Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:363

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
AWB 13/989
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontslag van inst5antie: faillissement appellante

Wetsverwijzingen
Kaderwet EZ-subsidies, geldigheid: 2014-09-26
Algemene wet bestuursrecht 8:22, geldigheid: 2014-09-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/989

27356

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 september 2014 in de zaak tussen

GM Systemen B.V., te Son en Breugel, appellante,

en

de Minister van Economische Zaken, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidie op grond van de Subsidieregeling sterktes in innovatie vastgesteld op € 216.373,- en te veel betaalde voorschotten ter hoogte van € 47.173,- teruggevorderd.

Bij besluit van 26 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen zijn op 14 juli 2014 uitgenodigd te verschijnen op een zitting van het College op 8 september 2014.

Bij brief van 1 augustus 2014 is namens de curator, mr Ph.W. Schreurs, meegedeeld dat bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 10 april 2014 het faillissement van appellante is uitgesproken. Een afschrift van dit vonnis heeft het College op 5 augustus 2014 ontvangen.

Bij faxbericht van 11 augustus 2014 heeft de curator het College desgevraagd laten weten dat hij de procedure niet wenst over te nemen.

Bij brief van 1 september 2014 heeft het College verweerder verzocht mede te delen of hij, gelet op artikel 27, tweede lid, van de Faillissementswet, ontslag van instantie wil vragen voor deze procedure.

Bij faxbericht van 2 september 2014 heeft verweerder het College gevraagd om ontslag van instantie.

Bij faxbericht van 4 september 2014 heeft de griffier de curator en verweerder laten weten dat de zitting geen doorgang zal vinden.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:22 van de Awb is artikel 27 van de Faillissementswet (Fw) van overeenkomstige toepassing, tenzij partijen vóór de faillietverklaring zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen.

2.

Het faillissement van appellante is uitgesproken op 10 april 2014. Partijen zijn op 14 juli 2014 uitgenodigd om te verschijnen op een zitting van het College. Daarmee zijn partijen na de faillietverklaring van appellante uitgenodigd, zodat artikel 27 Faillissementswet (Fw) in dit geval van toepassing is.

3.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Fw wordt, indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, het geding ten verzoeke van de gedaagde geschorst, ten einde deze gelegenheid te geven, binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.

Op grond van artikel 27, tweede lid, van de Fw heeft, zo de curator aan die oproeping geen gevolg geeft, de gedaagde het recht ontslag van de instantie te vragen; bij gebreke daarvan kan het geding tussen de gefailleerde en de gedaagde worden voortgezet, buiten bezwaar van de boedel.

4.

De curator heeft het College bij brief van 19 juni 2013 ingelicht over het faillissement van appellante en het College gevraagd naar de stand van zaken in de onderhavige procedure. De griffier heeft de curator hierover geïnformeerd, waarop de curator vervolgens desgevraagd heeft laten weten dat zij de procedure niet wenst over te nemen. Het College heeft vervolgens verweerder in de gelegenheid gesteld gebruik te maken van het recht ontslag van instantie te vragen op grond van artikel 27, tweede lid van de Fw. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder ontslag van instantie gevraagd.

5.

Nu het College niet gebleken is van redenen de procedure voort te zetten, wijst het College het verzoek van verweerder om ontslag van instantie toe. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.

6.

Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. Dorst-Tatomir, mr. R.R. Winter en mr. H.A.A.G. Vermeulen, in aanwezigheid van mr. G.J.P. Leuverink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2014.

w.g. H.A.B. Dorst-Tatomir w.g. G.J.P. Leuverink