Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:35

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-01-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
AWB 13/171
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

accountantstuchtrecht

Wetsverwijzingen
Wet tuchtrechtspraak accountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 13/171 30 januari 2014

20150

Uitspraak op het hoger beroep van:

[naam] , te [woonplaats], appellant van een uitspraak van de accountantskamer van 25 februari 2013, met nummer 12/937 WTRA AK.

1 Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 15 maart 2013, bij het College binnengekomen op 19 maart 2013, hoger beroep ingesteld tegen de bovenvermelde uitspraak van de accountantskamer, gegeven op een klacht, op 23 mei 2012 door de voorzitter van het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIVRA), thans de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (Nba), (hierna: klager) ingediend tegen appellant.



De accountantskamer heeft bij brief van 8 april 2013 de stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 8 mei 2013 heeft klager een reactie op het beroepschrift ingediend.

Op 23 januari 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is daar niet verschenen. Klager is vertegenwoordigd door mr. A. Sukkel.

2 De uitspraak van de accountantskamer

Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht gegrond verklaard en aan appellant de maatregel van doorhaling van de inschrijving in de registers, bedoeld in artikel 1, onder i, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (hierna: Wtra), opgelegd. Daarbij heeft de accountantskamer de termijn, waarbinnen appellant niet opnieuw in de registers kan worden ingeschreven, bepaald op 10 (tien) jaren.

Ter zake van de formulering van de klacht door de accountantskamer, de beoordeling van die klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2013:YH0352), die als hier ingelast wordt beschouwd.

3 De beoordeling van het hoger beroep

3.1

Appellant stelt zich – samengevat – op het standpunt dat – anders dan in de bestreden uitspraak is overwogen – hij niet behoorlijk is opgeroepen om ter zitting van de accountantskamer te verschijnen. Hij heeft de oproeping niet ontvangen, omdat de post naar een verkeerd adres is gezonden. Hij heeft hierdoor geen verweer kunnen voeren, aldus appellant.

3.2

Op grond van de stukken in het dossier stelt het College vast dat de oproeping tevens per
e-mail aan appellant is verzonden en dat appellant vóór de zitting per e-mail gereageerd heeft op die per e-mail verzonden oproeping. Gelet hierop volgt het College appellant niet in zijn standpunt, dat hij niet op de hoogte was van de zitting.

Daarnaast is appellant in hoger beroep bij het College in de gelegenheid geweest alsnog datgene aan te voeren, dat hij als verweer had willen aanvoeren. Bij brief van 22 maart 2013 is hij daartoe (expliciet) in de gelegenheid gesteld. Van die gelegenheid heeft appellant in hoger beroep geen gebruik gemaakt.

3.3

Het hoger beroep is ongegrond.

3.4

Na te melden beslissing op het hoger beroep berust op artikel 43, eerste lid, Wtra en artikel 39 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

4 De beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. M. Munsterman en mr. P.M. van der Zanden in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2014

w.g. W.E. Doolaard w.g. P.H. Broier