Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:36

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-01-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
AWB 13/244
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voeren varkens ad libitum, lengte troggen. Verweerder mag handhavend optreden. Overtreding gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 36, 37
Varkensbesluit 5
Varkensbesluit 9
Varkensbesluit 10
Varkensbesluit 11
Besluit welzijn productiedieren 2
Besluit welzijn productiedieren 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/754
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/244

11201

Uitspraak van de meervoudige kamer van 31 januari 2014 in de zaak tussen

[bedrijfsnaam], te [vestigingsplaats], appellante

(gemachtigde: mr. M.J. Smaling),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E.M. Tieleman).

Procesverloop

Bij besluiten van 17 januari 2013 (de primaire besluiten) heeft verweerder appellante lasten onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van artikel 36, eerste en derde lid, en artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwd), van artikel 5, zevende lid, artikel 9, tweede lid, artikel 10, eerste lid en artikel 11, tweede lid van het Varkensbesluit en van artikel 2, derde lid, en artikel 5, vierde en negende lid van het Besluit welzijn productiedieren.
Bij besluiten van 13 maart 2013 zijn de besluiten van 17 april 2013 aangevuld.

Bij besluit van 10 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft een verzoek tot voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is bij uitspraak van
18 april 2013 door de voorzieningenrechter van het College toegewezen.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2013.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts is voor appellante verschenen [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

In de Gwd is, voor zover relevant, het volgende bepaald.

Artikel 35

1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld omtrent de wijze waarop dieren van bij die maatregel aangewezen soorten of categorieën van dieren mogen worden gehouden.

(…)

Artikel 36

1.

Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen

3.

Een ieder is verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.

Artikel 37

Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden.

Artikel 106

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.

In het Varkensbesluit is, voor zover relevant, het volgende bepaald.

Artikel 11.

(…)

2.

Indien varkens in een groep worden gehouden en niet ad libitum of via een automatisch individueel voedersysteem worden gevoederd, is de lengte van de rechte trog zodanig dat alle varkens tegelijkertijd kunnen eten. De lengte van de trog bedraagt ten minste 0,30 m per geslachtsrijp varken.

In het Besluit welzijn productiedieren is het volgende, voor zover relevant, bepaald.

Artikel 2.

(…)

3. (…)

Het huisvesten van varkens geschiedt overeenkomstig artikel 5, eerste tot en met vijfde lid en zevende tot en met 10 lid.

Artikel 5.

(…)

4.

Behuizing en inrichtingen voor de beschutting van een dier zijn zodanig geconstrueerd en verkeren in een zodanige staat van onderhoud dat er geen scherpe randen of uitsteeksels zijn die het dier kunnen verwonden.

(…)

9.

Een voeder- of drinkinstallatie is zo ontworpen, gebouwd en geplaatst dat het gevaar voor verontreiniging van voeder en water, alsmede schadelijke gevolgen van rivaliteit tussen de dieren tot een minimum worden beperkt.

2.

Appellante heeft een varkenshouderij. Op 17 december 2012 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) controles verricht op verschillende locaties van het bedrijf van appellante gelegen aan de [adres]. Tijdens die controles is onder meer geconstateerd dat de troggen op genoemde locaties niet lang genoeg zijn, dat de troggen leeg waren en dat de, in groepen gehouden, varkens niet ad libitum (onbeperkt) werden gevoerd. De varkens worden, met behulp van een computersysteem, 18 keer per dag gevoerd met brijvoer. Verweerder heeft appellante vervolgens lasten onder bestuursdwang opgelegd wegens onder meer de overtreding die thans in geding is, te weten artikel 11, tweede lid, van het Varkensbesluit. Verweerder heeft onder meer als maatregel opgelegd dat appellante er zorg voor dient te dragen dat indien varkens in een groep worden gehouden en niet ad libitum of via automatisch individueel voerdersysteem worden gevoederd, de lengte van de rechte trog zodanig is dat alle varkens tegelijkertijd kunnen eten. De lengte van de rechte trog bedraagt ten minste 0,30 m per geslachtsrijp varken. Tegen deze maatregel, die appellante voor 20 april 2013 moet hebben getroffen, heeft zij bezwaar gemaakt.

De voorzieningenrechter heeft bij zijn uitspraak van 18 april 2013 de primaire besluiten en het bestreden besluit geschorst voor zover het de maatregelen betreft die zien op de maatvoering van de trog, tot het College uitspraak heeft gedaan.

3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt zoals neergelegd in de primaire besluiten gehandhaafd.

