Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:336

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
AWB 13/404
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Speur- en ontwikkelingswerk, RDA-beschikking, kosten van registratie voor medicijnen

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001, geldigheid: 2014-09-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/404

27660

Uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juli 2014 in de zaak tussen

Intervet International B.V., te Boxmeer, appellante

(gemachtigde: drs. M.M. van Roosmalen en drs. M.C.J. Mertens),

en

de Minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Cromheeke).

Procesverloop

Bij besluit van 31 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan appellante op grond van artikel 2 van het Besluit van 21 december 2011, houdende regels voor de aanvullende aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk (Besluit RDA, Stb. 2011, 657) een RDA-beschikking voor de periode januari tot en met december 2012 afgegeven, waarbij, onder meer, ten aanzien van de kosten en uitgaven voor een aantal farmaceutische aangevraagde projecten is besloten dat deze niet in aanmerking komen voor Research en Delevopment Aftrek (RDA).

Bij besluit van 22 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, maar de afwijzing voor zover het betreft de kosten van registratie voor medicijnen gehandhaafd.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2014.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Verweerder was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Aan de zijde van verweerder is voorts verschenen ing. Y. Zwols.

Overwegingen

1.

Bij besluit van 21 december 2012 heeft verweerder aan appellante op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 1995 (Wva) een verklaring afgegeven voor het verrichten van speur- en ontwikkelingswerk (S&O) voor het jaar 2012, waarbij tevens afwijzend is beslist op een deel van de door appellante aangevraagde projecten (15 farma-projecten).

Bij besluit van 10 april 2013 heeft verweerder op het hiertegen gerichte bezwaar van appellante alsnog voor een deel van de 15 farma-projecten S&O-uren toegekend. Verweerder heeft daarbij ten aanzien van een tweetal projecten (P02 en P11) het volgende vermeld: “Het S&O-traject eindigt voor de Wva op het moment dat het werkingsprincipe is aangetoond. Bij de ontwikkeling van nieuwe medicijnen ligt dit bij het indienen van het registratiedossier (ergens ter wereld ongeacht de medische indicatie)”. Appellante heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

Appellante heeft voor de hiervoor genoemde 15 farma-projecten en de hiervoor genoemde periode tevens een aanvraag ingediend voor een aanvullende aftrek voor kosten op grond van het Besluit RDA. Bij besluit van 31 december 2012, het primaire besluit, heeft verweerder een RDA-beschikking afgegeven, waarbij de kosten van registratie voor medicijnen niet in aanmerking zijn gebracht voor RDA.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit, voor zover hier van belang, het volgende ten grondslag gelegd: “Het S&O-traject eindigt op het moment dat het technische werkingsprincipe is aangetoond. In dit geval is dit aangetoond als u besluit dat het in technisch opzicht werkt en u het ter registratie indient. Aangezien de door u opgevoerde registratiekosten, voor wat betreft de WBSO, gemaakt worden nadat het technisch werkingsprincipe van het te registreren medicijn is aangetoond, eindigt voor u het traject van speur- en ontwikkelingswerk in de zin van de Wva. Ik volg hierin een bestendige beoordelingslijn. Daarmee wordt niet meer voldaan aan artikel 1, letter d, onder 2, van het Besluit RDA.”

2.

Op grond van artikel 3.52a, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 komt een belastingplichtige bij het bepalen van de winst in aanmerking voor een aanvullende aftrek wegens kosten of uitgaven die direct toerekenbaar zijn aan door de belastingplichtige verricht speur- en ontwikkelingswerk, met uitzondering van loonkosten, zoals vastgesteld in een door verweerder ten name van de belastingplichtige afgegeven beschikking (RDA-beschikking).

Onder kosten wordt op grond van artikel 1, onderdeel d, Besluit RDA verstaan al hetgeen is betaald voor de realisatie van eigen speur- en ontwikkelingswerk en voor zover deze betalingen
1°. niet eerder in aanmerking zijn genomen voor een RDA-beschikking;
2°. uitsluitend dienstbaar zijn aan het uitvoeren van speur- en ontwikkelingswerk;
3°. drukken op de belastingplichtige; en
4°. geen uitgaven zijn als bedoeld in onderdeel e.

3.

