Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:398

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-09-2014
Datum publicatie
30-10-2014
Zaaknummer
AWB 13/14
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Perceelsoppervlakte, slotenmarge

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2014-10-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/14

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2014 in de zaak tussen

[naam 1], h.o.d.n. Veehouderij [naam 1], te [plaats], appellant(gemachtigde: ing. J. Voets),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Heerings).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2011 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling).

Bij besluit van 20 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door appellant ingediende bezwaar gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft als nader stuk kaartmateriaal ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellant heeft met zijn Gecombineerde Opgave 2011 uitbetaling van zijn toeslagrechten aangevraagd en hiervoor 48 percelen met een totale oppervlakte van 45.71 ha opgegeven. Bij het primaire besluit heeft verweerder appellants bedrijfstoeslag 2011 vastgesteld op € 15.690,42. Daarbij is verweerder uitgegaan van een geconstateerde oppervlakte van 42.91 ha. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de geconstateerde oppervlakte van een aantal percelen gewijzigd vastgesteld. Verweerder is hierbij alsnog uitgegaan van de in zijn beslissing op bezwaar van 15 december 2011 voor de bedrijfstoeslag van appellant voor 2010 vastgestelde oppervlakte. Verweerder heeft appellant bij het bestreden besluit een financiële tegemoetkoming verstrekt van € 1.736,40 vanwege de eventuele nadelen die appellant heeft ondervonden van het feit dat hij nog geen beslissing had ontvangen op zijn bezwaar tegen de vaststelling van de bedrijfstoeslag 2010, toen hij zijn aanvraag om bedrijfstoeslag voor 2011 indiende.

2. De Regeling luidde ten tijde hier in geding, voor zover hier van belang, als volgt:


" Artikel 1 - Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

(…)
zj: sloot: sloot, met inbegrip van het talud.

(…)

Artikel 66
1. Bij de constatering van de oppervlakte van percelen landbouwgrond worden voor sloten die zijn gelegen tussen percelen landbouwgrond en die niet breder zijn dan 4 meter overeenkomstig door de Europese Commissie aanvaarde meetmethoden gerekend tot de volledig gebruikte oppervlakte van de desbetreffende percelen, waarbij de breedte van de sloot voor de helft aan elk van de aan weerskanten van de sloot gelegen percelen wordt toegerekend.
2. Bij de constatering van de oppervlakte van percelen landbouwgrond worden sloten die zijn gelegen in een perceel landbouwgrond en die niet breder zijn dan 2 meter overeenkomstig door de Europese Commissie aanvaarde meetmethoden gerekend tot de volledig gebruikte oppervlakte van het desbetreffende perceel.
3. De minimumoppervlakte, bedoeld in artikel 13, negende lid, van verordening 1122/2009 van sloten, bedraagt 0,01 ha."

3.1

Appellant stelt dat verweerder de oppervlaktes van een aantal percelen onjuist heeft vastgesteld. De oppervlaktes dienen te worden vastgesteld overeenkomstig het in beroep door appellant overgelegde GPS-rapport. Dat de vastgestelde oppervlaktes onjuist zijn blijkt volgens appellant ook uit het feit dat deze voor dezelfde percelen in de opvolgende jaren wisselend worden vastgesteld door verweerder. Appellant voert verder aan dat zijn bedrijf in het veenweidegebied ligt, zodat volgens verweerders beleid de perceelsgrens op de scheiding tussen water en land behoort te worden gelegd. De percelen zijn tot aan de sloot voor landbouw in gebruik. Dat op foto’s de slootkant lichter van kleur toont dan het gewas op de rest van het perceel wil niet zeggen dat appellant dit perceel niet tot aan de rand van de sloot in gebruik heeft voor landbouw. Verweerder heeft dan ook ten onrechte niet alle perceelsgrenzen op de scheiding tussen water en land gelegd. Voor perceel 22 geldt bovendien dat verweerder een rechte lijn heeft getrokken langs de grillige slootkant waardoor er subsidiabele grond buiten de lijn valt. Verder heeft verweerder de slotenmarge onjuist toegepast. Appellant vindt dat een schadevergoeding op zijn plaats is, omdat verweerder het besluit op bezwaar niet tijdig heeft genomen.

3.2

Verweerder stelt dat de subsidiabele oppervlakte van appellants percelen is vastgesteld na een administratieve controle als bedoeld in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1122/2009. Deze vaststelling heeft plaatsgevonden door de door appellant opgegeven oppervlakte te vergelijken met de bij verweerder in het systeem voor referentiepercelen geregistreerde oppervlakte (de zogenoemde AAN-laag). Voor een grotere vaststelling van de geconstateerde oppervlaktes is geen plaats. De referentiepercelen worden jaarlijks geactualiseerd aan de hand van de meest recente luchtfoto’s. Hierbij kunnen kleine verschillen – zowel hoger als lager – optreden. Dit is vaker het geval indien er sprake is van perceelsgrenzen die liggen op de scheiding van water en land zoals in deze zaak. Verweerder verwijst op dit punt naar de uitspraak van het College van 6 september 2013, ECLI:NL:CBB:2013:151.
Het gaat in het geval van appellant om slechts geringe verschillen tussen de aangevraagde en geconstateerde oppervlakte. Hierbij geldt dat enkel daar waar het perceel doorloopt tot de scheiding tussen land en water, de grens van het landbouwperceel ook daar wordt gelegd. Bij enkele percelen is de perceelsgrens niet gelegd op de scheiding tussen land en water, omdat de slootkant lichter toont op de foto’s, wat tot de conclusie leidt dat het perceel niet tot het water voor landbouw in gebruik is.
Appellant heeft de slotenmarges van een aantal percelen te ruim opgegeven, zodat deze terecht niet zijn meegeteld.
De door appellant aangehaalde meetresultaten in een in zijn opdracht uitgevoerde GPS-meting zijn niet digitaal overgelegd en daarom niet bruikbaar voor verweerder voor de vergelijking van die meetresultaten met de referentiepercelen.

