Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:360

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
AWB 13/697
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:5899, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verlenen van ontheffing van de inleverdatum staat in rechte vast (zie 13/398); vas staat dat na die datum is ingeleverd, dus bevoegd dwangsom op te leggen; geen aanleiding af te zien van gebruikmaking van die bevoegdheid door deze dwangsom op te leggen; voor zover de invordering wordt betwist, kan het aangevoerde niet tot vernietiging daarvan leiden.

Wetsverwijzingen
Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, geldigheid: 2014-09-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/157

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zaaknummer 13/697 16 september 2014

28201

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Film- en Bioscoopbedrijf in liquidatie, te Hilversum, (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 augustus 2013, met kenmerk ROT 12/5254 (ECLI:NL:RBROT:2013:5899), in het geding tussen

appellante

en

De Nederlandsche Bank N.V., te Amsterdam, (DNB).

Gemachtigde van appellante: mr. S. Leurink.

Gemachtigde van DNB: mr. C.M. Bitter.

1 Het procesverloop in hoger beroep

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen bovengenoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank).

DNB heeft gereageerd op het (aanvullend) hoger beroepschrift.

Op 28 mei 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellante is vertegenwoordigd door mr. Leurink. Namens appellante zijn tevens verschenen [naam 1], [naam 2] en [naam 3]. DNB is vertegenwoordigd door mr. Bitter. Namens DNB zijn tevens verschenen J.J. Dahmeijer en N.L.F. van der Scheer.

2 De grondslag van het geschil

2.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

2.2

Op 13 maart 2012 heeft appellante van DNB toestemming verkregen voor een collectieve waardeoverdracht naar de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Media PNO (PNO). De overdracht heeft plaatsgevonden op 30 maart 2012. Appellante heeft voorts op 20 juni 2012 ontheffing gekregen van de verplichting om het boekjaar gelijk te laten lopen met het kalenderjaar, waardoor haar boekjaar eindigde op 30 maart 2012. Haar verzoek om ontheffing van de verplichting tot het indienen van de jaarstaten tot ná (de wettelijke datum van) 30 juni 2012 is echter afgewezen. Het tegen deze afwijzing gemaakte bezwaar heeft DNB ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de daartegen ingediende beroepen niet-ontvankelijk verklaard. In het tegen deze uitspraak ingediende hoger beroep (geregistreerd onder zaaknummer 13/698) doet het College thans eveneens (afzonderlijk) uitspraak.

2.3

Bij primair besluit van 26 juli 2012 heeft DNB appellante gelast om binnen twee weken na dagtekening van dit besluit enkele daarin nader genoemde stukken aangaande het boekjaar 2011 (jaarstaten) in te dienen op straffe van een dwangsom van € 1.500,- voor iedere week dat niet aan de last wordt voldaan tot een maximum van € 15.000,- (last onder dwangsom). Bij beslissing op bezwaar van 29 november 2012, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft DNB het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2.4

Nadat appellante de jaarstaten op 11 oktober 2012 had ingediend, heeft DNB bij besluit van 23 oktober 2012 de verbeurde dwangsommen, ter hoogte van in totaal € 12.000,- (8 weken á € 1.500,-), ingevorderd (invorderingsbesluit).

3 De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe – samengevat – overwogen dat appellante de jaarstaten niet uiterlijk 30 juni 2012 heeft ingediend, waarmee zij artikel 147, tweede lid, van de Pensioenwet (Pw) heeft overtreden, zodat DNB op grond van artikel 175, eerste lid, Pw bevoegd was aan appellante een last onder dwangsom op te leggen. De rechtbank is voorts niet gebleken dat DNB van deze bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken. Dat een last onder dwangsom een antecedent oplevert voor de bestuurders betekent niet dat de last niet kan worden opgelegd. Voorts acht de rechtbank van belang dat de begunstigingstermijn liep tot 9 augustus 2012, waarmee appellante voldoende gelegenheid is geboden de jaarstaten alsnog in te dienen zonder een dwangsom te verbeuren. Het beroep kan niet mede gericht worden geacht tegen het invorderingsbesluit, aangezien niet is gebleken dat appellante de rechtmatigheid daarvan betwist. Voor zover hier anders over geoordeeld dient te worden, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor vernietiging van dat besluit, nu het beroep inzake de last onder dwangsom ongegrond is en appellante geen specifieke gronden heeft aangevoerd tegen het invorderingsbesluit.

4 De standpunten van partijen in hoger beroep

4.1

Het – samengevatte – standpunt van appellante.

