Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:325

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
AWB 14/62
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

taxivergunning Wp 2000 - limousinevervoer

Wetsverwijzingen
Wet personenvervoer 2000, geldigheid: 2014-09-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/62

14913

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2014 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], appellant

(gemachtigde: mr. A.J. Sol)

en

de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder.

(gemachtigde: mr. K. Ulmer).

Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2013, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 11 december 2013 (bestreden besluit), heeft verweerder aan appellant de last opgelegd zich te onthouden van overtreding van artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000

(Wp 2000), bij gebreke waarvan appellant een dwangsom verbeurt van € 10.000,- per geconstateerde overtreding totdat een maximum van € 100.000,- zal zijn bereikt.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Op grond van de Wp 2000, zoals die wet luidde ten tijde van het bestreden besluit, geldt het volgende. Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de Wp 2000 is het verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe door de Minister van Verkeer en Waterstaat, thans de Minister van Infrastructuur en Milieu, verleende vergunning (taxivergunning). Onder taxivervoer wordt op grond van artikel 1, aanhef en onder j, van de Wp 2000 verstaan: personenvervoer per auto, anders dan openbaar vervoer, tegen betaling. Onder een auto wordt op grond van artikel 1, aanhef en onder f, voor zover thans van belang, verstaan: een personenauto, ingericht voor het vervoer van ten hoogste acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wp 2000, in samenhang met artikel 2, aanhef en onder f, van het Besluit personenvervoer 2000 (Bp 2000) is de Wp 2000 niet van toepassing op vervoer met auto’s of bussen voor de uitvoering van trouwerijen of uitvaarten met inbegrip van het afhalen en terugbrengen van de deelnemers. De Nota van Toelichting bij Bp 2000 (Stb. 2000, 563) vermeldt ter toelichting op dit artikel het volgende: “ In artikel 2 wordt uitvoering gegeven aan de mogelijkheid in artikel 2, tweede lid, van de wet om bepaalde vormen van beroepspersonenvervoer uit te sluiten van de werking van de wet. (…) Voor het rouw- en trouwvervoer zowel per auto als per bus geldt dat het gaat om een beperkt aantal gespecialiseerde bedrijven die dit vervoer in een aantal gevallen uitvoeren in combinatie met niet uit vervoer bestaande voorzieningen, terwijl sprake is van een markt van beperkte omvang.”

2.

Het College gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de volgende feiten.

Appellant exploiteert onder de naam “[onderneming]” een limousineverhuurbedrijf. Tegen appellant is proces-verbaal opgemaakt door twee surveillanten van politie van de Politie Amsterdam-Amstelland. Deze hebben op 30 mei 2013, tijdens een controle op de juiste naleving van onder meer de bij of krachtens de

Wp 2000 gestelde regels en voorschriften, geconstateerd dat appellant met een tot zijn wagenpark behorende limousine met acht zitplaatsen, tegen betaling veertien personen vervoerde, ter gelegenheid van een verjaardagsfeest. Appellant beschikte toen niet over een taxivergunning. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder het besluit van 20 augustus 2013 genomen. Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant heeft gehandeld in strijd met het verbod om zonder daartoe verleende vergunning taxivervoer te verrichten en dat een herhaling van de inbreuk door appellant op dit verbod moet worden voorkomen.

3.1

Appellant heeft aangevoerd dat hij geen taxivervoer verricht of heeft verricht. Zijn bedrijf verhuurt limousines op basis van een van tevoren opgemaakte huurovereenkomst. Desgewenst treedt hij kosteloos op als chauffeur. Dat heeft niets met taxivervoer te maken. Anders dan bij taxivervoer is bij limousineverhuur degene met wie de overeenkomst wordt gesloten niet altijd degene die wordt vervoerd. Een limousine kan bovendien vanwege zijn luxe uitstraling niet worden aangemerkt als taxi. Een reis per limousine is, anders dan per taxi, een belevenis op zich. Appellant heeft voor zijn limousine belasting van personenauto ’s en motorrijwielen (BPM) betaald. Dat zou hij niet hoeven te doen en hebben gedaan als hij de limousine zou inzetten voor taxivervoer.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het op 30 mei 2013 door appellant verrichte vervoer volledig voldoet aan de definitie taxivervoer waarvoor een vergunning is vereist. Het gaat om de feitelijke situatie.

