Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:302

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-07-2014
Datum publicatie
11-08-2014
Zaaknummer
AWB 14/499
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Maatregelen in verband met niet toegestane stoffen bij runderen, uitstel van ruiming vanwege mogelijk ander beleid

Wetsverwijzingen
Wet dieren, geldigheid: 2014-08-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 14/499

11350

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juli 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

1. maatschap [naam 1], te [plaats 1] (de maatschap)

en

2. [naam 2] B.V., te [plaats 2], verzoekers

(gemachtigde: mr. L.J.L. Heukels),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Kooiman).

Procesverloop

Bij besluiten van 14 mei 2014, 27 mei 2014 en 5 juni 2014 heeft verweerder, naar aanleiding van het aantreffen van furazolidone in onder meer de urine en de organen van de op het bedrijf van de maatschap gehouden runderen, het bedrijf onder officieel toezicht geplaatst en de maatregel getroffen dat geen enkel dier van het bedrijf mag worden afgevoerd. De runderen waarbij de stof is aangetroffen zijn vernietigd. Daarnaast is aangekondigd dat gelet op de testresultaten in totaal 567 kalveren uit de handel worden genomen en vernietigd, tenzij de maatschap er voor kiest om van al deze runderen vlees- en orgaanmonsters te laten onderzoeken. De keuze voor het onderzoek moest voor 20 juni 2014 kenbaar worden gemaakt.

Verzoekers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

Verzoekers hebben verzocht om een voorlopige voorziening te treffen en daarop is afwijzend beslist bij uitspraak van 22 juli 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:267).

Op 24 juli 2014 hebben verzoekers andermaal gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Aan dat verzoek leggen zij ten grondslag dat na de uitspraak van 22 juli 2014 is gebleken dat verweerder op 25 juli 2014 overleg voert met Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO) over de ruiming van meer dan honderd varkensbedrijven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2014. Voor verzoekers is verschenen [naam 3] en hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en is verschenen H. Kamphuis.

Overwegingen

1.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2 Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.

2.1 Voor een weergave van de feiten en de standpunten van partijen verwijst de voorzieningenrechter naar zijn uitspraak van 22 juli 2014. In die uitspraak heeft hij onder meer overwogen:

“In Richtlijn 96/23/EG zijn de controlemaatregelen neergelegd ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren. Ter uitvoering van deze richtlijn zijn in Beschikking 2002/657/EG voorschriften vastgesteld ten aanzien van de analysemethoden die worden gebruikt bij het onderzoeken van de officiële monsters genomen krachtens voornoemde richtlijn en de interpretatie van de analyseresultaten. In artikel 23, derde lid, van Richtlijn 96/23 is bepaald dat indien de helft of meer dan de helft van de monsters die genomen zijn van een representatief percentage positief is de veehouder de keuze heeft tussen een controle op alle dieren van het bedrijf die mogelijk verdacht zijn en het laten doden van de betrokken dieren.”

en

“Tussen partijen is niet in geschil dat op zich van een representatief aantal dieren monsters zijn genomen en onderzoek is verricht. Evenmin is in geschil dat het gevolg van het aantal positief bevonden dieren, indien de uitslag op juiste wijze tot stand is gekomen, is dat 567 dieren verdacht zijn. Verzoekers twijfelen echter aan de betrouwbaarheid van het verrichte onderzoek. De voorzieningenrechter ziet in de aangedragen redenen geen grond voor het treffen van de gevraagde voorziening. Alle analyseresultaten zijn aan verzoekers toegezonden. Verzoekers hadden en hebben nog steeds de mogelijkheid om een contra-expertise te laten uitvoeren. Voor de stelling dat de monsters gecontamineerd zijn ziet de voorzieningenrechter geen aanwijzingen, gelet op het feit dat verschillende (vervolg)onderzoeken zijn verricht, zowel urine als organen zijn onderzocht, daarnaast ook voer is onderzocht en al deze onderzoeken consequent de aanwezigheid van dezelfde stof laten zien. Het onderzoek is onweersproken uitgevoerd door een daartoe aangewezen laboratorium, dat moet voldoen aan communautair vastgestelde eisen en onderworpen is aan kwaliteitscontroles. Dat dit laboratorium niet aan die eisen voldoet of geen onderzoek zou doen conform de uitvoerige voorschriften van Beschikking 2002/657/EG is gesteld noch gebleken. Het feit dat verzoekers nog niet over onder meer de laboratoriumjournaals beschikken maakt niet dat de gevraagde voorziening moet worden getroffen teneinde te waarborgen dat zij op voldoende wijze hun rechten kunnen verdedigen.”

2.2.1 Het herhaalde verzoek om een voorlopige voorziening is ingegeven doordat vandaag overleg plaats vond tussen verweerder en LTO over de situatie op een aantal varkensbedrijven. De varkens op die bedrijven zijn eveneens verdacht van de aanwezigheid van (metabolieten van) furazolidone en het onderzoek hiernaar is nog gaande. Verzoeker oppert de mogelijkheid dat verweerder van ruiming van de varkens zal afzien en wil dan gelijk aan de varkenshouders worden behandeld. Het (nieuwe) verzoek om een voorlopige voorziening strekt er toe te voorkomen dat de runderen van verzoekers worden geruimd zolang het overleg tussen verweerder en LTO niet is afgerond.

2.2.2 Alleen het gegeven dat verweerder en LTO overleg voeren over de verdenking van de aanwezigheid van (metabolieten van) furazolidone in varkens, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet toereikend om in weerwil van de op 22 juli 2014 gegeven uitspraak thans een voorlopige voorziening te treffen. Ter zitting is bovendien gebleken dat verweerder ten aanzien van de varkenssector een zelfde beleid zal voeren als in de situatie van verzoekers.

2.3.1 Ter zitting hebben verzoekers zich er nog op beroepen dat verweerder heeft ingestemd met uitstel van de ruiming van de dieren van een melkveehouderij. Verweerder bevestigt dat hij met dat uitstel heeft ingestemd. De reden voor dat uitstel is dat de door die veehouderij in een vroeg stadium aangevraagde contra-expertise door administratieve misslagen aan de zijde van verweerder is vertraagd.

2.3.2 De omstandigheid dat verweerder heeft ingestemd met uitstel van de ruiming van deze veehouderij is evenmin reden voor toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening, reeds, nu niet is gebleken dat verzoekers een contra-expertise hebben aangevraagd, laat staan dat een dergelijke contra-expertise door verweerder is vertraagd.

3.

Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2014.

w.g. R.C. Stam w.g. A.G.J. van Ouwerkerk