Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:352

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
AWB 12/992 en 12/993
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummers: 12/992 en 12/993

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2014 in de zaken tussen

[naam 1], te [plaats], appellant

(gemachtigde: [naam 2]),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: bc. R. Weltevreden).

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2011 heeft verweerder de aan appellant toegekende slachtpremie 2009 ten bedrage van € 13.732,38 herzien en dit aan hem uitgekeerde bedrag teruggevorderd.

Bij besluit van 4 september 2012 heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het zaaknummer is 12/992.

Bij besluit van 28 oktober 2011 heeft verweerder appellant nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag van € 13.179,-.

Bij besluit van 4 september 2012 heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft ook tegen dat besluit beroep ingesteld. Het zaaknummer hiervan is 12/993.

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 9 januari 2014. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1.

Appellant exploiteert een veehouderij op twee locaties. Voor het jaar 2009 heeft hij slachtpremie voor 214 runderen aangevraagd. Bij besluit van 13 november 2009 is aan hem voor 181 runderen een voorschot slachtpremie 2009 toegekend van € 9.426,48. Bij besluit van 4 mei 2010 is de definitieve premie 2009 voor 214 runderen vastgesteld op
€ 13.732,38. In aanvulling op het voorschot is aan appellant nog € 4.305,90 uitbetaald. Appellant heeft tegen deze besluiten geen bezwaar gemaakt.

2.

Op 2 februari 2009 heeft op het bedrijf van appellant een controle plaatsgevonden. Daarbij is geconstateerd dat 335 runderen op de locatie met UBN2370422 (Uniek Bedrijfs Nummer) werden gehouden terwijl zij in het I&R-systeem op de locatie UBN932903 stonden geregistreerd. In verband hiermee is aan appellant tijdelijk een aan- en afvoerverbod van runderen voor zijn bedrijf opgelegd (blokkade).


3. Op grond van de bevindingen bij de bedrijfscontrole heeft verweerder appellants aanvraag voor slachtpremie 2009 opnieuw beoordeeld. Bij besluit van 30 september 2011 heeft verweerder de premie alsnog geweigerd op grond van artikel 59, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 en het totaalbedrag van € 13.732,38 op grond van artikel 73 van deze verordening teruggevorderd. Volgens verweerder zijn er afwijkingen geconstateerd bij 191 (van de hiervoor genoemde 335) aangevraagde runderen. Hierdoor heeft appellant de toegekende premie ten onrechte ontvangen.
Op grond van artikel 59 van Verordening (EG) nr. 796/2004 heeft verweerder bij besluit van
28 oktober 2011 appellant bovendien voor €13.179,- uitgesloten van subsidies.

4.

In geschil is of verweerder de bezwaren van appellant tegen deze beide besluiten (de primaire besluiten) terecht ongegrond heeft verklaard.

5.

Appellant is van mening dat verweerder de reeds bij definitief besluit toegekende slachtpremie niet mocht herzien en terugvorderen. Volgens appellant moet niet naar de registratie van de dieren op de individuele locaties en /of UBN’s worden gekeken, maar naar het gehele bedrijf en het totaal van de aanwezige dieren die zowel fysiek als administratief in elk geval op één van de UBN’s waren geregistreerd. Gelet op artikel 73, vierde lid van Verordening (EG) nr. 796/2004 is terugvordering niet mogelijk, nu hier sprake is van een fout van verweerder die appellant niet kon of hoefde te ontdekken. In 2007 heeft ook een bedrijfscontrole plaatsgevonden waarbij dezelfde problematiek speelde. Appellant heeft toen aan de controleurs uitgelegd hoe de vork in de steel zat en dit is blijkbaar geaccepteerd. De controle heeft immers niet geleid tot sancties ter zake van de hem over 2007 en 2008 toegekende slachtpremies. Appellant mocht er daarom van uitgaan dat registratie op één UBN voldoende was voor beide locaties. Appellant heeft na de controle in 2007 al aan verweerder gevraagd hoe de registratie op juiste wijze kon worden uitgevoerd zonder dat dit gevolgen zou hebben voor de slachtpremies. Mede op advies van verweerder heeft hij de dieren op
4 februari 2009, dus binnen de wettelijke periode van 3 werkdagen, per 1 of 2 februari 2009 geregistreerd op de juiste locatie.