3.3

Het College overweegt als volgt. Appellant vervoerde op 30 mei 2013 met een limousine met acht zitplaatsen voor passagiers, een auto in de zin van artikel 1, aanhef en onder f, van de Wp 2000, meerdere personen tegen betaling. Deze situatie voldoet aan de definitie van taxivervoer in artikel 1, aanhef en onder j, van de Wp 2000. De omstandigheid dat appellant met een klant een overeenkomst tot verhuur van de limousine afsluit en geen overeenkomst tot vervoer van personen doet hier niet aan af. De vraag of sprake is van taxivervoer dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Indien appellant de bestuurder is van een door hem verhuurde auto met passagiers, zoals op 30 mei 2013 het geval was, verricht hij taxivervoer. Indien appellant een auto verhuurt en niet optreedt als bestuurder van die auto verricht hij met die auto geen taxivervoer. De stelling dat van taxivervoer geen sprake is omdat een limousine een andere uitstraling heeft dan een gewone taxi slaagt niet, omdat de definitie van het begrip auto in artikel 1, aanhef en onder f, van de Wp 2000 een dergelijk onderscheid niet maakt. Hetzelfde geldt met betrekking tot het al dan niet betalen van BPM.

4.1

Appellant heeft voorts aangevoerd dat de evenementen in het kader waarvan hij met een limousine personen vervoert, als bijvoorbeeld het tekenen van een samenlevingscontract bij een notaris of een galafeest, vergelijkbaar zijn aan trouwerijen. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder f, van het Bp 2000 is geen taxivergunning vereist voor vervoer met auto’s voor de uitvoering van trouwerijen. Deze bepaling is volgens appellant verouderd en moet ruim worden uitgelegd. Het bedrijf van appellant voldoet volledig aan wat is vermeld in de toelichting op artikel 2, aanhef en onder f, van het Bp 2000. Het is een gespecialiseerd bedrijf dat ook arrangementen aanbiedt en er is sprake van een markt van beperkte omvang. Gelet hierop is voormelde bepaling uit het Bp 2000 op zijn bedrijfsactiviteiten van toepassing en heeft hij geen taxivergunning nodig.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de regelgeving stringent is en geen ruimte biedt voor de door appellant bepleite uitzondering. Het door appellant op 30 mei 2013 verrichte personenvervoer vond niet plaats in het kader van een trouwerij. Hij had toen moeten beschikken over een taxivergunning.

4.3

De beroepsgrond dat het begrip ‘trouwerijen’ in artikel 2, aanhef en onder f, van het Bp 2000 extensief moet worden uitgelegd in die zin dat andere - vreugdevolle - evenementen daarmee worden gelijkgesteld, zodat appellant in die gevallen geen taxivergunning nodig heeft voor personenvervoer tegen betaling per limousine, slaagt niet. Artikel 2, aanhef en onder f, van het Bp 2000 noemt uitsluitend vervoer voor trouwerijen en uitvaarten als vervoer waarop de Wp 2000 niet van toepassing is. Al omdat het een uitzonderingsbepaling is moet deze restrictief worden uitgelegd. De tekst van de bepaling biedt geen ruimte voor de door appellant bepleite ruimere uitleg. Uit de toelichting blijkt bovendien niet dat de bepaling ziet op iets anders dan trouwerijen en uitvaarten. Ten slotte staat vast dat appellant tijdens de politiecontrole op 30 mei 2013 geen trouwvervoer verrichte.

5.

Uit het voorgaande volgt dat appellant op 30 mei 2013 het in artikel 76, eerste lid, van de Wp 2000 neergelegde verbod om taxivervoer te verrichten zonder daartoe verleende vergunning heeft overtreden. Verweerder was bevoegd om de in geding zijnde last onder dwangsom op te leggen om herhaling van deze overtreding te voorkomen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, is het College niet gebleken.

6.

Gezien het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Dijt, in aanwezigheid van mr. J.W.E. Pinckaers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2014.

w.g. E. Dijt w.g. J.W.E. Pinckaers