3.3.1

Het College dient de vraag te beantwoorden of er – zoals appellant stelt – aanleiding is voor het oordeel dat verweerder de afgekeurde oppervlakte kleiner diende vast te stellen dan de thans berekende oppervlakte van 2.05 ha. Dit is naar het oordeel van het College niet het geval.

3.3.2

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet het College geen aanleiding om te twijfelen aan de door verweerder geconstateerde oppervlaktes. Verweerder heeft er op gewezen dat een groot aantal percelen van appellant aan het water liggen. Dit zorgt, aldus verweerder, voor een grillig verloop van de perceelsgrenzen waardoor het lastig is een heel precies aantal hectaren per perceel vast te stellen. Naar het oordeel van het College is niet gebleken dat verweerder aan de hand van de luchtfoto’s, die de situatie ter plaatse met een grote mate van precisie weergeven, de grens tussen water en land onjuist heeft vastgesteld. Zoals ter zitting is gebleken tonen de foto’s kleurverschillen tussen de slootranden en de rest van de percelen. Naar het oordeel van het College heeft verweerder hiermee aannemelijk gemaakt dat deze stroken grond niet voor landbouw in gebruik zijn en daarom niet voor subsidie in aanmerking komen. De enkele verwijzing van appellant naar de door hem in beroep overgelegde uitdraai met de meetresultaten van het in zijn opdracht uitgevoerde GPS-onderzoek is, gelet op de luchtfoto’s van verweerder, onvoldoende om te twijfelen aan de juiste vaststelling van de geconstateerde oppervlaktes.

3.3.3

Aannemelijk is dat geringe verschillen ten opzichte van voorgaande jaren in de uitkomst nooit geheel vermeden kunnen worden, zeker als precies tot de rand van het water gemeten moet worden. Dergelijke variaties in de uitkomst zullen dan ook geaccepteerd moeten worden. Van belang hierbij is nog dat de aanvraag om bedrijfstoeslag per jaar wordt beoordeeld en niet in alle gevallen vergelijkbaar is. Dat het resultaat van de aanvraag voor 2011 in dit geval niet hetzelfde is als bij voorgaande of latere jaren, leidt dan ook niet automatisch tot de conclusie dat de vaststelling van de bedrijfstoeslag voor 2011 door verweerder onjuist is.

3.3.4

Wat betreft appellants stelling dat van perceel 22 de perceelsgrens niet juist is gelegd omdat er subsidiabele grond buiten valt, is het College er niet van overtuigd dat appellant hierdoor is benadeeld. Gelet op het grillige verloop van het perceel valt de hierlangs rechtgetrokken perceelsgrens soms enigszins in het voordeel van appellant en soms in zijn nadeel uit. Dat per saldo hierdoor sprake zou zijn van een te kleine vaststelling van de oppervlakte van dit perceel heeft appellant echter niet aannemelijk gemaakt.

4. Appellants betoog dat verweerder de slotenmarges onjuist heeft vastgesteld slaagt naar het oordeel van het College evenmin. De afgekeurde oppervlakte van in totaal 2.05 ha betreft voornamelijk de afgekeurde slotenmarge. Appellant heeft, zoals verweerder onweersproken heeft gesteld, de slotenmarges van een aantal percelen te ruim opgegeven door delen van sloten op te geven die te breed waren en sloten op te geven die in totaal minder dan 0.01 ha slotenmarge opleverden. Appellant heeft de breedte van een aantal sloten met een stok gemeten. Dit is echter niet afdoende als tegenbewijs voor de vaststelling van de slotenmarges door verweerder op basis van de luchtfoto’s. Het gaat hier immers om sloten met een grillig verloop en wisselende breedtes, zodat een exacte vaststelling van de slootoppervlaktes op de door appellant gehanteerde methode niet goed mogelijk is. Daarnaast is door verweerder onweersproken gesteld dat appellant voor de percelen 25 en 31 geen slotenmarge heeft aangevraagd, zodat deze terecht ook niet zijn vastgesteld.

5. Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond is. Voor vergoeding van de door appellant gevorderde wettelijke rente ziet het College derhalve geen grondslag.

6. Het College gaat ervan uit dat appellant met zijn verzoek om schadevergoeding in verband met het niet tijdig nemen door verweerder van een beslissing op bezwaar een beroep heeft willen doen op een overschrijding van de redelijke termijn. Het College is er in vaste jurisprudentie van uitgegaan, dat een totale duur van de behandeling van drie jaar, gerekend vanaf de indiening van het bezwaarschrift, voor een zaak waarin het College in eerste en enige instantie bevoegd is, nog aanvaardbaar geacht moet worden (zie onder meer de uitspraak van 6 september 2013, ECLI:NL:CBB:2013:151). Nu het primaire besluit in de onderhavige zaak is bekend gemaakt vóór 1 februari 2014, zal het College – in navolging van het in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 januari 2014 neergelegde overgangsrecht (ECLI:NL:RVS:2014:188) – deze jurisprudentie in deze zaak nog toepassen. Het bezwaarschrift is op 20 juni 2012 ingediend. Er is dan ook geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, zodat geen aanleiding bestaat voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding.

7 . Voor een proceskostenveroordeling, waaronder vergoeding van de kosten van het GPS-onderzoek, ziet het College evenmin aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2014.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. C.M. Leliveld