Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2014:277

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
AWB 12/1040
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

subsidie, vaststelling op nihil, anti-cumulatiebepaling

Wetsverwijzingen
Kaderwet EZ-subsidies, geldigheid: 2014-08-05
Kaderbesluit nationale EZ-subsidies 6, geldigheid: 2014-08-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/1040

27376

Tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 10 juli 2014 in de zaak tussen

Twence B.V., te Hengelo, appellante

(gemachtigde: mr. R.J.H. van der Wal, advocaat te Hengelo),

en

de Minister van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: drs. M.J. Brandenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan appellante op grond van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie (Stcrt. 2008, 173; hierna: TERM) verleende subsidie vastgesteld op € 301.000,- en een bedrag van € 419.000,- van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 8 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft – gevoegd met de zaak 12/1041 – plaatsgevonden op 13 februari 2014. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Aan de zijde van appellante is tevens verschenen [naam], werkzaam bij appellante. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het College de gevoegde zaken gesplitst voor het doen van uitspraak.

Overwegingen

1.

Het College neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Appellante is een bedrijf dat zich richt op het op milieuvriendelijke wijze verwerken van afval en het produceren van energie. Op 5 november 2009 heeft appellante een subsidieaanvraag ingediend in het kader van de TERM, Unieke kansen programma verduurzaming warmte en koude (UKP) voor het project met de titel “Innovatieve biogasconversie en –verwerking in Hengelo”. Bij besluit van 23 maart 2010 heeft verweerder de subsidie voor het project verleend ten bedrage van € 800.000,-. De subsidiabele kosten heeft verweerder op basis van de door appellante ingediende begroting berekend op € 3.633.027,-. De subsidie op grond van TERM bedraagt 40 procent van de daadwerkelijk gemaakte subsidiabele kosten en maximaal € 800.000,-.

Op 13 februari 2012 heeft appellante een aanvraag tot vaststelling van de UKP-subsidie bij verweerder ingediend. Bij het primaire besluit heeft verweerder de subsidie afwijkend van de verlening vastgesteld op € 301.000,-. Ter motivering van dit besluit heeft verweerder erop gewezen dat appellante voor hetzelfde project subsidie (€ 499.000,-) heeft ontvangen op grond van de provinciale Subsidieregeling Duurzame Energie & Energiebesparing (DEEO) en dat ingevolge de anticumulatiebepaling van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies de door appellante ontvangen DEEO-subsidie op het maximale subsidiebedrag in mindering dient te worden gebracht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

2.

In artikel 3.4 van de TERM is bepaald dat de subsidie 40 procent van de subsidiabele kosten bedraagt, maar niet meer dan € 800.000,- per aanvraag.

In artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit EZ-subsidies is bepaald dat indien reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, slechts een zodanig bedrag aan subsidie wordt verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens dit besluit kan worden verstrekt.

3.

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de berekening van verweerder van het bedrag dat ingevolge artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit EZ-subsidies maximaal als subsidie kan worden versterkt, juist is.

4.

Appellante betoogt dat het bedrag dat ingevolge artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit EZ-subsidies kan worden verstrekt het bedrag is dat in de beschikking tot subsidieverlening onder het nummer E9 ‘Maximale Steun (E6+E7)’ is vermeld. Het bedrag dat in de verleningsbeschikking is vermeld als ‘Maximale Steun’ bedraagt € 1.455.610,99. Appellante voert aan dat het dat bedrag is waarop het bedrag van de DEEO-subsidie ter hoogte van € 499.000,- in mindering moet worden gebracht en dat zulks niet leidt tot een lagere vaststelling omdat het, aldus berekend, saldo boven de maximale UKP-subsidie van € 800.000,- blijft. Verweerder heeft derhalve de hier aan de orde zijnde anticumulatiebepaling verkeerd toegepast

