Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:292

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
AWB 13/33
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bedrijfstoeslag, GPS-meting

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006, geldigheid: 2014-08-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 13/33

5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2014 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], appellant(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. B.E. Sturm).

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2011 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (de Regeling).

Bij besluit van 20 december 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door appellant ingediende bezwaar gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft als nader stuk de herziene beslissing op bezwaar tegen de vaststelling van de bedrijfstoeslag van appellant voor 2010 ingediend en appellant heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Overwegingen

1.

Appellant heeft met zijn Gecombineerde Opgave 2011 uitbetaling van zijn toeslagrechten aangevraagd en hiervoor 25 percelen met een totale oppervlakte van 49.86 ha opgegeven. Bij het primaire besluit heeft verweerder appellants bedrijfstoeslag 2011 vastgesteld op € 23.633,20, na aftrek van een korting van € 305,07 in verband met een afwijking in de oppervlakte van 0.59 ha. In het bestreden besluit is de afwijking in de oppervlakte lager vastgesteld op 0.23 ha, hetgeen leidt tot een korting van € 118,93.

2.

Verweerder stelt dat de subsidiabele oppervlakte van appellants percelen is vastgesteld na een administratieve controle als bedoeld in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 1122/2009. Deze vaststelling heeft plaatsgevonden door de door appellant opgegeven oppervlakte te vergelijken met de bij verweerder in het systeem voor referentiepercelen geregistreerde oppervlakte (de zogenoemde AAN-laag). Voor een grotere vaststelling van de geconstateerde oppervlaktes is geen plaats. De door appellant aangehaalde meetresultaten in het naar aanleiding van een fysieke controle door de Algemene Inspectiedienst (AID) uitgebrachte rapport van 1 december 2009 en de voordien door Ingenieursbureau Oranjewoud (Oranjewoud) uitgevoerde GPS-meting zien op het jaar 2008 en zijn gebaseerd op de door de AAN-laag achterhaalde oppervlaktes van de PIPO-kaart. Daarnaast worden de referentiepercelen jaarlijks geactualiseerd aan de hand van de meest recente luchtfoto’s. Daarbij kan het voorkomen dat er afwijkingen worden geconstateerd die in eerdere jaren niet aanwezig waren en die leiden tot een andere perceelsoppervlakte. De meetresultaten van genoemde rapporten kunnen daarom niet worden gehanteerd voor de vaststelling van appellants bedrijfstoeslag 2011.

3.

Appellant stelt dat verweerder voor de geconstateerde oppervlakte van zijn percelen met volgnummers 5, 6, 9, 11, 17, 18, 22, 24, 31 en 33 diende uit te gaan van de GPS-meting van Oranjewoud en het AID-rapport uit 2009. Dat de controle van de AID is gebaseerd op de door de AAN-laag achterhaalde oppervlaktes van de PIPO-kaart is onjuist, nu het controlerapport duidelijk spreekt over een controle in het kader van de AAN-laag. Voorts kan appellant de steeds wisselende oppervlaktes op perceelsniveau niet plaatsen. Naar zijn mening dient er een eenduidige oppervlakte te worden gehanteerd in aansluiting op de meetresultaten in het AID-rapport.

4.1

Het College ziet zich voor de vraag gesteld of er - zoals appellant stelt - aanleiding is voor het oordeel dat verweerder de afgekeurde oppervlakte kleiner diende vast te stellen dan de thans berekende oppervlakte van 0.23 ha. Dit is naar het oordeel van het College niet het geval. Verweerder heeft terecht gesteld dat het AID-rapport over de bedrijfstoeslag voor 2008 niet als uitgangspunt kan dienen voor de vaststelling van appellants bedrijfstoeslag voor 2010, reeds omdat de meetresultaten uitgaan van de PIPO-percelen en niet van de thans gehanteerde AAN-laag. In de PIPO werden immers ten onrechte niet subsidiabele elementen meegenomen in de perceelsoppervlaktes. Uit de opmerking in het AID-rapport bij de rubriek ‘Omschrijving van het aanvullend verzoek’ over de meetresultaten in het rapport van Oranjewoud volgt niet dat de in dit rapport vermelde concrete meetresultaten voor het jaar 2008 zijn gebaseerd op de AAN-laag, zoals appellant veronderstelt.

4.2

In verband met appellants stelling dat hij de steeds wisselende oppervlaktes op perceelsniveau niet kan plaatsen, heeft verweerder er op gewezen dat een groot aantal percelen van appellant aan het water liggen. Dit zorgt, aldus verweerder, voor een grillig verloop van de perceelsgrenzen (bijvoorbeeld bij de percelen met volgnummers 6 en 22), waardoor het lastig is een heel precies aantal hectaren per perceel vast te stellen. Naar het oordeel van het College is niet gebleken dat verweerder aan de hand van de luchtfoto’s, die de situatie ter plaatse met een grote mate van precisie weergeven, de grens tussen water en land onjuist heeft vastgesteld. Aannemelijk is dat geringe verschillen in de uitkomst nooit geheel vermeden kunnen worden, zeker als precies tot de rand van het water gemeten moet worden. Dergelijke variaties in de uitkomst zullen dan ook geaccepteerd moeten worden. Van belang is verder nog dat de aanvraag om bedrijfstoeslag per jaar wordt beoordeeld en niet in alle gevallen vergelijkbaar is. Dat het resultaat van de aanvraag voor 2011 in dit geval niet hetzelfde is als bij voorgaande jaren, leidt dan ook niet automatisch tot de conclusie dat de vaststelling van de bedrijfstoeslag voor 2011 door verweerder onjuist is.

5.

Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond is.

6.

Voor een proceskostenveroordeling ziet het College tot slot geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2014.

S.C. Stuldreher C.M. Leliveld