Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:374

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-10-2014
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
AWB 13/348
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

tegemoetkoming verbod ex artikel 23b en 28b Uitvoeringsregeling visserij

te late aanvraag

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsregeling visserij
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/348

27803

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2014 in de zaak tussen

[naam 1], te [plaats], appellant

(gemachtigde: [naam 2]),


en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.W. Tieleman).

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2012 heeft verweerder de aanvraag van appellant om een ‘Tegemoetkoming verbod ex artikel 23b en 28b Uitvoeringsregeling visserij’ afgewezen.

Bij besluit van 5 april 2013 heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.


Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 5 april 2013 en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2014. Appellant en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1.

Appellant, een beroepsvisser, heeft bij formulier gedateerd 29 oktober 2012 een tegemoetkoming aangevraagd voor het gederfde netto resultaat als gevolg van het verbod van de vangst van aal en wolhandkrab (spoor 3). De aanvraag is op 31 oktober 2012 ontvangen.

2.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. De periode voor het aanvragen van de bedoelde tegemoetkoming stond blijkens artikel 4:77, derde lid, van de Regeling LNV-subsidies (Regeling) open van 4 mei 2012 tot en met 14 juni 2012. De door appellant bij brief van 3 april 2012 ingediende aanvraag is weliswaar bij het juiste bestuursorgaan, maar bij de verkeerde dienst ingediend. Op dat moment was de Regeling nog niet in werking en niet opengesteld. Die aanvraag is geen geldige aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De op 31 oktober 2012 ontvangen aanvraag is te laat ontvangen en kan niet in behandeling worden genomen. Onder die omstandigheden komt verweerder niet toe aan een beoordeling van de eventuele toepasselijkheid van de hardheidsclausule.

3.

Appellant voert aan dat verweerder als referentiejaar bedoeld in artikel 4:76, vierde lid, van de Regeling het jaar 2008 dient te hanteren, omdat appellant in 2009 aanzienlijk minder op aal heeft gevist en hij in oktober 2010 een knieprothese heeft gekregen.
Ter zitting van het College heeft appellant daaraan toegevoegd dat hij al eerder, namelijk in april 2012, een aanvraag voor een tegemoetkoming bij verweerder heeft ingediend.

4.

De Regeling luidde voor zover en ten tijde van belang als volgt:

“Artikel 1:3

1.

Op grond van deze regeling kan uitsluitend subsidie worden verstrekt indien de Minister de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag tot subsidieverlening, subsidievaststelling of subsidieverstrekking heeft opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en een periode voor indiening van de aanvraag.
(…)

Artikel 4:75
In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘nettoresultaat’; omzet verminderd met de vaste kosten en de variabele kosten, voordat dit bedrag is verminderd met de verschuldigde inkomsten- en vennootschapsbelasting.

Artikel 4:76
1. De Minister kan op aanvraag een tegemoetkoming verstrekken
(…)

Artikel 4:77 – Aanvraag
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 4:75, eerste lid, kan gedurende een periode van zes weken worden ingediend. De periode vangt aan met ingang van de zevende dag volgend op de dag van inwerkingtreding van deze paragraaf van de regeling
(…)

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.”

5.

Het College overweegt als volgt. Artikel 4:75 en verder van de Regeling LNV-subsidies is het sluitstuk van het pakket aan maatregelen in verband met het instellen van een visverbod op aal en wolhandkrab vanwege de dioxineproblematiek in een aanzienlijk deel van de Nederlandse wateren. Het betreft een tegemoetkoming via drie ‘sporen’. Spoor 1 (terugbetaling huurpenningen voor staatswateren) is afgerond. Ook spoor 2 (tegemoetkoming kosten die niet terug te verdienen zijn tijdens de huurperiode) is grotendeels afgerond. Verder is een derde spoor aangekondigd waarmee wordt beoogd de getroffen visserijbedrijven een tegemoetkoming te verstrekken voor hun verlies aan netto inkomsten verkregen uit de vangst van aal en wolhandkrab (spoor 3).

Uitgaande van de datum van inwerkingtreding van de Regeling op 27 april 2012 kon de aanvraag worden ingediend van 4 mei 2012 tot en met 14 juni 2012. Nu appellant de aanvraag op 31 oktober 2012 heeft ingediend staat vast dat deze te laat is ingediend. Gelet op het bepaalde in artikel 1:3, eerste lid, van de Regeling heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat indiening van een aanvraag buiten de daarvoor aangewezen periode in beginsel dient te leiden tot afwijzing van de aanvraag zonder inhoudelijke beoordeling.

6.

Naar het oordeel van het College kon appellant er op grond van de tekst van verweerders brief van 2 mei 2012, waarin alle visserijbedrijven op de mogelijkheid van een tegemoetkoming voor het vangstverbod op aal en wolhandkrab zijn gewezen en, onder bijsluiting van een verplicht te gebruiken aanvraagformulier, uitdrukkelijk is vermeld dat de aanvraag voor deze tegemoetkoming vóór 14 juni 2012 aan verweerder moest worden toegezonden, in redelijkheid niet vanuit gaan dat hij met zijn brief van 3 april 2012 al een aanvraag had gedaan. Met zijn verzoek van 3 april 2012 beoogde appellant immers een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4:69 van de Regeling (spoor 2) aan te vragen en niet de hier aan de orde zijnde tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4:76 van de Regeling (spoor 3). Het College overweegt nog dat feit dat appellant door het (ongedateerde) krantenbericht waarnaar hij heeft verwezen in de war zou zijn geraakt, aan het voorgaande niet afdoet.

7.

Het College is dan ook van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om de aanvraag toch in behandeling te nemen. De aanvraag is dan ook op goede gronden afgewezen wegens te late indiening.



8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.B. van Zutphen, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2014.

w.g. R.F.B. van Zutphen w.g. E. van Kerkhoven