Appellante huldigt het standpunt dat het S&O-ontwikkelingstraject pas eindigt nadat de eerste registratie voor het medicijn is verkregen. Volgens appellante heeft ook verweerder dit standpunt expliciet ingenomen en bevestigd in eerdere besluiten tot afgeven van een S&O-verklaring voor de jaren 2011 en 2012 en ook per brief en per e-mail. Volgens appellante is het standpunt van verweerder dat het S&O-traject eindigt op het moment dat een medicijn ter registratie wordt aangeboden bij een autoriteit omdat op dat moment voor de indiener het werkingsprincipe zou zijn aangetoond onjuist. Doel van het registratieproces is het aantonen van het werkingsprincipe. Ook worden er medicijnen aangeboden ter registratie terwijl het onderzoek continueert en kunnen in een registratieprocedure onderdelen van het registratiedossier worden ingediend. Appellante is van mening dat de kosten die onderwerp zijn van discussie tussen partijen uitsluitend dienstbaar zijn aan het uitvoeren van haar speur- en ontwikkelingswerk nu de kosten worden gemaakt voor een wetenschappelijke beoordeling van het te registreren medicijn en de registratieprocedure het sluitstuk is van het onderzoekstraject.

5.

Verweerder stelt voorop dat de discussie die appellante in dit geding wil voeren de vraag betreft of werkzaamheden met betrekking tot de (eerste) registratie van medicijnen als speur- en ontwikkelingswerk aangemerkt moet worden. Volgens verweerder dient die discussie te worden gevoerd in het kader van de beoordeling van de S&O-verklaring, niet in het RDA-traject, en zou het beroep dus niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Verweerder heeft voorts zijn standpunt bepleit dat de werkzaamheden met betrekking tot registratie van medicijnen in beginsel geen speur- en ontwikkelingswerk zijn.

6.

Het beroep van appellante is ontvankelijk. Het beroep van appellante voldoet aan de formele ontvankelijkheidsvereisten. Appellante heeft voorts procesbelang, nu zij beroep heeft ingesteld tegen het besluit waarbij verweerder zijn beslissing heeft gehandhaafd dat kosten van registratie voor medicijnen niet in aanmerking komen voor RDA. Gesteld noch gebleken is dat appellante geen belang heeft bij het gelijk in deze procedure.

7.1

Ter beoordeling staat of de beslissing van verweerder dat de kosten van registratie voor medicijnen inzake de farma-projecten, waarvoor voor het jaar 2012 een S&O-verklaring is afgegeven, niet in niet aanmerking worden gebracht voor RDA heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden. Het College overweegt dienaangaande als volgt.

7.2

Het College stelt vast dat appellante de in haar RDA-aanvraag opgegeven kosten van registratie voor medicijnen voor de 15 farma-projecten heeft gerapporteerd onder project P11. In de beslissing op bezwaar van 10 april 2013 in het S&O-traject waarbij het (deel)project P11 alsnog is toegekend, heeft verweerder bij dit project aangegeven dat het S&O-traject eindigt op het moment dat het werkingsprincipe is aangetoond en dat dit punt bij de ontwikkeling van nieuwe medicijnen ligt bij het indienen van het registratiedossier. Dit betekent dat, nu appellante hiertegen geen beroep heeft ingesteld, van de juistheid van die vaststelling moet worden uitgegaan. Het voorgaande betekent dat in het kader van de beoordeling van het onderhavige beroep tegen de handhaving van de afwijzende beslissing inzake appellante’s RDA-aanvragen niet meer ter discussie kan staan of terecht is besloten dat de registratieprocedure niet deel uitmaakt van de hiervoor genoemde farma-projecten waarvoor verweerder voor het jaar 2012 een S&O-verklaring heeft afgegeven. Dit leidt tot de conclusie dat de kosten van registratie voor deze medicijnen voor deze projecten hier geen kosten zijn die kunnen worden aangemerkt als uitsluitend dienstbaar aan het uitvoeren van speur- en ontwikkelingswerk als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel d, Besluit RDA.

De beroepsgrond van appellante dat het S&O-traject in de hiervoor vermelde projecten eindigt op het moment dat een eerste registratie is verkregen, faalt dus.

7.3

Appellante heeft aangevoerd dat, anders dan verweerder heeft betoogd, geen sprake is van een bestendige gedragslijn van verweerder inhoudende dat het S&O-traject eindigt op het moment dat het medicijn ter registratie wordt aangeboden en hiertoe verwezen naar eerder besluiten tot afgifte van een S&O-verklaring en een email van 24 mei 2013. Het College is van oordeel dat dit betoog – daargelaten of de gedragslijn van verweerder waarop appellante doelt nu wel of niet bestendig is – in een geval als het onderhavige reeds niet kan slagen omdat, naar uit het vorenoverwogene blijkt, kortweg, de, in de ogen van appellante te beperkte, omvang van het S&O-traject hier in het kader van het RDA-traject, dat in dit geschil aan de orde is, als een gegeven moet worden beschouwd. Gesteld noch gebleken is dat in de gevallen waar appellante op doelt sprake was van een situatie waarin bij de beslissing op de RDA-aanvragen getreden werd buiten de grenzen die in de S&O-verklaring waren aangegeven.

8.

Het beroep is ongegrond.

9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. B. Verwayen en mr. T.P.J.N. van Rijn, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2014.

w.g. R.R. Winter w.g. A. Graefe