6.

Het College overweegt als volgt.

6.1

Het College heeft in zijn uitspraak van 27 augustus 2008 (ECLI:NL: CBB: 2008: BF1064) reeds geoordeeld dat, gegeven het UBN-systeem, de verplaatsing van een rund op de bedrijfslocatie met het ene UBN naar de bedrijfslocatie met het andere UBN dient te worden aangemerkt als een meldingsplichtige verplaatsing in de zin van artikel 10, eerste lid, laatste volzin van Verordening (EG) nr. 2419/2001. Vaststaat dat de in het primaire besluit van
30 september 2011 genoemde 191 aangevraagde dieren niet op de in het I&R-register geregistreerde bedrijfslocatie, maar op de andere bedrijfslocatie werden gehouden. Voor zover appellant heeft betoogd dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij in dit opzicht niet aan de registratievereisten heeft voldaan, volgt het College hem derhalve daarin niet.

6.2

Appellant betwist niet de constatering van verweerder dat hij na de bedrijfscontrole de verplaatsing van de 191 aangevraagde runderen van de locatie UBN 932903 naar de locatie UBN 2370422 alsnog heeft gemeld met ingang van 1 of 2 februari 2009 en dat dit fictieve data zijn waarop de betreffende dieren niet feitelijk zijn verplaatst. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat deze dieren niet zijn geregistreerd overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 in verbinding met de artikelen 19 en 20 van de Regeling identificatie en registratie van dieren. Het feit dat appellant deze melding heeft gedaan om de blokkade van zijn bedrijf te kunnen laten opheffen, kan niet afdoen aan de vaststelling dat deze voorschriften niet zijn nageleefd.

6.3

Ingevolge artikel 117, eerste volzin, van Verordening (EG) nr. 73/2009 komen alleen dieren die geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000 in aanmerking voor slachtpremie. Uit hetgeen in 6.2 is overwogen volgt dan ook dat de aangevraagde 191 dieren niet voor slachtpremie in aanmerking komen. Nu het percentage van deze afwijking meer bedraagt dan 20%, namelijk circa 830 %, was verweerder op grond van artikel 59, tweede lid, tweede volzin, van Verordening (EG) nr. 796/2004 gehouden de slachtpremie alsnog te weigeren.

6.4

Gelet op artikel 68, eerste lid, van deze verordening is dit slechts anders indien appellant feitelijk juiste gegevens zou hebben verstrekt of kan bewijzen dat hem geen schuld treft. Hiervan is naar het oordeel van het College geen sprake. Daartoe wordt als volgt overwogen.


Duidelijk is dat de situatie dat appellant feitelijk juiste gegevens heeft verstrekt hier niet aan de orde is.

Vast staat dat bij een in 2007 uitgevoerde controle voor de slachtpremie op het bedrijf van appellant een soortgelijke overtreding is geconstateerd als hier aan de orde is. Uit een rapportage van de Algemene Inspectiedienst (AID) aan de Dienst Regelingen (DR) van
21 februari 2008 blijkt dat naar aanleiding van deze controle op 18 oktober 2007 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen appellant en twee medewerkers van de AID. Daarin is onder meer gesproken over mogelijk herstel van de bij de controle geconstateerde afwijkingen. Appellant heeft vervolgens op 3 november 2007 een brief geschreven aan de AID, waarin hij aangeeft dat hij naar aanleiding van genoemd gesprek informatie heeft ingewonnen bij het I&R-bureau. Hierover is in de brief het volgende vermeld: “Deze gaven aan dat er wel een afwijking in I&R ontstaat met een evt. korting op slachtpremie etc, als mogelijk gevolg. Hierdoor zouden alle dieren die nu aanwezig zijn uitgesloten worden. Misschien is dit toch niet zo goed advies? Mij is allerminst duidelijk of dit een interpretatie is van wetgeving, bij I&R was dit ook niet duidelijk. Een oplossing voor de geschetste problemen bleef ook uit. Hierdoor is het mij(..) nu helemaal niet meer duidelijk wat er nu van mij wordt verwacht c.q. wettelijk is verplicht.” Uit genoemde rapportage blijkt dat hierna een medewerker van de AID telefonisch contact heeft opgenomen met appellant. Volgens de rapportage heeft hij toen verklaard dat er volgens het I&R-bureau op de dieren waarop een herstelactie heeft plaatsgevonden geen slachtpremie zou worden verstrekt en dat de omissies niet konden worden rechtgezet zonder dat er consequenties aan verbonden werden.