5.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bedrag dat “krachtens dit besluit maximaal kan worden verstrekt”, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit EZ-subsidies, het in artikel 3.4 van de TERM genoemde maximumbedrag van € 800.000,- per aanvraag is. Verweerder heeft ter motivering van dit standpunt erop gewezen dat het Kaderbesluit EZ-subsidies als doel heeft de eenheid van subsidieregelingen van Economische Zaken. Het sluit ook nauw aan bij de Europese staatssteunkaders. Het beoogt een algemeen kader te geven voor ministeriële regelingen waarin wordt bepaald wie waarvoor subsidie krijgt. De Europese staatssteunkaders geven kaders voor de berekening van kosten die voor steun in aanmerking mogen komen (in dit geval de investeringskosten minus referentiekosten en besparingen/opbrengsten) en hoeveel procent daarvan ten hoogste aan staatssteun verstrekt mag worden. Dit komt terug in onderdeel E van het aanvraagformulier, een tool om conform de staatsteunkaders de subsidiabele kosten waarover het toepasselijke percentage moet worden berekend, te bepalen. Daarbij komt naar voren of de subsidie al dan niet geoorloofde staatssteun is, aldus verweerder.

6.

Het College is van oordeel dat in de loop van de procedure aan de redenering die verweerder in het bestreden besluit, zoals nader toegelicht in het verweerschrift, ter onderbouwing van zijn standpunt dat het bedrag dat ingevolge artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit EZ-subsidies kan worden verstrekt, het in artikel 3.4 van de TERM genoemde bedrag van € 800.000,- is, overtuigingskracht is komen te ontvallen. Daartoe overweegt het College als volgt.

Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder de Handleiding “Unieke kansen programma verduurzaming warmte en koude” (http://www.rvo.nl/sites/default/files/bijlagen/Handleiding%20Unieke%20Kansen%20Programma%20Verduurzaming%20Warmte%20en%20Koude.pdf) overgelegd. Deze Handleiding vermeldt op pagina 7 – deel uit makende van de rubriek “Beperkingen en specifieke voorwaarden” – dat subsidies van andere bestuursorganen (gemeente, provincies, productschappen, waterschappen, het Rijk de Europese Unie mogen cumuleren tot maximaal 40 procent van de extra investeringskosten (50 procent voor MKB). Deze passage lijkt er derhalve op te duiden dat ook volgens verweerder niet het maximum subsidiebedrag van € 800.000,- (per aanvraag), maar het bedrag dat overeenkomt met de ‘Maximale steun’ het uitgangspunt is van de berekening in het kader de toepassing van de anticumulatiebepaling van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies. Voorts heeft appellante ter zitting met toestemming van verweerder een stuk overgelegd waaruit lijkt te volgen dat verweerder in een ander geval bij de toepassing van de anticumulatiebepaling van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit EZ-subsidies de methodiek heeft gevolgd als door appellante in deze procedure is bepleit. Verweerder heeft voor deze, tegenstrijdigheden suggererende, aspecten geen verklaring kunnen geven.

Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen is het College van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet berust op een deugdelijke motivering. Omdat niet geheel is uit te sluiten dat verweerder alsnog klaarheid zal kunnen bewerkstelligen omtrent de door hem op dit punt gevolgde uitvoeringspraktijk en er alsnog, met specifieke verwijzingen, in zou kunnen slagen dat het hier de Europese staatssteunkaders zijn die hier tot de door verweerder voorgestane uitleg van de onderhavige anticumulatiebepaling dwingen, zal het College toepassing geven aan artikel 19, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie

7.

Ingevolge dit artikel kan het College het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het College ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding verweerder op te dragen het hiervoor geconstateerde gebrek te herstellen. Het College zal verweerder hiervoor een termijn van zes weken geven.

Het College wijst verweerder er op dat indien hij tot conclusie komt dat het bezwaar gegrond is en het primaire besluit geheel of gedeeltelijk dient te worden gewijzigd, hij het gebrek dient te herstellen door middel van een wijzigingsbesluit als bedoeld in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb zoals die luidden vóór 1 januari 2013.

Vervolgens zal appellante op de voet van artikel 8:51b, derde lid, van de Awb, in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier weken schriftelijk een zienswijze naar voren te brengen. In dit geval en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal het College in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

Het College houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent ook dat over de proceskosten en het griffierecht in de einduitspraak zal worden beslist.

Beslissing

Het College:

  • -

    draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het geconstateerde gebrek te herstellen dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats te nemen met inachtneming van de overwegingen in deze tussenuitspraak;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. Winter, mr. J. Schukking en mr. G.P. Kleijn, in aanwezigheid van mr. A. Graefe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2014.

w.g. R.R. Winter w.g. A. Graefe