De rechtbank heeft het beroep ten onrechte ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat de last onder dwangsom terecht is opgelegd nu het beroep over het afgewezen verzoek om uitstel van het indienen van de jaarstaten niet-ontvankelijk is. Daarmee is de inhoudelijke kant van de zaak ten onrechte niet aan de orde gekomen, aldus appellante. DNB motiveert onvoldoende waarom zij niet in staat zou zijn haar toezicht uit te oefenen als niet alle informatie tijdig aangeleverd wordt. In het kader van de collectieve waardeoverdracht heeft appellante immers meer gegevens overgelegd dan andere fondsen en is DNB betrokken bij alle stappen in dat proces. Voorts is geen sprake geweest van een behoorlijke belangenafweging. Bovendien heeft DNB appellante er in het kader van het verzoek om uitstel van het indienen van de jaarstaten ook niet over geïnformeerd dat nog nooit gebruik is gemaakt van die bevoegdheid. Daardoor is appellante niet in de gelegenheid geweest om te anticiperen op een afwijzing. Aangezien al toestemming was verleend voor de waardeoverdracht en voor verlenging van het boekjaar, was er voor appellante geen enkele reden om aan te nemen dat het uitstelverzoek toch zou worden afgewezen. De afwijzing kwam pas op 20 juni 2012, zodat het onmogelijk was om nog voor 30 juni 2012 de jaarstaten in te leveren. Naar de mening van appellante is sprake van een “ingrijpende en incidentele gebeurtenis” als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregel ontheffingen Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling (Beleidsregel) aangezien waardeoverdracht heeft plaatsgevonden en zij zich nu in liquidatie bevindt. Die gebeurtenis dient redelijkerwijs niet voor haar rekening te komen. Bovendien is ook niet gevraagd om volledige ontheffing, maar om een uitstel van drie maanden. Daar waren goede gronden voor, omdat prioriteit diende te worden gegeven aan de op 13 maart 2012 goedgekeurde waardeoverdracht naar PNO. DNB heeft dan ook ten onrechte een last onder dwangsom opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de jaarstaten. Het opleggen van de last kan voorts een antecedent voor de betrokken bestuurders met zich meebrengen, hetgeen hen in de toekomst kan beperken in het uitoefenen van bestuursfuncties bij andere pensioenfondsen of financiële instellingen. Dat doet volgens appellante ook geen recht aan de inspanningen van deze bestuurders. DNB had tot slot kunnen afzien van invordering, nu appellante beperkte middelen heeft en tevens reeds in liquidatie is.

4.2

DNB heeft – gemotiveerd – verweer gevoerd.

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1

Inzake de last onder dwangsom overweegt het College als volgt.

Het College heeft in het hoger beroep van – onder andere – appellante met zaaknummer 13/698 geoordeeld dat de rechtbank de beroepen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarmee staat vast dat DNB appellante op goede gronden geen ontheffing heeft verleend van de verplichting de jaarstaten vóór 30 juni 2012 aan haar te verstrekken. Hetgeen appellante in onderhavige procedure aanvoert omtrent het niet verleende uitstel voor het indienen van de jaarstaten, kan daar niet meer aan afdoen. Nu appellante voorts niet betwist dat de jaarstaten niet vóór die datum aan DNB zijn verstrekt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat DNB de bevoegdheid toekwam appellante ter zake een last onder dwangsom op te leggen.

Het College is met de rechtbank, en op dezelfde gronden, van oordeel dat niet is gebleken dat DNB in het geval van appellante niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid door de onderhavige last onder dwangsom op te leggen en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank dienaangaande. Daar voegt het College nog aan toe dat de verplichting om de jaarstaten vóór 30 juni 2012 in te dienen voor appellante duidelijk was of had dienen te zijn. Zolang zij geen positieve beslissing had ontvangen op haar verzoek om ontheffing, diende zij uit te gaan van deze indieningsdatum. Zij had rekening moeten houden met de mogelijkheid van een afwijzende beslissing. Voorts heeft appellante feitelijk tot 9 augustus 2012 de tijd gehad om de jaarstaten in te dienen zonder dat zij een dwangsom zou verbeuren. Appellante heeft in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat de hoogte van de opgelegde dwangsom in haar geval disproportioneel dan wel onredelijk is.

5.2

Voor zover appellante het invorderingsbesluit betwist, is het College met de rechtbank van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor vernietiging van dat besluit. Appellante heeft daar geen specifieke gronden tegen aangevoerd. Haar niet onderbouwde opmerking dat DNB in haar geval van invordering had kunnen afzien, is daarvoor onvoldoende.

5.3

Het College komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

6 De beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. E.R. Eggeraat en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 september 2014.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. P.H. Broier