Gelet hierop moet naar het oordeel van het College na de controle in 2007 en de daaruit voortgevloeide contacten van appellant met de A.I.D en het I&R-bureau voor appellant duidelijk zijn geweest dat hij de verplaatsingen van de dieren van de ene bedrijfslocatie naar de andere moet melden overeenkomstig de wettelijke regels en dat herstel van deze overtreding niet mogelijk was zonder gevolgen voor zijn aanspraak op slachtpremie. Uit de gedingstukken blijkt niet dat naar aanleiding van die controle door verweerder aan appellant is meegedeeld dat herstel van de overtreding zonder gevolgen voor zijn aanspraak op slachtpremie mogelijk was door de dieren alsnog te registeren op de juiste locatie met ingang van een fictieve verplaatsingsdatum. Appellant heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke mededeling is gedaan. Appellant had na de bedrijfscontrole in 2007 derhalve maatregelen kunnen en moeten nemen om in de toekomst voor een juiste registratie van de runderen te zorgen en te voorkomen dat hij zou worden geconfronteerd met sancties wegens het niet voldaan aan de op hem rustende registratieplicht. Gegeven de in 2009 geconstateerde overtreding heeft hij dit blijkbaar nagelaten. Naar het oordeel van het College kan onder deze omstandigheden niet worden staande gehouden dat appellant geen schuld treft als bedoeld in artikel 68, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004. Hierbij is nog van belang dat appellant, naar ter zitting is gebleken, verweerder in 2009 niet vooraf heeft geraadpleegd over de gevolgen voor zijn aanspraak op slachtpremie indien hij de verplaatsing van de 191 aangevraagde dieren naar de juiste locatie zou registreren met fictieve ingangsdata. Mede in het licht van de door hem zelf ingewonnen informatie na de controle in 2007 mocht appellant er derhalve niet van uitgaan dat registratie aan de hand van fictieve ingangsdata hem zou vrijwaren van sancties met betrekking tot zijn aanspraak op slachtpremie voor 2009. Gelet op het vorenstaande ziet het College in het feit dat de controle in 2007 niet heeft geleid tot sancties en dat hem ook voor 2008 slachtpremies zonder sancties zijn toegekend, geen grond voor het oordeel dat appellant met succes een beroep kan doen op artikel 68, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004.

7.

Op grond van artikel 73 van Verordening (EG) nr. 796/2004 betaalt de landbouwer in geval van een onverschuldigde betaling het betrokken bedrag, verhoogd met de overeenkomstig lid 3 berekende rente, terug. Ingevolge het vierde lid van dit artikel geldt deze terugbetalingsverplichting niet indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde autoriteit of van een andere autoriteit en indien de fout redelijkerwijs niet door de landbouwer kon worden ontdekt. Deze situatie doet zich naar het oordeel van het College hier niet voor. Gelet op hetgeen in 6.4 is overwogen moet het besluit van 4 mei 2010, waarbij verweerder de definitieve slachtpremie 2009 heeft vastgesteld, worden gezien als een fout van verweerder die door appellant redelijkerwijs had kunnen worden ontdekt. Dit betekent dat verweerder de slachtpremie 2009 terecht heeft teruggevorderd.

8.

Nu het afwijkinspercentage hoger is dan 50 % (zie 6.3) was verweerder gelet op artikel 59, tweede lid, derde volzin, van Verordening (EG) nr 796/2004 gehouden appellant nogmaals van steun uit te sluiten voor het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen het aangegeven aantal dieren en het overeenkomstig het derde lid geconstateerde aantal dieren. Hetgeen appellant heeft aangevoerd kan hieraan niet afdoen.

7.

De conclusie is dat verweerder de bezwaren tegen de primaire besluiten terecht ongegrond heeft verklaard en dat de beide beroepen ongegrond zijn. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. L.C. Bannink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2014.

w.g. S.C. Stuldreher w.g. L.C. Bannink