Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:350

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
AWB 14/476 tot en met 14/479
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Steun in het kader van het schoolfruitprgramma; voorlopige voorzieningen afgewezen

Wetsverwijzingen
Verordening PT schoolfruit 2010, geldigheid: 2014-09-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 14//476 tot en met 14/479

7802

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 september 2014 op de verzoeken om voorlopige voorziening van

Fruit voor School B.V., te Amsterdam,

verzoekster,

(gemachtigde: mr. E. Steyger),

in de zaken tussen verzoekster

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.L.W.M Smeelen).

Procesverloop

Verzoekster is leverancier van gratis schoolfruit in het kader van het op Verordening (EG) 288/2009 (hierna: Verordening) gebaseerde schoolfruitprogramma.

Verzoekster heeft drie aanvragen ingediend om toekenning van steun, als bedoeld in artikel 11 van de Verordening, voor de levering van schoolfruit (in drie periodes van schooljaar 2013/2014).

Bij besluit van 1 juli 2014 (met kenmerk 939) heeft verweerder het reeds uitbetaalde steunbedrag over periode 1 (van € 202.100,49) herzien, en dat bedrag vastgesteld op € 4.839,69. Het correctiebedrag (ter hoogte van € 199.681,14) zal worden verrekend met volgende steunbetalingen.

Bij besluit van 3 juli 2014 (met kenmerk 925) heeft verweerder - in afwijking van de aangevraagde steun ter hoogte van € 212.716,35 - het uit te betalen steunbedrag over periode 2 vastgesteld op € 101.954,24. Bij uitbetaling van deze periode zal rekening worden gehouden met correcties op voorgaande periodes.

Bij besluit van 3 juli 2014 (met kenmerk 931) heeft verweerder - in afwijking van de aangevraagde steun ter hoogte van € 182.328,30 - het uit te betalen steunbedrag over periode 3 vastgesteld op € 102.131,05. Bij uitbetaling van deze periode zal rekening worden gehouden met correcties op voorgaande periodes.

Bij besluit van 10 juli 2014 (met kenmerk 947) heeft verweerder een bedrag van in totaal € 3.150,05 teruggevorderd aan rente over het over periode 1 teveel uitbetaalde bedrag aan steun.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen die besluiten en bij brief van 17 juli 2014 tevens de voorzieningenrechter van het College verzocht voorlopige voorzieningen te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2014.

Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Namens verzoekster zijn tevens verschenen de heren [naam 1] en [naam 2] en mevrouw [naam 3]. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. P. Kooiman, H. Thulen en L.J. Koers.

Overwegingen

1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij het College, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2.1

Verweerder heeft bij het besluit van 1 juli 2014 de reeds uitbetaalde steun over periode 1 herzien, omdat is vastgesteld dat de facturen van die periode voornamelijk zijn betaald na de datum van indiening van de steunaanvraag, hetgeen in strijd is met artikel 10, vierde lid, van de Verordening. Tevens is vastgesteld dat niet alle kosten subsidiabel zijn of de werkelijke kosten bedragen.

Bij de twee besluiten van 3 juli 2014 heeft verweerder de aangevraagde steun over periodes 2 en 3 deels niet toegekend en uitbetaald, omdat niet alle kosten subsidiabel zijn. De wel toegekende steun over deze periodes is bij deze besluiten (grotendeels) verrekend met het correctiebedrag van periode 1.

2.2

Vast staat thans dat verweerder aan de verrekening van de periodes 2 en 3 met periode 1 vooralsnog geen gevolg heeft gegeven, en dat de toegekende (en uit te betalen) steun over deze periodes inmiddels aan verzoekster is uitbetaald. Verweerder heeft voorts het rentebesluit van 10 juli 2014 (met kenmerk 947) ingetrokken.

Verzoekster heeft ter zitting bevestigd haar verzoek, voor zover dat betrekking heeft op het rentebesluit van 10 juli 2014 (met kenmerk 947), niet langer te handhaven, nu dat besluit is ingetrokken. Bovendien heeft verzoekster verklaard - nadat verweerder ter zitting bevestigd heeft dat niet zal worden overgegaan tot terugvordering van het correctiebedrag over periode 1 voordat op het bezwaar is beslist - het verzoek, voor zover dat betrekking heeft op het (herziening- en verrekenings)besluit van 1 juli 2014 (met kenmerk 939), evenmin te handhaven.

2.3

Het resterende verzoek strekt ertoe dat verweerder de over periodes 2 en 3 aangevraagde maar niet toegekende steunbedragen alsnog geheel uitbetaald. Daartoe voert verzoekster - samengevat - aan dat de steunaanvragen over deze periodes ten onrechte deels zijn afgewezen. Verweerder heeft niet eerder de subsidiabiliteit van de betreffende kosten in twijfel getrokken. Door nu plotseling andere maatstaven te hanteren, handelt verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel. Verzoekster heeft gehandeld naar instructies die door verweerder zijn gegeven, en die blijken nu volgens verweerder niet te voldoen aan artikel 5 van de Verordening. Daarnaast ontbreekt een motivering van de correcties op de aangevraagde steun, en zijn de besluiten onzorgvuldig tot stand gekomen. Uit de bijlagen bij deze besluiten blijkt niet waarom er wordt gekort en volgen bovendien inconsistenties. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd dat de gevraagde steun (deels) niet voor toekenning in aanmerking komt, terwijl voor verzoekster de financiële consequenties groot zijn. Zij is voor een gezonde bedrijfsvoering afhankelijk van de steun. Door de besluiten, over periodes 2 en 3, is een substantieel bedrag aan gevraagde steun niet uitbetaald, terwijl daarvoor wel schulden zijn aangegaan. Daardoor dreigt verzoekster op korte termijn niet meer aan haar financiële verplichtingen te kunnen voldoen.

3

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

De voorzieningenrechter stelt vast dat over periodes 2 en 3 een bedrag aan steun van ongeveer € 199.000,- niet wordt toegekend en uitbetaald, omdat bepaalde kosten niet subsidiabel zijn. Gelet op de (bijlagen bij die) beide besluiten van 3 juli 2014 acht de voorzieningenrechter niet onvoorstelbaar dat een deel van de kosten ten onrechte niet als subsidiabel is aangemerkt. Voor de beoordeling van deze kosten is echter de bezwaarprocedure de geëigende procedure, waarin bijstand kan worden verleend door de accountants van partijen. Ter zitting is in dat verband duidelijk geworden dat de hoorzitting staat gepland op 22 september, en dat tijdens de hoorzitting over de subsidiabiliteit, en tevens het vertrouwensbeginsel, zal (kunnen) worden gesproken. Van een dringend financieel belang om al op zeer korte termijn over (een deel van) de niet uitbetaalde steun te kunnen beschikken is onvoldoende gebleken. Ter zitting heeft verzoekster nader toegelicht dat weliswaar schulden zijn aangegaan en nog bestaan, maar dat daaraan op dit moment geen verplichtingen verbonden zijn deze voor een bepaalde datum te voldoen. Bovendien heeft verweerder niet ten onrechte gewezen op het restitutierisico in verband met het vooralsnog opgeschorte besluit van 1 juli 2014.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht, en dat een voorziening als hier gevraagd moet worden getroffen. Het verzoek, voor zover gehandhaafd, wordt daarom afgewezen.

4.

Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Eggeraat, in aanwezigheid van mr. P.H. Broier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. P.H. Broier

Afschrift verzonden aan partijen op: