Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:335

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
AWB 13/269
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Besluit RDA. Uitgaven voor bedrijfsmiddel. Dienstbaar aan eigen speur- en ontwikkelingswerk. Verplichting tot het afsluiten van buitengebruik gestelde zoutcaverne

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001, geldigheid: 2014-09-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
MR. E. THOMAS annotatie in NTFR 2014/2305

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/269

27660

Uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juli 2014 in het geding tussen

Frisia Zout B.V., te Harlingen, appellante

(gemachtigde: mr. M.R. Broekema, werkzaam bij PNO Consultants B.V.),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Cromheecke, werkzaam bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de RDA-aanvraag van appellante op grond van artikel 2 van het Besluit van 21 december 2011, houdende regels voor de aanvullende aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk (Besluit RDA, Stb. 2011, 657) voor het project PR 2012-04 met de titel “Ontwikkelen nieuwe (afgeleide) boorprocessen (BAS3 original)” afgewezen.

Bij besluit van 5 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2014. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan de zijde van appellante is tevens verschenen [naam], werkzaam bij appellante. Aan de zijde van verweerder is tevens verschenen ing. J. Broekhuis, werkzaam bij de RVO en H. Lansink, werkzaam als inspecteur bij het Staatstoezicht op de Mijnen. Overwegingen

1.

Appellante voert een bedrijf dat zich bezig houdt met zoutwinning. Verweerder heeft aan appellante bij besluit van 23 april 2012 op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 1995 (WVA) een verklaring voor het verrichten van speur- en ontwikkelingswerk (S&O-verklaring) afgegeven voor het project PR-2012-04 met de titel “Ontwikkelen nieuwe (afgeleide) boorprocessen (BAS3 original). Appellante is binnen dit project van plan om van vanuit een bestaande, niet meer actieve, zoutcaverne en een bestaand boorgat een afgeleide boring (side track) te verrichten en op deze manier een nieuwe caverne aan te boren. Het project ziet op de ontwikkeling van technisch nieuw fysiek boorproces en technisch nieuwe installatiecomponenten.

Op 9 augustus 2012 heeft appellante met terugwerkende kracht voor dit project een RDA-aanvraag ingediend voor het plaatsten van een afsluiter in de (bestaande) caverne BAS3. Bij het primaire besluit heeft verweerder afwijzend beslist op de uitgaven voor het plaatsen van de afsluiter op de grond de afsluiter niet noodzakelijk is voor de ontwikkeling van een nieuwe boortechniek.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe het volgende overwogen:

“De oude BAS3 caverne is blijkens de toelichting die is gegeven tijdens de hoorzitting op 27 februari 2012 niet meer exploiteerbaar door een fout die destijds gemaakt is bij het aanboren. In tegenstelling tot andere cavernes is exploitatie niet meer mogelijk. Dat is ook de reden waarom Frisia Zout BAS3 Original wil aanleggen, omdat binnen de eisen van de vergunning verdere zoutwinning in hetzelfde gebied nog wel mogelijk is. BAS3 Original komt op de plaats die oorspronkelijk bedoeld was voor BAS3.

Bij het (definitief) buitengebruikstellen van een caverne dient ingevolge de Mijnbouwwet een plan ingediend te worden. In het Mijnbouwbesluit zijn nadere regels opgenomen voor het afsluiten van putten en boorgaten. Een buiten gebruik gestelde caverne dient te worden afgesloten. Tijdens de hoorzitting hebt u aangegeven dat, wanneer er geen sprake zou zijn geweest van plannen voor BAS3 Original, er voor een andere, minder gecompliceerde en goedkopere afsluiting zou zijn gekozen. Dit geeft mij geen reden om mijn beslissing te herzien. De caverne BAS3 dient te worden afgesloten, ongeacht de plannen voor BAS3 Original. Dat er in verband met BAS3 Original gekozen is voor een bepaalde manier van afsluiten maakt dit niet anders. De afsluiting is niet dienstbaar aan het S&O met betrekking tot het ontwikkelen van nieuwe (afgeleide) boorprocessen. Voor het ontwikkelen van een eventueel technisch nieuwe manier van afsluiten van een caverne is door u geen aanvraag gedaan.”

3.

Appellante is het niet eens met het standpunt van verweerder dat de ondergrondse afsluiting van de caverne toch al noodzakelijk is, waardoor de afsluiting niet dienstbaar zou zijn aan het eigen speur- en ontwikkelingswerk als bedoeld in artikel 1 van het Besluit RDA. Appellante voert aan dat zij eerdere uitgeputte cavernes bovengronds heeft afgesloten. Deze bovengrondse afsluiting zal – normaal gesproken – op termijn gevolgd worden door het volledig verlaten van de caverne en boorschacht met een afsluitend mechanisme, veelal het vullen met cement vanaf de bodem van de caverne tot aan het maaiveld. Daarmee zal het gehele boorgat definitief onbruikbaar worden voor verder gebruik. In dit geval is de (tijdelijke) bovengronds afsluiting en het vervolgens volledig volstorten van boorschacht geen optie, omdat de boorschacht vrij en volledig beschikbaar moet zijn en blijven voor (het ontwikkelen van) een afgeleide boring. Volgens appelante is dit nieuwe systeem van afsluiten (op deze manier en op dit moment) waarop de RDA-aanvraag betrekking heeft, derhalve alleen ten behoeve van en daarmee dienstbaar aan (de ontwikkeling van) een afgeleide boring vanuit een bestaande schacht. Het diep ondergronds afsluiten van de bestaande caverne is fundamenteel onderdeel van het ontwikkelen van de in de aanvraag genoemde nieuwe (afgeleide) boorprocestechniek. De wijze van afsluiten is daarmee direct dienstbaar aan het S&O-werk, aldus appellante.

4.

In artikel 3.52a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat bij het bepalen van de winst aanvullend in aftrek komt een bedrag wegens kosten of uitgaven die direct toerekenbaar zijn aan door de belastingplichtige verricht speur- en ontwikkelingswerk, met uitzondering van loonkosten, een en ander zoals vastgesteld in een door de Minister van Economische Zaken ten name van de belastingplichtige afgegeven beschikking (RDA-beschikking).

In artikel 1, aanhef onder e, van het Besluit RDA is bepaald dat onder uitgaven wordt verstaan al hetgeen is betaald voor de verwerving van nieuw vervaardigde bedrijfsmiddelen voor zover deze betalingen drukken op de belastingplichtige en deze bedrijfsmiddelen: 1°. niet eerder zijn gebruikt en 2°. dienstbaar zijn aan eigen speur- en ontwikkelingswerk. In artikel 1, aanhef onder f, van het Besluit RDA is bepaald dat onder bedrijfsmiddel wordt verstaan een goed dat voor het drijven van een onderneming wordt gebruikt.

In artikel 8, tweede lid, van het Besluit RDA is bepaald dat uitgaven niet eerder in aanmerking worden genomen dan in het kalenderjaar waarin het bedrijfsmiddel waarop zij betrekking hebben in gebruik is genomen.

5.

Het College stelt voorop dat appellante een RDA-aanvraag heeft ingediend voor de periode januari tot en met december voor het jaar 2012 welke aanvraag ziet op het doen van een uitgave, inhoudende het plaatsen van een ‘afsluiter’ in de caverne BAS3 van appellante. De afsluiter is, zoals blijkt uit het bestreden besluit, door verweerder ook opgevat als een uitgave als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit RDA hetgeen verweerder ter zitting heeft bevestigd. Het College zal bij de beoordeling van geschil over de kosten van het plaatsen van een afsluiter in caverne BAS3 dan ook uitgaan van een uitgave als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit RDA.

6.

