Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:314

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
02-09-2014
Zaaknummer
AWB 14/387
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

contra-analyse, verboden stof in urinemonsters, verzoek toegewezen in verband met contra-analyse

Wetsverwijzingen
Wet dieren, geldigheid: 2014-09-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/387

11351

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 september 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [plaats 1], verzoekster

(gemachtigden: mr. J.J.J. de Rooij en mr. Th. J.H.M. Linssen),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. drs. P.J. Kooiman en mr. J.E.W. Tieleman).

Procesverloop

Op 19 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder onder meer besloten tot het uit de handel nemen en vernietigen van alle runderen van verzoekster op de stallijst van 5 juni 2014, tenzij verzoekster ervoor kiest van al deze runderen op haar kosten vlees- en orgaanmonsters te laten onderzoeken. Voorts heeft verweerder gewezen op de mogelijkheid van een contra-analyse.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 26 juni 2014 heeft verweerder zich bereid verklaard om het vernietigen van de dieren uit te stellen tot na het moment waarop de resultaten van de contra-analyse bekend zijn.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2014. Voor verzoekster zijn Linssen, [naam 2] en [naam 3] verschenen. Voor verweerder is Kooiman verschenen, bijgestaan door ing. F.J.H. Nillisen en R.M.C. Theelen, beide werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). In afwachting van de resultaten van de contra-analyse is de behandeling, met instemming van partijen, aangehouden tot 26 augustus 2014 en het primaire besluit deels geschorst.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 26 augustus 2014. Voor verzoekster zijn De Rooij , mr. P. Botman en [naam 4] verschenen. Voor verweerder is Tieleman verschenen, bijgestaan door drs. A.M. Sparnaaij en E.A.J. van der Made.

Overwegingen

1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij het College bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2.1

Furazolidon is op grond van Bijlage 1 Groep A onder 6 van de Richtlijn 96/23/EG in samenhang met de Verordening EU nr. 37/2010 een niet-toegestane stof of product. Op het bedrijf van verzoekster zijn op 6 juni 2014 urinemonsters genomen van 21 runderen in verband met het ernstige vermoeden dat runderen in het bedrijf van verzoekster furazolidon opgenomen zouden hebben. In 10 urinemonsters is de AOZ (markermetaboliet van furazolidon) aangetroffen door het laboratorium RIKILT. Daarnaast is op 10 juni 2014 van één rund dat op het bedrijf van verzoekster is gestorven, monsters genomen van hart en lever. In deze orgaanweefselmonsters is door het laboratorium RIKILT de stof AOZ aangetoond. Omdat in elf van de 22 bemonsterde runderen de AOZ is aangetoond, heeft verweerder het primaire besluit van 19 juni 2014 genomen. Indien de helft of meer dan de helft van de van een representatief percentage dieren genomen monsters positief is, heeft de veehouder op grond van artikel 23, derde lid van de Richtlijn 96/23/EG de keuze tussen een controle op alle dieren van het bedrijf die mogelijk verdacht zijn of het laten doden van de betrokken dieren.

2.2

Verzoekster heeft afgezien van de controle van zijn hele veestapel, maar heeft wel verzocht om een contra-analyse van de genomen monsters. Deze contra-analyse is uitgevoerd door [naam 5] B.V. te [plaats 2]. Daaruit is naar voren gekomen dat in 8 van de 10 positieve urinemonsters AOZ wel, maar in twee urinemonsters niet is aangetoond. Daarnaast is AOZ in zowel het hartmonster als het levermonster van het dode rund aangetoond.

3.

Verzoekster voert onder meer aan dat niet vaststaat dat de helft of meer van de genomen monsters positief is. Verzoekster stelt dat de monsters van het dode dier niet meegerekend mogen worden in de steekproef. Voorts blijkt uit de contra-analyse van [naam 5] B.V. dat slechts acht (en dus minder dan de helft) van de monsters positief zijn getest.

4.

Verweerder heeft naar aanleiding van de contra-analyse aan verzoekster voorgesteld om een derde analyse van de urinemonsters te laten uitvoeren, gelet op het bepaalde in artikel 15, tweede lid, tweede alinea van de Richtlijn 96/23/EG. Verzoekster heeft dit voorstel afgewezen. Ter zitting heeft verweerder gevraagd om de behandeling van het verzoek aan te houden totdat de resultaten van een derde analyse van de urinemonsters bekend zijn. Verweerder heeft desgevraagd opgemerkt dat indien niet alsnog (met een derde analyse) in de helft van de monsters AOZ wordt aangetoond, het bestreden besluit niet in stand kan blijven voor zover dat ziet op het uit de handel nemen en vernietigen van andere dan in de bemonstering positief geteste runderen.

5.1

De voorzieningen rechter stelt voorop dat Richtlijn 96/23/EG geen bepalingen bevat over de manier waarop een contra-analyse moet worden uitgevoerd. Artikel 15, tweede lid, van de Richtlijn bepaalt dat indien de uitkomst wordt aangevochten op basis van een analyse op tegenspraak, deze resultaten bevestigd moeten worden door het nationale referentielaboratorium. In artikel 8.7 van de Regeling diergeneesmiddelen zijn vijf laboratoria aangewezen als officieel laboratorium voor controle van monsters, waaronder RIKILT, instituut voor voedselveiligheid, onderdeel van Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek en [naam 5] B.V., onderdeel van TNO.

5.2

De contra-analyse is uitgevoerd door een officieel laboratorium. Verder ontbreekt een aanwijzing dat er bij de contra-analyse een verkeerde werkwijze is gehanteerd of dat er fouten zijn gemaakt. Daarbij heeft verweerder toegezien op de overdracht van de urinemonsters van RIKILT aan [naam 5] B.V. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter het verzoek om aanhouding afwijzen.

5.3

De contra-analyse heeft zich, in overeenstemming tussen partijen, beperkt tot een herbeoordeling van de door RIKILT positief geteste monsters. [naam 5] B.V. vond in twee van die tien urinemonsters geen AOZ, waarmee de contra-analyse twee positieve testbevindingen van RIKILT niet bevestigt. Daarmee staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet vast dat in de helft of meer van de monsters AOZ is aangetoond, ongeacht of de steekproef van de op 6 juni 2014 genomen urinemonsters door verweerder mocht worden uitgebreid met de later genomen monsters van het dode rund. Daarom zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toewijzen. De overige door verzoekster aangevoerde gronden behoeven geen bespreking meer.

6.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het primaire besluit voor zover het ziet op het uit de handel nemen en vernietigen van andere dan in de bemonstering positief geteste runderen tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar,

7.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.217,50 (1 punt voor het verzoekschriftschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter tweede zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het primaire besluit als onder 6 is aangegeven;

  • -

    draagt verweerder op het griffierecht van € 328,- aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerster in de proceskosten van verzoekster tot een

bedrag van € 1.217,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. F.E. Mulder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2014.

w.g. R.C. Stam w.g. F.E. Mulder