Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:311

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-08-2014
Datum publicatie
14-08-2014
Zaaknummer
AWB 12/136
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfstoeslag 2010. Subsidiabele oppervlakte moeten groter worden vastgesteld, vergelijking gps-meting en luchtfoto's

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2014-08-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/136

5101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2014 in de zaak tussen

Maatschap [naam 1], te [plaats], appellante

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: drs. M. Star).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de Bedrijfstoeslag 2010 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun (verder: de Regeling).

Bij besluit van 19 december 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van appellante deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 13 februari 2013 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij [naam 2] appellante vertegenwoordigde en verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Bij beslissing van 10 juli 2013 heeft het College het onderzoek ter zitting heropend en is verweerder verzocht een aantal vragen te beantwoorden.

Bij brief van 6 augustus 2013 heeft verweerder antwoord gegeven op de vragen van het College. Bij brief van 5 september 2013 heeft appellante een reactie ingediend.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven zonder nadere zitting uitspraak te doen is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Appellante heeft met een Gecombineerde Opgave een aanvraag ingediend om uitkering van de bedrijfstoeslag voor het jaar 2010 en heeft daarbij voor de verzilvering van toeslagrechten een oppervlakte opgegeven van 73,65 hectare landbouwgrond. Deze aanvraag is door verweerder ontvangen op 28 mei 2011.

2.

In het primaire besluit heeft verweerder de definitieve oppervlakte vastgesteld op 73,31 hectare. Van de opgegeven oppervlakte is 0,34 hectare afgekeurd, waardoor de bedrijfstoeslag €182,- lager is vastgesteld dan verzocht. Daarnaast is een korting toegepast van 8% op de bruto uitkering, omdat de aanvraag te laat is ontvangen door verweerder. In totaal is € 33.448,13 toegekend. Bij brief van 2 juli 2011 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de korting vanwege de te late ontvangst van de aanvraag. Bij brief van 9 juli 2011 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de afkeuring van de oppervlakte. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn eerdere besluit deels herzien. Verweerder heeft de oppervlakte van een groot aantal percelen, en een aantal slotenmarges, bijgesteld. De afgekeurde oppervlakte bedraagt in bezwaar 0,41 hectare en de daarmee samenhangende korting € 221,20. De 8% korting wegens de te late ontvangst van de aanvraag wordt in het bestreden besluit gehandhaafd.

3.1

Appellante heeft in beroep aangevoerd dat van drie percelen het aantal subsidiabele hectares hoger had moeten worden vastgesteld. Ter onderbouwing heeft zij GPS-metingen ingebracht van een door appellante ingehuurd bureau waarvan zij meent dat deze gevolgd moeten worden. Voor de percelen 23, 24 en 32 (door verweerder hernummerd naar 6, 49 en 57) is de door het adviesbureau opgemeten oppervlakte 1,22, 1,15 en 0,82 ha, in plaats van de door verweerder vastgestelde 1,20, 1,14 en 0,81 ha. De vastgestelde slotenmarge voor deze percelen is respectievelijk 0,02, 0,02 en 0,00. In het door appellante overgelegde rapport zijn geen slotenmarges opgenomen.

3.2

Verweerder heeft in beroep naar voren gebracht niet verplicht te zijn de GPS- metingen zonder meer over te nemen, maar heeft in beroep wel de luchtfoto’s opnieuw bekeken. De GPS-metingen hebben ten aanzien van twee percelen geleid tot een aanpassing van de AAN-laag voor toekomstige premiejaren. Perceel 23(6) is op 1.21 ha vastgesteld en perceel 32(57) op 0,82 ha. Voor de bedrijfstoeslag 2010 zijn er geen wijzigingen doorgevoerd. Als de aanpassing voor de bedrijfstoeslag van 2010 zou worden meegenomen zou dat er toe leiden dat de totale beteelbare oppervlakte 0,02 ha groter wordt. De slotenmarge wordt echter als gevolg van het verleggen van de perceelsgrenzen 0,03 ha kleiner; de slotenmarge bij perceel 23(6) zou namelijk met 0,01 ha worden verkleind, evenals de slotenmarges bij perceel 24(49) en 32(57). De totale subsidiabele oppervlakte zou daarom per saldo 0,01 ha kleiner uitvallen dan nu voor 2010 is vastgesteld. Nu het verschil voor de bedrijfstoeslag minder dan € 100,- zou bedragen wordt dit niet teruggevorderd. Voor de toegekende bedrijfstoeslag voor 2010 maakt het dus geen verschil.

