Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:313

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-08-2014
Datum publicatie
14-08-2014
Zaaknummer
AWB 14/381
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking vergunning tot het afleveren van diergeneesmiddelen - artikel 5.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling diergeneesmiddelen - geen verplichting voor de vergunninghouder het recept bij zich te hebben tijdens het vervoer vanuit de voorgeschreven localiteit naar het huis van de houder van het dier - op grond van artikel 5.8 van de Regeling diergeneesmiddelen is het de vergunninghouder evenmin toegestaan aan klanten van buiten de EER diergeneesmiddelen af te leveren op een andere locatie dan voorgeschreven in de vergunning

Wetsverwijzingen
Wet dieren, geldigheid: 2014-08-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JGR 2014/43 met annotatie van Peek

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/381

11350

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 augustus 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1], te [plaats 1], verzoeker

(gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),

en

de minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder met ingang van 1 juni 2014 ingetrokken een aan verzoeker verleende vergunning tot het afleveren van diergeneesmiddelen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2.

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft verweerder aan verzoeker vergunning verleend tot het afleveren van, voor zover hier van belang, gekanaliseerde diergeneesmiddelen voor zover deze op basis van artikel 77a van de Diergeneesmiddelenregeling (oud) op recept van een dierenarts aan houders van dieren mogen worden afgeleverd. Hieraan is de beperking verbonden dat de vergunning uitsluitend betrekking heeft op de lokaliteit gelegen op het perceel [adres].

3.

Verweerder heeft de vergunning ingetrokken en daaraan, mede gelet op het verhandelde ter zitting, het volgende ten grondslag gelegd.

Op 15 oktober 2013 had verzoeker in een bestelauto op een marktterrein te [plaats 2] 80 stuks U.R.A. (uitsluitend op recept afleveren) diergeneesmiddelen liggen. Voor de 60 stuks ontwormingsmiddelen waarvoor een recept aanwezig was, gaat verweerder er van uit dat sprake is geweest van een situatie van afleveren als bedoeld in artikel 5.8, aanhef, onder b of c, van de Regeling diergeneesmiddelen. Datzelfde geldt niet voor de 20 stuks waarvoor geen recept aanwezig was. Het handelen dat verzoeker hier verweten wordt, betreft dus het voorhanden hebben van 20 stuks ontwormingsmiddelen – onderweg naar het adres waarop geleverd moest worden – zonder dat hij op dat moment over een recept voor die 20 stuks beschikte.

Op 8 februari 2014 had verzoeker op een marktterrein te [plaats 3] onder een tafel dozen met (268 stuks) U.R.A. diergeneesmiddelen voorhanden. Voor beide gevallen geldt dat verzoeker heeft gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden beperking en artikel 5.8 van de Regeling diergeneesmiddelen.

Voorts bleek in februari 2014 verzoeker in zijn administratie vanaf 1 november 2013 de verkoop van 1.880 stuks U.R.A. diergeneesmiddelen niet te kunnen verantwoorden, waarmee hij heeft gehandeld in strijd met artikel 5.2, derde lid, van het Besluit diergeneesmiddelen, in samenhang met artikel 5.16, vierde lid, van de Regeling diergeneesmiddelen.

Aan deze overtredingen is overigens voorafgegaan een brief van 7 oktober 2013 van het College ter beoordeling van geneesmiddelen (Cbg) waarin verzoeker erop is gewezen dat hij in 2011 en 2012 meerdere malen heeft gehandeld in strijd met bepalingen uit de Diergeneesmiddelenwet (oud) en dat de vergunning kan worden ingetrokken indien hij wederom de regels overtreedt.

3.

Verzoeker voert, samengevat weergegeven, het volgende aan.

De intrekking van de vergunning heeft aanzienlijke financiële gevolgen voor verzoeker nu diens onderneming hierdoor de helft van haar omzet verliest. Verweerder heeft geen rekening ermee gehouden dat vanaf oktober 2011 er steeds nuanceringen van regelgeving hebben plaatsgehad en dat verzoeker, naar eer en geweten handelend, in zoverre achter de feiten heeft aangelopen. Op 15 oktober 2013 heeft verzoeker overeenkomstig artikel 5.8 van de Regeling diergeneesmiddelen gehandeld. De destijds aangetroffen diergeneesmiddelen betroffen immers een bestelling die verzoeker na afloop van de (paarden)markt bij de desbetreffende klant [naam 2] zou afleveren. Op verzoeker rustte geen verplichting een dekkend recept bij zich te hebben op het moment dat de diergeneesmiddelen werden aangetroffen. De op 8 februari 2014 aangetroffen dozen diergeneesmiddelen waren uitsluitend bestemd voor klanten van buiten de Europese Economische Ruimte (EER), waarbij verzoeker in de veronderstelling verkeerde dat dat was toegestaan. Daarbij wijst hij erop dat hij reeds in oktober 2011 verweerder te kennen heeft gegeven diergeneesmiddelen aan klanten van buiten de EER te verkopen en verweerder dit niet heeft verboden tot aan diens hoorzitting van 17 maart 2014. Dit laatste en de omstandigheid dat verzoeker voorts U.R.A. diergeneesmiddelen zonder recept heeft verkocht aan twee collega-vergunninghouders en een dierenarts vormen voorts reden waarom een deel van de verkochte diergeneesmiddelen niet in zijn administratie is verantwoord. In deze omstandigheden is een intrekking van de vergunning niet gerechtvaardigd.

