzame specialisten buiten beschouwing blijft, namelijk de ondersteunende specialisten in loondienst, is de voor dat plafond toegepaste korting intrinsiek onevenredig en onrechtvaardig. Het mutatiekader kan voor dat probleem niet als oplossing dienen en is daar ook niet voor bedoeld. Ook een ziekenhuis ten aanzien waarvan wel sprake is van een juiste vaststelling van het honorariumomzetplafond kan een beroep doen op het mutatiekader. De stelling van verweerster tenslotte, dat wel is overwogen of de omzetten uit 2009 voor de invloed van de gedifferentieerde honorariumkorting zouden moeten worden gecorrigeerd, maar dat de daarmee te behalen voordelen geenszins zouden opwegen tegen de nadelen, maakt niet dat met deze omstandigheid in de Beleidsregel rekening is gehouden.

Op grond van artikel 4:84 Awb handelt een bestuursorgaan in beginsel overeenkomstig de beleidsregel. Dat is slechts anders in het geval dat dit voor een belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere (niet in de beleidsregel verdisconteerde) omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Het College stelt vast dat appellanten met hun berekening van het door hen gestelde tekort in hun honorariumomzetplafond met dit laatste geen rekening hebben gehouden. Voorts heeft verweerster terecht aangevoerd dat die berekening ook overigens in belangrijke mate moet worden gerelativeerd. Daaraan ligt immers de ook voor een gemiddeld ziekenhuis onjuiste aanname ten grondslag dat alle ondersteunende specialisten in 2009 vrijgevestigd zouden zijn, en bovendien is daarbij ten onrechte geen rekening gehouden met ontvangst(en) uit het mutatiekader voor 2012. Tenslotte is in dit verband nog van belang dat appellanten de door verweerster gemaakte impactanalyse, waarbij zowel rekening is gehouden met de gevolgen van de onderhavige beheersmaatregel als de invoering van DOT, niet gemotiveerd hebben weersproken. De enkele omstandigheid dat het collectief het vastgestelde honorariumomzetplafond in (de eerste 10 maanden van) 2012 zou hebben overschreden, vormt naar het oordeel van het College geen adequate weerlegging van die analyse.

Het College concludeert naar aanleiding van het vorenstaande dat appellanten er niet in zijn geslaagd aannemelijk te maken dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van de Beleidsregel voor hen onevenredig zou zijn in verhouding tot het met de Beleidsregel te dienen doel van beheersing van de kosten van vrijgevestigde medisch specialisten. Verweerster heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien toepassing te geven aan artikel 4:84 Awb. Ook deze grond van appellanten slaagt niet.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.E Doolaard, mr. H. Bolt en mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. F.E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2014.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.E. Mulder