3.3

Het College stelt voorop dat de GPS-meting een onderbouwing betreft van een eerder ingenomen stelling. De vraag is of deze aanleiding moeten geven de bedrijfstoeslag voor 2010, waar deze procedure op ziet, hoger vast te stellen. Verweerder heeft erkend dat de oppervlakte van perceel 6 en perceel 57 beiden groter zijn, dan in bezwaar vastgesteld.

In bezwaar was voor perceel 6 een oppervlakte geconstateerd van 1,20 ha en een slotenmarge van 0,02 ha. Volgens bijlage 1 bij de brief van 6 augustus 2013 van verweerder moet de oppervlakte van perceel na de hernieuwde beoordeling worden vergroot tot 1,21 ha. Dit komt overeen met de oppervlakte van het perceel zoals dat oorspronkelijk was aangevraagd. De vergroting leidt tot een verkleining van de slotenmarge met 0,01 ha. Gelet op de bijlage bij het bestreden besluit betekent dat dat nu een slotenmarge van 0.01 ha wordt geconstateerd. Voor de bedrijfstoeslag zou dit betekenen dat de subsidiabele oppervlakte voor dit perceel totaal (oppervlakte + slotenmarge) 1,22 ha bedraagt.

Voor perceel 57 geldt volgens verweerder dat de oppervlakte kan worden vergroot met 0,01 ha. Gelet op de bijlage bij het bestreden besluit komt de oppervlakte voor dit perceel dan op 0,82 ha. Dit komt overeen met de oppervlakte zoals die is aangevraagd door appellant. In de bijlage bij de brief van 6 augustus 2013 stelt verweerder dat als gevolg van de vergroting van de oppervlakte van het perceel de slotenmarge voor dit perceel 0,01 ha kleiner wordt dan was vastgesteld. Het College gaat er van uit dat dit op een vergissing berust. In de bijlage bij het bestreden besluit is de slotenmarge voor dit perceel immers vastgesteld op 0,00 ha omdat er geen sloot gevonden is die aan de voorwaarden voldoet. Dat dit nu anders zou zijn, is door verweerder niet aangevoerd, terwijl een slotenmarge van -0,01 ha niet mogelijk is. Voor de bedrijfstoeslag 2010 betekent dit dus dat moet worden uitgegaan van een subsidiabele oppervlakte van dit perceel van 0.82 ha.

Voor perceel 49 geldt dat verweerder na herbeoordeling tot de conclusie is gekomen dat de oppervlakte van dit perceel niet groter kan worden vastgesteld omdat er op de luchtfoto geen ruimte te zien is voor een vergroting. De oppervlakte van dit perceel blijft dus 1,14 ha. Nu deze oppervlakte niet wijzigt valt – anders dan verweerder stelt in de brief van 6 augustus 2013 – niet in te zien dat de vastgestelde slotenmarge zou moeten wijzigen. Dat betekent dat de slotenmarge voor dit perceel vastgesteld moet blijven zoals dat in het bestreden besluit is opgenomen, te weten 0,02 ha. De totale subsidiabele oppervlakte voor dit perceel bedraagt dus 1,16 ha.

Per saldo betekent dit dat de totale subsidiabele oppervlakte voor deze drie percelen 0,01 ha groter wordt. Dat de totale subsidiabele oppervlakte voor deze (nog) groter zouden moeten worden vastgesteld, omdat de metingen op basis van de luchtfoto’s onjuistheden zouden bevatten, is niet gebleken.