4.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1

Vast staat dat verzoeker enkel een financieel belang heeft bij de gevraagde voorziening. In diens stelling dat als gevolg van de intrekking van de vergunning zijn onderneming de helft van haar omzet zal verliezen ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond voor het oordeel dat verzoeker zonder het treffen van een voorlopige voorziening acuut in ernstige financiële problemen zal komen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoeker met zijn onderneming naast diergeneesmiddelen ook ruitersportartikelen verkoopt.

4.2

Voor zover het de overtreding op 15 oktober 2013 betreft staat ter discussie – gelet op het door verweerder gestelde – of verzoeker de 20 wormspuiten met het oog op afleveren op een andere plaats dan in zijn lokaal voorhanden mocht hebben zonder dat hij op dat moment over het recept voor die 20 stuks beschikte. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet voorshands in zijn standpunt dat verzoeker op 15 oktober 2013 met het voorhanden hebben van die 20 stuks ontwormingsmiddelen zonder recept de aan de vergunning verbonden beperking en artikel 5.8 van de Regeling diergeneesmiddelen heeft overtreden. Dienaangaande is het volgende redengevend. Vast staat dat [naam 2] bij verzoeker 80 stuks U.R.A. diergeneesmiddelen, te weten 80 wormspuiten Equiworm P, had besteld en dat verzoeker 80 stuks wormspuiten en een recept (bij zich) had voor 60 stuks ervan. Voorts stelt verzoeker ervan uit te zijn gegaan dat [naam 2] voor de resterende 20 stuks een recept had die hij bij de feitelijke aflevering aan huis aan verzoeker zou overhandigen. Deze stelling heeft verweerder op geen enkele wijze betwist. Ingevolge artikel 5.8, aanhef en onder c, van de Regeling diergeneesmiddelen houdt een houder van een vergunning voor kleinhandel diergeneesmiddelen die uitsluitend worden afgeleverd na te zijn voorgeschreven, met het oog op het afleveren slechts voorhanden of in voorraad in een lokaal als bedoeld in artikel 5.2, en levert deze slechts af vanuit een lokaal als bedoeld in artikel 5.2 met een voor het diergeneesmiddel geschikte wijze van vervoer aan huis bij de houder van het dier, indien het dier niet voor de productie wordt gehouden. Uit deze bepaling volgt, anders dan verweerder kennelijk betoogt, niet dat de vergunninghouder zelf tijdens het vervoer naar het huis van de houder van het dier voorafgaand aan de feitelijke aflevering over het – reeds bestaande – recept dient te beschikken.

De voorzieningenrechter volgt verweerder wel wat betreft de overige aan verzoeker tegengeworpen overtredingen.

Zo betwist verzoeker niet dat hij op 8 februari 2014 artikel 5.8 van de Regeling diergeneesmiddelen heeft overtreden. Wat ook zij van de door hem gestelde nuanceringen van regelgeving, het komt voor zijn rekening en risico dat hem destijds niet bekend was dat het op grond van deze bepaling hem als vergunninghouder evenmin is toegestaan aan klanten van buiten de EER diergeneesmiddelen bij aflevering in Nederland af te leveren op een andere locatie dan voorgeschreven in de vergunning dan wel de Regeling diergeneesmiddelen. Tegenover de enkele stelling van verzoeker dat hij reeds in oktober 2011 verweerder te kennen heeft gegeven hier te lande U.R.A. diergeneesmiddelen af te leveren aan klanten van buiten de EER, staat bovendien verweerders stellingname dat verzoeker destijds erover is geïnformeerd dat (ook) een dergelijke handelwijze niet is toegestaan. Verder kan verzoeker aan het uitblijven van een reactie op deze mededeling noch aan de mededelingen van een medewerker van het Cbg op verweerders hoorzitting van 17 maart 2014 ertoe strekkende dat (internet)bestellingen van U.R.A. diergeneesmiddelen bestemd voor klanten van buiten de EER uitsluitend per post mogen worden afgeleverd naar buiten de EER, het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat die klanten, indien zij hier te lande (voor een marktbezoek) verblijven, op een andere dan in de vergunning voorgeschreven locatie U.R.A. diergeneesmiddelen mogen worden afgeleverd.

Evenmin betwist verzoeker dat hij artikel 5.2, derde lid, van het Besluit diergeneesmiddelen, in samenhang met artikel 5.16, vierde lid, van de Regeling diergeneesmiddelen heeft overtreden. Het komt eveneens voor zijn rekening en risico dat hem niet bekend was dat hij als vergunninghouder op grond van deze bepalingen (ook) de aan klanten van buiten de EER verkochte diergeneesmiddelen in zijn administratie diende te verantwoorden. Verzoekers verklaring dat de omissies in de administratie tevens verband houden met de verkoop van diergeneesmiddelen aan collega-vergunninghouders en een dierenarts zonder recept bevestigt veeleer de juistheid van het standpunt van verweerder dat hij genoemde bepalingen heeft overtreden.

Mede in aanmerking nemende dat verzoeker voorafgaande aan de overtredingen met de brief van 7 oktober 2013 van het CBG in feite was gewaarschuwd als vergunninghouder niet meer in de fout te gaan, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat verweerder op grond van artikel 5.5, eerste lid, van het Besluit diergeneesmiddelen de vergunning heeft kunnen intrekken.

5.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. S.D.M. Michael, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

7 augustus 2014.

w.g. M. Munsterman w.g. S.D.M. Michael