Ter beoordeling van het College staat de vraag of verweerder terecht de RDA-aanvraag voor het project “Ontwikkelen nieuwe (afgeleide) boorprocessen (BAS3 original)” heeft afgewezen. Vast staat dat verweerder een S&O-verklaring heeft afgegeven voor het ontwikkelen van een nieuw (afgeleid) boorproces vanuit een bestaande caverne. Tussen partijen is niet in geschil dat het zonder het plaatsten van de ondergrondse afsluiter in de bestaande caverne BAS3 technisch niet mogelijk is om vanuit de bestaande, niet meer in gebruik zijnde, caverne BAS3 het in de S&O-verklaring bedoelde afgeleide boorproces te ontwikkelen.

Partijen verschillen van mening over de vraag of het plaatsen van de afsluiter in caverne BAS3 dienstbaar is aan het speur- en ontwikkelingswerk als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit RDA. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat het plaatsten van de ondergrondse afsluiter in dit geval niet dienstbaar is aan de door appellante uit te voeren S&O-werkzaamheden omdat appellante reeds op grond van de Mijnbouwregeling verplicht is om een buiten gebruik gestelde caverne af te sluiten op de plek en wijze waarvoor appellante RDA heeft aangevraagd.

Ter zitting is gebleken dat door het Staatstoezicht op de Mijnen een genuanceerde invulling wordt gegeven aan de in de Mijnbouwregeling opgenomen verplichting om cavernes die buiten gebruik worden gesteld af te sluiten. Ter zitting is door de inspecteur van het Staatstoezicht op de Mijnen toegelicht dat in bepaalde gevallen een tijdelijke bovengrondse afsluiting van een caverne (zogenaamde ‘Christmas tree’) wordt toegestaan en dat er op een later moment wordt bepaald dat de buiten gebruik gestelde caverne definitief – van onderaf – moet worden afgesloten. Appellante heeft betoogd dat het in de praktijk zo is dat die beslissing van het Staatstoezicht pas enkele jaren later wordt genomen en dat dit ten aanzien van andere cavernen van haar ook het geval is geweest. Verweerder heeft dit niet weersproken. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat niet is gebleken dat op appellante concreet de verplichting rustte om caverne BAS3 na het buiten gebruik stellen onverwijld van onderaf af te sluiten.

Gelet op het voorgaande is het College voorts van oordeel dat de redenering van verweerder, inhoudende dat de omstandigheid dat appellante op grond van de Mijnbouwregeling (in beginsel) verplicht is om een buiten gebruik gestelde caverne af te sluiten, er op zich zelf niet aan in de weg hoeft te staan dat de afsluiter dienstbaar is aan eigen speur- en ontwikkelingswerk van appellante als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit RDA. Tussen de ondergrondse afsluiting van de caverne en het speur- en ontwikkelingswerk van appellante bestaat, naar op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende aannemelijk is geworden, een direct oorzakelijk verband in die zin dat het speur- en ontwikkelingswerk niet mogelijk is zonder het plaatsen van de afsluiter. Verweerder heeft ter zitting beaamd dat de afsluiter, de verplichting op grond van de Mijnbouwregeling weggedacht, dienstbaar is als in artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit RDA bedoeld.

Het vorenoverwogene leidt het College tot conclusie dat het bestreden besluit niet op een deugdelijk motivering berust, zodat het in strijd komt met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarom niet in stand kan blijven.

7.

Het beroep is derhalve gegrond en het College zal het bestreden besluit vernietigen. Het College ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in stand te laten, omdat ter zitting is vast komen te staan dat het bedrijfsmiddel niet conform het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van het Besluit RDA, in 2012 in gebruik is genomen. De cementplug ter realisering van de ondergrondse afsluiting van BAS3 is, naar appellante ter zitting heeft verklaard, pas eind 2013 /begin 2014 geplaatst.

8.

Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. B. Verwayen en mr. T.P.J.N. van Rijn, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2014.

w.g. R.R. Winter w.g. A. Graefe