4.1

Appellante komt in beroep tevens op tegen de toegepaste korting van 8% wegens de te late ontvangst van de Gecombineerde Opgave. Zij stelt de envelop met de Gecombineerde Opgave op 11 mei 2011 te hebben meegegeven aan een TNT-postbezorger, die dit in een schriftelijke verklaring heeft bevestigd. Deze envelop heeft verweerder pas op 28 mei 2011 bereikt. Uit een poststempel blijkt dat de aanvraag in Engeland terecht is gekomen en pas daarna bij verweerder is bezorgd. Volgens appellante is dit een geval van overmacht en moet daarom, in lijn met de toepasselijke Europese verordeningen, een korting achterwege blijven.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat te late indiening van de Gecombineerde Opgave voor rekening van appellante komt, nu zij verantwoordelijk is voor de wijze van verzending en ook had kunnen kiezen voor het aangetekend verzenden van de aanvraag.

4.3

Het College oordeelt als volgt. Op grond van artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 wordt bij te late indiening van de steunaanvraag behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden na de uiterste termijn voor indiening een verlaging van 1% per werkdag toegepast op de bedragen waarop de landbouwer recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend. De uiterste datum is vastgesteld op 15 mei 2010. Uit het arrest van het Hof van de Europese Gemeenschappen van 11 november 2004 in de zaak C1-171/03 moet worden afgeleid dat een aanvraag voor landbouwsubsidies pas als ingediend kan worden beschouwd als deze door het bevoegd gezag is ontvangen. Het is de verantwoordelijkheid van de aanvrager om er voor zorg te dragen dat de steunaanvraag tijdig wordt ontvangen.

Niet in geschil is dat verweerder de steun aanvraag van appellante eerst op 28 mei 2011 heeft ontvangen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat de keuze van appellante om de aanvraag niet aangetekend te verzenden voor rekening komt van appellante. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie moet het begrip overmacht inzake landbouwverordeningen aldus worden uitgelegd, dat het inhoudt dat zich abnormale en onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, die vreemd zijn aan degene die zich er op beroept en waarvan de gevolgen, in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden. In lijn met hetgeen het Hof van Justitie in onder meer Käserei Champignon Hofmeister GmbH & Co (arrest van het Hof van Justitie van 11 juli 2002, C-210/00) en Boterlux (arrest van het Hof van Justitie van 9 augustus 1994, C-347/93) heeft geoordeeld, behoort een incident zoals een onvolkomenheid in de postbezorging, zelfs indien dat vreemd is aan degene die zich er op beroept, niettemin tot de normale ondernemingsrisico's en is daarom niet als een onvoorzienbare omstandigheid aan te merken. Het beroep op overmacht kan om die reden niet slagen.

Verweerder was gelet op de late ontvangst gehouden een korting van 1% toe te passen voor elke dag dat de steunaanvraag te laat was. Verweerder heeft geen ruimte van deze bepaling af te wijken. In bedoelde bepaling is overigens met het evenredigheidsbeginsel rekening gehouden door bij te late indiening 1% korting per dag toe te passen, terwijl afwijzing van de steunaanvraag eerst na 25 dagen volgt.

5.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3. is overwogen, is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd. Verweerder zal de bedrijfstoeslag 2010 in overeenstemming met die overweging moeten herberekenen uitgaande van de oppervlaktes zoals die in 3.3 zijn uiteengezet.

6.

Het College ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten ten bedrage van € 308,67 bestaande uit:

- De reiskosten vastgesteld op € 83,60

- De verletkosten vastgesteld op € 122,65 en

- De kosten van de in bezwaar ingebrachte GPS-meting ten bedrage van € 102,42.

De kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, artikel 1, onder b, c en d, vastgesteld.

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de percelen 6 en 57;

  • -

    draagt verweerder op het door appellant betaalde griffierecht van € 302,- te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 308,67.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2014.

w.g. M. Munsterman w.g. A.G.J. van Ouwerkerk