Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:309

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
14-08-2014
Zaaknummer
AWB 13/116
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bloemkwekerijproduct, definitie, heffingsgrondslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/116

4240

Uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2014 in de zaak tussen

V.O.F. [naam 1], te [plaats], appellante

en

het Productschap Tuinbouw, verweerder,

(gemachtigden: mr. J.P.A. ter Schure en N.N. Alam).

Procesverloop

Bij facturen van 6 februari 2012 (de primaire besluiten) heeft verweerder aan appellante heffingen voor bloemkwekerijproducten opgelegd.

Bij besluit van 16 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder op het hiertegen gerichte bezwaar beslist.

Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 16 april 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij voor appellante [naam 2] is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Na een boekencontrole bij appellante heeft verweerder bij facturen van 27 januari 2011 heffingen opgelegd voor bloemkwekerijproducten op grond van de Verordeningen vakheffing bloemkwekerijproducten 2005, 2006, 2007, 2008 en 2009 (hierna: de Verordening bloemkwekerijproducten). Op 6 februari 2012 heeft verweerder, met gebruikmaking van de bevoegdheid op grond van artikel 6 van de Verordening bloemkwekerijproducten, de heffingen voor de jaren 2007, 2008 en 2009 herzien en opnieuw opgelegd. Bij deze herziene heffingen is met een korting gerekend voor de inkoopkosten van bijzondere verpakkingen. De aan appellante opgelegde herziene heffing is voor 2007

€ 1.110,72, voor 2008 € 776,78 en voor 2009 € 1.068,67. Bij het hier bestreden besluit is het bezwaar van appellante tegen deze heffingen ongegrond verklaard.

2.

Appellante heeft in beroep aangevoerd dat ten onrechte als heffingsgrondslag de omzet is gehanteerd en dat daardoor onvoldoende rekening is gehouden met de inkoopkosten. Ter toelichting heeft zij erop gewezen dat zij haar bloemkwekerijproducten (boeketten en bloemstukken) met bijproducten (nieuwe soorten skimmia’s) verfraait. Deze skimmia’s vermeerdert appellante zelf, waarna zij ze verkoopt aan een bedrijf dat de skimmia’s opkweekt tot grote planten en vervolgens worden ze door appellante teruggekocht om de takken van die teruggekochte planten te gebruiken als snijproduct voor boeketten of voor bloemstukken. De inkoopkosten die appellante voor het bijproduct maakt worden bij het vaststellen van de heffingen niet van de omzet afgetrokken, hetgeen appellante onterecht vindt nu bij de heffing over boomkwekerijproducten deze kosten wel in mindering worden gebracht. Volgens appellante heeft verweerder het bijzondere karakter van haar bedrijf onvoldoende laten meewegen bij het opleggen van de heffingen.

3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de afgesneden takken van de skimmia’s moeten worden aangemerkt als bloemkwekerijproduct. Een snijtak van de skimmia is geen winterhard houtgewas, nu deze tak zelfstandig geen overlevingskansen heeft. De Verordening bloemkwekerijproducten voorziet niet in een aftrekpost voor inkoopkosten. Er is daarom terecht geen rekening gehouden met deze kostenpost.

4.

Volgens artikel 1, derde lid, sub a van de Verordening bloemkwekerijproducten wordt onder bloemkwekerijproducten verstaan: siergewassen, bloemzaden daaronder begrepen, in blad-, bloem- of vruchtdragende toestand in hun geheel of gedeeltelijk, met uitzondering van:

1.

winterharde houtgewassen in hun geheel voor zover niet vervroegd of verlaat, alsmede kerstbomen zonder wortels en delen van winterharde houtgewassen welke voor vermeerdering zijn bestemd;

(…)

In artikel 4 is bepaald dat de heffing die de kweker of de importeur is verschuldigd wordt opgelegd naar de omzet onderscheidenlijk het totaalbedrag van de invoerwaarde.

5.

Het College stelt vast dat in de Verordening bloemkwekerijproducten rekening wordt gehouden met winterharde houtgewassen of delen daarvan. Gelet op de definitiebepalingen van de Verordening bloemkwekerijproducten vallen de takken van de skimmia echter niet onder de uitzondering van artikel 1, derde lid, sub a. De takken betreffen delen van winterharde houtgewassen, maar zijn nu zij gebruikt worden als snijproduct voor boeketten of bloemstukken, niet voor vermeerdering bestemd. Dat betekent dat verweerder de takken zoals die door appellante in boeketten of bloemstukken worden verwerkt, terecht heeft aangemerkt als bloemkwekerijproducten.

De heffingsgrondslag in de Verordening bloemkwekerijproducten is de omzet. De Verordening bloemkwekerijproducten laat daarbij - anders dan de Verordening vakheffing boomkwekerijproducten - geen ruimte voor aftrek van inkoopkosten. Met betrekking tot die door verweerder gemaakte keuze overweegt het College het volgende. Artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie biedt verweerder een ruime bevoegdheid voor het kiezen van de toepasselijke heffingssystematiek. De heffingsgrondslag is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift. Alleen indien de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig moeten worden geacht met een hogere – algemeen verbindende – regeling, dan wel met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de regelgever en derhalve met terughoudendheid toetsend geoordeeld moet worden dat het voorschrift een toetsing aan algemene rechtsbeginselen niet kan doorstaan, kan er reden zijn het voorschrift buiten toepassing te laten. Van strijd met hogere regelgeving dan wel algemene rechtsbeginselen is in dit geval niet gebleken. Dat de Verordening vakheffing boomkwekerijproducten een andere heffingsgrondslag hanteert en daarbij wel de mogelijkheid biedt voor aftrek van inkoopkosten, is daarvoor onvoldoende.

6.

Gelet op het vorenstaande is het beroep van appellante ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schukking, mr. R.F.B. van Zutphen en M. Munsterman, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2014.

w.g. J. Schukking w.g. A.G.J. van Ouwerkerk