4.

Het College dient in dit geschil de vraag te beantwoorden of verweerder terecht zijn besluiten tot oplegging van de lasten onder bestuursdwang heeft gehandhaafd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

5.

Het College stelt vast dat appellante de constateringen door de toezichthouders van de NVWA, die zijn neergelegd in het toezichtrapport van 19 december 2012, niet heeft betwist. Hieruit volgt dat sprake is van overtredingen van genoemd artikel en dat aan verweerder in beginsel de bevoegdheid toekwam om handhavend op te treden.

6.

Volgens vaste jurisprudentie van het College zou verweerder slechts indien sprake is van bijzondere omstandigheden gehouden zijn af te zien van handhavend optreden ter beëindiging van bovengenoemde onwettige situatie.

7.

Appellante betoogt dat verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid geen gebruik heeft kunnen maken wegens bijzondere omstandigheden. De hoge voederfrequentie van de varkens (18 keer per dag met tussenpozen van een half uur) kan volgens appellante op één lijn worden gesteld met ad libitum voeren. Hoewel appellante formeel niet voldoet aan de voorgeschreven maatvoering van de trog(gen), voldoet zij, in haar optiek, wel aan het doel van de regelgeving, namelijk het welzijn van de varkens. De varkens zijn fysiek in goede conditie en er zijn geen gevolgen van agressie zichtbaar. Dit wordt ook ondersteund door de gegevens over het antibioticagebruik, vleespercentages en de verklaring van dierenarts [naam 2]. De dierenarts is tijdens de vierwekelijkse bezoeken bij appellante nog nooit gestuit op hongerige of onrustige varkens.

Appelante voert voorts aan dat het bedrag dat appellante zou moeten investeren om aan de regelgeving te voldoen moet worden betrokken bij de vraag of verweerder tot handhavend optreden zou moeten overgaan.

8.

Het College is van oordeel dat de door appellante ingenomen stelling dat haar wijze van voederen - waarbij niet wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering van de trog(gen), maar waarbij de, in groepen gehouden, varkens wel de hele dag voedsel tot zich kunnen nemen - materieel het doel bereikt dat de regelgever met de introductie van de norm zoals neergelegd in artikel 11, tweede lid, van het Varkensbesluit heeft nagestreefd, op zichzelf niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die voor verweerder aanleiding had moeten zijn om van handhavend optreden af te zien. Dit zou mogelijk anders kunnen zijn in een geval waarin de betrokkene wel materieel aan de gestelde norm voldoet, maar sprake is van een situatie waarin deze noodgedwongen op een van de voorgeschreven wijze van voederen afwijkende manier voedert. Naar het oordeel van het College is in onderhavig geval daarvan niet gebleken. Sterker nog, appellante heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij een "voorkeur" heeft voor dit systeem van voederen. Dit betreft, naar het oordeel van het College, veeleer een ondernemersbeslissing. Niet is voor het College komen vast te staan dat het voor appellante onmogelijk is om aan de norm die voortvloeit uit het Varkensbesluit te voldoen. Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat, om aan deze norm te voldoen, zij in redelijkheid van haar niet te vergen investeringen zal moeten doen.

In de stelling van appellante dat het onbeperkt voeren zal leiden tot een hoger spekpercentage van de varkens, zodat appellante een product op de markt aanbiedt, waar geen vraag naar is, heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven vinden om van handhavend optreden af te zien.

9.

Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Appellante stelt weliswaar dat andere varkenshouders, die voederen zoals appellante, geen last onder bestuursdwang opgelegd hebben gekregen, maar appellante heeft dit beroep niet van een toereikende feitelijke grondslag voorzien.

10.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, is het College van oordeel dat de aan appellante opgelegde begunstigingstermijn van drie maanden niet onredelijk is. Appellante heeft weliswaar gesteld, onder verwijzing naar een offerte, dat de stallen voor de varkens ingrijpend moeten worden gewijzigd, maar uit deze offerte volgt op zichzelf niet, dat een termijn van drie maanden om aan de terzake geldende regelgeving te voldoen, onvoldoende is. Het College gaat er bij het voorgaande wel van uit dat, gelet op de door de voorzieningenrechter getroffen voorlopige voorziening, door verweerder aan appellante nog een passende termijn wordt gegund om aan de hier relevante voorschriften te voldoen.

11.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, mr. R.R. Winter en mr. H.A.A.G. Vermeulen, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2014.

w.g. H.A.B. van Dorst-Tatomir w.g. P.M. Beishuizen